Gerelateerde links
 
Opening
Cohen M.J.
De VOORZITTER opent de vergadering om 13.05 uur.
Ik open de vergadering van de gemeenteraad van Amsterdam. Ik vraag een ogenblik uw aandacht. De afgelopen week bereikte ons het bericht dat op 11 januari 2010 Nora Salomons is overleden. Nora was de eerste ombudsman van Amsterdam. Ombudsman, geen ombudsvrouw, want het ging om het instituut en niet om haar persoon, zo zei ze vaak. Dat vond zij misschien, maar voor veel Amsterdammers ging het wel degelijk om haar persoon. Iemand wendde zich niet tot de ombudsman, maar tot Nora, en vertrouwde erop dat zij voor hem of haar op zou komen. Dat deed ze ook, op de manier die voor haar karakteristiek was: fel en zonder een blad voor de mond te nemen. Toen ze in 1987 begon als ombudsman heeft ze aanzienlijke weerstanden moeten overwinnen. Men was niet gewend aan een waakhond die kritische vragen stelde over het functioneren van de gemeentelijke overheid. Bij haar vertrek in 2005 was de gemeentelijke ombudsman een gevestigd instituut. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in Almere, Zaanstad en Weesp. De gemeente Amsterdam gedenkt Nora als een markante en zeer betrokken vrouw en ombudsman. Ik verzoek u enkele momenten stilte in acht te nemen.
1. Mededelingen
Cohen M.J.
Ik deel u mee dat er bericht van verhindering is van mevrouw Mahrach en van de heer De Wolf. Ik deel u ook mee dat er zeer waarschijnlijk sprake zal zijn van een vergadering in drie dagdelen. Wij hebben besloten om vanavond, aan het einde van de vergadering, daarover een definitief besluit te nemen. Zoals u weet, zal vanmiddag vooral het rapport van de enquêtecommissie worden besproken en zullen we dat vanavond afronden. De avondzitting zal echter beginnen met de actualiteit over Haïti. Verder zal de vergadering verlopen aan de hand van de agenda.
3. Vaststelling van de agenda (1)
2. Notulen van de raadsvergadering op 16 en 17 december 2009
4. Mededeling van de ingekomen stukken
Cohen M.J.
Er is een aantal gewijzigde afdoeningsvoorstellen. De ingekomen stukken nr. 18, nr. 20, nr. 22, nr. 23, nr. 44, nr. 45 en nr. 53 worden anders afgehandeld dan is voorgesteld. Mocht u voorstellen hebben om deze anders af te handelen, dan hoor ik dat van u.
1° Brief van de heer M. van Poelgeest, wethouder Ruimtelijke Ordening en Grondzaken, Waterbeheer en ICT van 2 december 2009 inzake stand van zaken uitvoering amendement nr. 357 van 2006 van het raadslid de heer Olij c.s. over het Gemeentelijk Woningbedrijf voor betaalbare koopwoningen.
Besloten is, de Raadscommissie Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Waterbeheer en ICT op 27 januari 2010 kennis te laten nemen van de stand van zaken van de uitvoering van deze motie.
2° Brief van mevrouw M. Vos, wethouder Milieu van 21 december 2009 inzake uitvoering motie nr. 455 van 2009 van raadsleden de heer Flos en de heer De Goede over inzameling gft-afval.
Besloten is, de Raadscommissie Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare ruimte en Groen op 27 januari 2010 kennis te laten nemen van de uitvoering van deze motie en na goedkeuring de motie als uitgevoerd te beschouwen.
3° Brief van de heer J.H. Gerson, wethouder Volkshuisvesting van 26 november 2009 inzake beantwoording motie nr. 543 van 2009 van de raadsleden mevrouw Ulichki, mevrouw Hoogerwerf en de heer Straub over woonruimte voor homoseksuele ouderen.
Besloten is, de Raadscommissie Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten kennis te laten nemen van de uitvoering van deze motie en na goedkeuring de motie als uitgevoerd te beschouwen.
4° Ledenbrief van de VNG van 8 december 2009 inzake model Algemene subsidieverordening.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
5° Ledenbrief van de VNG van 9 december 2009 inzake inburgering.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
6° Ledenbrief van de VNG van 9 december 2009 inzake aanbesteding overheidscommunicatie 2010 (OT2010).
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
7° Ledenbrief van de VNG van 9 december 2009 inzake Waterwet.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
8° Ledenbrief van de VNG van 9 december 2009 inzake bijeenkomst In Vrijheid Verbonden.
Besloten is, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
9° Ledenbrief van de VNG van 10 december 2009 inzake GBA als basisadministratie van groot belang.
Besloten is, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
10° Ledenbrief van de VNG van 10 december 2009 inzake stand van zaken toekomst bewegwijzering.
Besloten is, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
11° Ledenbrief van de VNG van 11 december 2009 inzake bestuurlijke afspraken Impuls brede scholen, sport en cultuur versoepeld.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
12° Ledenbrief van de VNG van 17 december 2009 inzake wijziging model-APV in verband met horeca-exploitatievergunning.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
13° Ledenbrief van de VNG van 22 december 2009 inzake aanbieding nota Kwaliteitsdocument hulp bij het huishouden.
Besloten is, deze nota in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
14° Ledenbrief van de VNG van 22 december 2009 inzake evaluatie bestuurlijke organisatie VNG.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
15° Ledenbrief van de VNG van 23 december 2009 inzake deelname gemeenten aan Burgernet.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
16° Ledenbrief van de VNG van 23 december 2009 inzake aanpassing Selectielijst archiefbescheiden.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
17° Brief van de heer F.R. Lang, adjunct-secretaris van de Vereniging van Noord-Hollandse Gemeenten van 2 december 2009 inzake bestuursmededelingen VNG van 5 en 26 november 2009.
Besloten is, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
18° Brief van de heer V.L. Eiff, directeur Rekenkamer Amsterdam van 15 december 2009 inzake aanbieding van de onderzoeksopzet Basisregistraties Adressen en Gebouwen.
Besloten is, deze onderzoeksopzet voor kennisgeving aan te nemen.
19° Raadsadres van een burger van 17 december 2009 inzake problemen als werkzoekende en startend ondernemer zonder WWB-uitkering.
Besloten is, dit raadsadres voor kennisgeving aan te nemen.
20° Raadsadres van een burger van 21 december 2009 inzake kwaliteit van het Amsterdamse basisonderwijs.
Besloten is, dit raadsadres voor kennisgeving aan te nemen.
21° Raadsadres van de heer R. Roorda, directeur Centraal Bureau Levensmiddelen, e.a. van 26 november 2009 inzake spoedwetprojecten en capaciteit wegennet.
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken, Luchthaven en Zeehaven.
22° Brief van de heer mr. M.J. Cohen, burgemeester en mevrouw drs. E.M. Sweet, stadsdeelvoorzitter Zuidoost van 17 december 2009 inzake stand van zaken intensivering maatregelen in Zuidoost naar aanleiding van schietincidenten.
Besloten is, deze brief te behandelen in de Raadscommissie Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Integraal Veiligheidsbeleid, Bestuurlijk Stelsel, Bestuursdienst, Regelgeving en Handhaving, Juridische Zaken en Communicatie op 28 januari 2010.
23° Raadsadres van een burger van 3 december 2009 inzake maximering van de tariefstelling.
Besloten is, dit raadsadres voor kennisgeving aan te nemen.
24° Raadsadres van een burger van 7 december 2009 inzake informatie rondom de bouw van stadion Amsterdam ArenA.
Besloten is, dit raadsadres voor kennisgeving aan te nemen.
25° Raadsadres van een burger van 3 december 2009 inzake jodenvervolging in Amsterdam in de periode 1942-1943.
Besloten is, dit raadsadres in handen te stellen van de burgemeester ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Integraal Veiligheidsbeleid, Bestuurlijk Stelsel, Bestuursdienst, Regelgeving en Handhaving, Juridische Zaken en Communicatie.
26° Raadsadres van een burger van 22 november 2009 inzake historische verandering van Amsterdam per 11 september 2009 en de consequenties voor het karakter van het bestuur van Amsterdam.
Besloten is, dit raadsadres voor kennisgeving aan te nemen.
27° Brief van mevrouw drs. E. Eshuis, voorzitter ARS van 9 december 2009 inzake aanbieding van het advies over de conceptontwerp-Structuurvisie: Deel 1 De visie.
Besloten is, dit advies in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen ter zake.
28° Brief van mevrouw drs. E. Eshuis, voorzitter ARS van 9 december 2009 inzake aanbieding van advies over het projectbesluit NDSM-werf.
Besloten is, dit advies in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen ter zake.
29° Raadsadres van de heer N. Vervat, namens Erfgoedvereniging Heemschut e.a. van 13 december 2009 inzake inspraak uitwerkingsplan De Voerman.
Besloten is, dit raadsadres door te geleiden naar stadsdeel Slotervaart ter afdoening.
30° Raadsadres van burgers van 12 december 2009 inzake damherten in de Amsterdamse Waterleiding Duinen.
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Waterbeheer en ICT.
31° Raadsadres van een burger van 15 december 2009 inzake overlast tijdens Koninginnedag en na afloop Gay Canal Parade voor woonbootbewoners in de Prinsengracht
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Integraal Veiligheidsbeleid, Bestuurlijk Stelsel, Bestuursdienst, Regelgeving en Handhaving, Juridische Zaken en Communicatie.
32° Brief van het college van burgemeester en wethouders van 18 december 2009 inzake de reactie van het college op het rapport enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
Besloten is, deze brief te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
33° Brief van het college van burgemeester en wethouders van 11 januari 2010 inzake de aanvullende reactie van het college op het rapport enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
Besloten is, deze brief te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
34° Brief van de heer J.H. Gerson, wethouder Verkeer, Vervoer en Infrastructuur van 8 januari 2010 inzake de notitie Omgevingsrisico’s boorproces Noord/Zuidlijn.
Besloten is, deze brief te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
35° Raadsadressen van burgers van 16 december 2009 inzake reactie op het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
Besloten is, deze raadsadressen te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
36° Raadsadres van een burger van 4 januari 2010 inzake het artikel in COBOUW: Noord/Zuidlijn ver over houdbaarheidsdatum.
Besloten is, dit raadsadres te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
37° Raadsadres van mevrouw mr. N. van 't Hoogerhuijs, namens politieke partij Red Amsterdam van 5 januari 2010 inzake eindrapport Noord/Zuidlijn.
Besloten is, dit raadsadres te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
38° Raadsadres van een burger van 18 december 2009 inzake schade door damherten.
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Waterbeheer en ICT.
39° Brief van de heer J. Schirmbeck, secretaris van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden van 18 december 2009 inzake wijzigingen CAR-artikelen per 1 januari 2010.
Besloten is, deze brief in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
40° Raadsadres van een burger van 22 december 2009 inzake controle op naleving van Verordening hondenbelasting.
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen teneinde - aangezien het een bevoegdheid is van de stadsdelen - dit door te geleiden naar stadsdeel Zeeburg ter afdoening.
41° Brief van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 21 december 2009 inzake gemeente niet onder preventief financieel toezicht.
Besloten is, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
42° Raadsadres van de heer J.C. Hageman, secretaris Stadsvervoerbelang van 10 december 2009 inzake herinrichting Leidseplein en de gevolgen voor capaciteit bus- en tramhaltes.
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten.
43° Brief van de heer dr. V.L. Eiff, directeur Rekenkamer Amsterdam van 16 december 2009 inzake aanbieding van het rapport Onderzoeksprogramma 2010 Rekenkamer Amsterdam.
Besloten is, dit rapport voor kennisgeving aan te nemen.
44° Circulaire van mevrouw dr. G. ter Horst, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 december 2009 inzake wijziging rechtspositiebesluiten politieke ambtsdragers in verband met onder andere afschaffen periodiekenstructuur burgemeesters en vergoeding fractievoorzitters en commissieleden per 1 januari 2010.
Besloten is, deze circulaire in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en wat betreft de vergoedingen voor fractievoorzitters en commissieleden ter afdoening in handen te stellen van het presidium.
45° Brief van mevrouw dr. G. ter Horst, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 december 2009 inzake zorgplicht van de burgemeester.
Besloten is, deze brief te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
46° Brief van mevrouw dr. G. ter Horst, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2009 inzake wijziging subsidieregeling vorming en scholing raadsleden.
Besloten is, deze brief in handen te stellen van het presidium van de gemeenteraad ter afdoening.
47° Circulaire van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 december 2009 inzake aanpassing van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
Besloten is, deze circulaire in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening.
48° Raadsadres van Platform Zelfstandige Ondernemers van 30 december 2009 inzake aanpassing Wmo per 1 januari 2010 en de gevolgen voor bemiddelingsbureaus in de thuiszorg.
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare Ruimte en Groen.
49° Raadsadres van mevrouw D. Eekhuis, secretaris van WOUW van 30 december 2009 inzake reactie op rapporten Zorgeloos wonen, oud worden in bestaande woningen en Woonwensen van ouderen en rolstoelers.
Besloten is, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten.
50° Raadsadres van een burger van 6 januari 2010 inzake inrichting verkiezingsborden op straat.
Besloten is, dit raadsadres door te geleiden naar de stadsdelen ter afdoening.
51° Raadsadressen van burgers van 6 januari 2010 inzake de ov-chipkaart en het afschaffen van de strippenkaart.
Besloten is, deze raadsadressen te betrekken bij de behandeling van agendapunt 11, Advies aan stadsregio Amsterdam inzake beëindiging van acceptatie van de strippenkaart.
52° Brief van burgemeester mr. M.J. Cohen van 8 januari 2010 inzake werkafspraken onkostenvergoeding collegeleden.
Besloten is, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
53° Advies van mevrouw drs. E. Eshuis, voorzitter ARS, van 11 januari 2010 inzake regionalisering van de Noord/Zuidlijn.
Besloten is, dit advies te betrekken bij de behandeling van agendapunt 8, inzake beschikbaar stellen van het eerste uitvoeringskrediet voor AMSYS (Amsterdam Metro System).
54° Ledenbrief van de VNG van 12 januari 2010 inzake de gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart 2010.
Besloten is, deze brief voor kennisgeving aan te nemen en door te geleiden naar de stadsdelen.
55° Circulaire van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 januari 2010 inzake informatie over de gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart 2010.
Besloten is, deze circulaire voor kennisgeving aan te nemen en door te geleiden naar de stadsdelen.
56° Raadsadres van een burger van 18 januari 2010 inzake reactie college van burgemeester en wethouders op het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn en de reactie van de gemeenteraad daarop.
Besloten is, dit raadsadres te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
57° Ledenbrief van de VNG van 18 januari 2010 inzake de aardbeving op Haïti.
Besloten is, deze brief te betrekken bij de behandeling van agendapunt 7A, de actualiteit van de fractievoorzitters inzake noodhulp aan Haïti.
58° Raadsadres van een burger van 20 januari 2010 inzake de aanleg van de Noord/Zuidlijn, consequenties voor het tramnet en aanbevelingen voor verbeteringen in het tramnet.
Besloten is, dit raadsadres te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn.
3. Vaststelling van de agenda (2)
Cohen M.J.
5. Mondeling vragenuurtje.
De mondelinge vragen zullen donderdagmiddag aan het begin van de vergadering behandeld worden.
Dit punt wordt even aangehouden.
6. Voordracht van de enquêtecommissie inzake voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de bouw van de Noord/Zuidlijn van 15 december 2009 tot vaststellen van het rapport, instemmen met de conclusies en overnemen van de aanbevelingen van de enquêtecommissie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 10).
Dit punt wordt even aangehouden.
7. Initiatiefvoorstel ter kennisname van het raadslid de heer Ivens van 12 augustus 2009 inzake de wachtgeldregeling voor raadsleden en wethouders (Gemeenteblad afd. 1, nr. 9)
3. Vaststelling van de agenda (3)
Cohen M.J.
7A. Actualiteit van de raadsleden de heer Van der Burg, mevrouw Van der Garde, mevrouw Van Doorninck, mevrouw Alberts, de heer Limmen en de heer Manuel van 19 januari 2010 inzake noodhulp aan Haïti (Gemeenteblad afd. 1, nr. 29).
Dit punt wordt even aangehouden.
8. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 8 december 2009 tot beschikbaar stellen van het eerste uitvoeringskrediet voor AMSYS (Amsterdam Metro System) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 4).
Dit punt wordt even aangehouden.
9. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2009 tot kennisnemen van het voorgenomen collegebesluit inzake het oprichten van een coöperatie Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten en tot het uiten van wensen en bedenkin
3. Vaststelling van de agenda (4)
Cohen M.J.
10. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2009 tot vaststellen van het uitvoeringsbesluit voor reconstructie van de Wibautstraat en tot beschikbaarstelling van een uitvoeringskrediet ter zake (Gemeenteblad afd. 1, nr. 6).
Dit punt wordt even aangehouden.
11. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2009 tot vaststellen van het advies aan de stadsregio Amsterdam inzake de beëindiging van de acceptatie van het Nationaal Vervoersbewijs (strippenkaart) in bus en tram (Gemeenteblad afd. 1, nr. 7).
Dit punt wordt even aangehouden.
12. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 24 november 2009 tot intrekken van de Verordening Amsterdamse Sportraad 2005 en vaststellen van de Verordening op de Sportraad Amsterdam 2010 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 8)
13. Voordracht van het presidium van de gemeenteraad van 4 januari 2010 en van het college van burgemeester en wethouders van 12 januari 2010 tot vaststellen van de planning and controlcyclus van de gemeente Amsterdam (Gemeenteblad afd. 1, nr. 11)
3. Vaststelling van de agenda (5)
15. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 1 december 2009 tot intrekking van een krediet voor PortNet en beschikbaarstelling van een krediet voor ontwikkeling van het port community systeem Portbase samen met Havenbedrijf Rotterda
16. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2009 tot vaststelling van de Verordening op het binnenwater 2010, de regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010, en de Verordening tot wijziging van de Verordening op
intrekking van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 14).
17. Initiatiefvoorstel van de raadsleden de heren Ünver en De Goede en mevrouw Van der Pligt van 3 december 2009 inzake het instellen van een prijs voor de sociale ondernemer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 15)
18. Initiatiefvoorstel ter kennisname van de raadsleden mevrouw Boelhouwer en mevrouw Van der Pligt van 27 mei 2009 inzake afsluiten en schuldhulpverlening en instemmen met de bestuurlijke reactie op het initiatiefvoorstel (Gemeenteblad 2009, afd. 1, nr.
19. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 17 november 2009 tot beschikbaar stellen van kredieten voor onderwijshuisvesting 2010 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 16)
3. Vaststelling van de agenda (6)
Cohen M.J.
20. Initiatiefvoorstel ter kennisname van het raadslid mevrouw Riem Vis van 24 juni 2009 inzake armoede in het Amsterdamse onderwijs en instemmen met de bestuurlijke reactie op het initiatiefvoorstel (Gemeenteblad 2009, afd. 1, nr. 869).
Dit punt wordt even aangehouden.
20A. Actualiteit van het raadslid mevrouw Van der Pligt van 15 januari 2010 inzake de financiële problemen bij jeugdzorg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 30).
Dit punt wordt even aangehouden.
21. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 24 november 2009 tot bestemmen en inzetten van middelen voor het opvangen van effecten van de AWBZ-pakketmaatregel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 17).
Dit punt wordt even aangehouden.
23. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 17 november 2009 tot vaststellen van investeringsbesluit en grondexploitatie en beschikbaar stellen van een krediet voor het project Jeruzalem in stadsdeel Oost-Watergraafsmeer (Gemeentebl
24. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 17 november 2009 tot vaststellen van het bestemmingsplan van het bedrijventerrein Overamstel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 21)
3. Vaststelling van de agenda (7)
Cohen M.J.
25. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 1 december 2009 tot vaststellen van het voorbereidingsbesluit Marine Etablissement (Gemeenteblad afd. 1, nr. 22).
Dit punt wordt even aangehouden.
26. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 17 november 2009 tot instemmen met het uitvoeringsbesluit, financiële paragraaf en grondexploitatiebegroting van de Kop Zuidas 2009 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 19).
Dit punt wordt even aangehouden.
27. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 10 november 2009 tot vaststellen van het bestemmingsplan Kop Zuidas (Gemeenteblad afd. 1, nr. 23).
Dit punt wordt even aangehouden.
28. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 27 oktober 2009 tot vaststellen van het investeringsbesluit (grondexploitatie) voor de ontwikkeling van de Brediuslocatie in stadsdeel Westerpark (Gemeenteblad afd. 1, nr. 24)
29. GEHEIM (Gemeenteblad 2009, afd. 1, nr. 897)
30. GEHEIM (Gemeenteblad afd. 1, nr. 26)
6. Voordracht van de enquêtecommissie inzake voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de bouw van de Noord/Zuidlijn van 15 december 2009 tot vaststellen van het rapport, instemmen met de conclusies en overnemen van de aanbevelingen van de enquêt
Cohen M.J.
Het college zal plaatsmaken voor de leden van de enquêtecommissie voor de behandeling van punt 6.
Willemse H.
Bij dit agendapunt worden de volgende ingekomen stukken betrokken: nrs. 32 tot en met 37, nr. 45, nr. 56 en nr. 58, evenals nr. 5 van 13 februari 2008, de nrs. 4 en 34 van 2 april 2008, nr. 22 van 25 en 26 juni 2008, de nrs. 8 en 25 van 20 augustus 2008, de nrs. 9 en 18 van 29 en 30 oktober 2008, nr. 29 van 11 februari 2009, de nrs. 2, 32 en 70 van 11 maart 2009, de nrs. 5 en 22 van 22 april 2009, de nrs. 1 en 10 van 20 mei 2009, de nrs. 5 en 35 van 10 juni 2009, de nrs. 28, 43, 61 en 64 van 1 en 2 juli 2009, de nrs. 35 en 50 van 9 september 2009, de nrs. 33 en 37 van 28 en 29 oktober 2009 en nr. 25 van 17 december 2009.
De VOORZITTER: Hartelijk welkom aan de leden van enquêtecommissie aan deze kant van de tafel. Zoals u per brief van 14 januari 2010 hebt vernomen, vindt het debat in twee delen plaats. Eerst tussen de raad en de enquêtecommissie waarna de raad besluit of er voldoende redenen zijn om decharge te verlenen aan de enquêtecommissie. Daarna neemt het college weer zijn vertrouwde plaats in en vindt het debat tussen raad en college plaats. Tot slot vindt besluitvorming plaats waarbij over de moties en amendementen wordt gestemd.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Bergervoet.
Bergervoet M.
Ik denk dat het goed is om hier nogmaals onze grote dank uit te spreken aan de leden van de enquêtecommissie. De commissie heeft uitstekend werk geleverd. De gemeenteraad heeft de commissie met een zware opdracht op pad gestuurd. Zij is aan de slag gegaan en heeft een grondig en gedegen onderzoek uitgevoerd. Het heeft even geduurd voordat het resultaat openbaar werd, maar dat mag er dan ook zijn. Het is een dijk van een rapport geworden en het staat als een huis. Het bevat heldere conclusies en een groot aantal waardevolle aanbevelingen voor de toekomst. Het bevat bovendien een kloeke en compacte geschiedenis van de Noord/Zuidlijn, al hadden we deze graag ter gelegenheid van een iets verheugender moment willen laten schrijven. Het begrip ‘Limmen-proof’ zal zeker in Nederland bekend worden. Projecten zullen moeten voldoen aan de toets die de commissie-Limmen voorstelt. Ik durf zelfs te voorspellen dat het begrip ‘Limmen-proof’ wereldwijd ingang zal vinden en dat men tot ver buiten Nederland zijn voordeel zal doen met de aanbevelingen van de enquêtecommissie. Wij hebben al twee keer eerder met de enquêtecommissie gesproken. Een keer in december 2009 na de presentatie van het rapport en op 6 januari 2010. Namens de Partij van de Arbeid wil ik u nog enkele vragen stellen.
Het college heeft ook op het rapport gereageerd. In zijn reactie van 18 december 2009 stelt het college voor om vanwege de aard, de duur en de omvang van het project een aparte Dienst Noord/Zuidlijn in te stellen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de enquêtecommissie op dat voorstel. Het college stelt ook voor om een besluitvormingsprotocol voor unieke, complexe projecten op te stellen, met een checklist van onderwerpen die expliciete aandacht vragen bij de besluitvorming, de opzet en uitvoering van grote projecten. Dat is eigenlijk een lijst om na te gaan of iets Limmen-proof is. Ik noem deze term nog maar eens. Ik ben benieuwd wat de enquêtecommissie vindt van een dergelijk besluitvormingsprotocol.
Dan het debat over het boren. Ik blijf het proberen, want het blijft lastig. Eerder is de indruk gewekt, niet op de laatste plaats in de pers, dat de enquêtecommissie het boren opnieuw ter discussie zou willen stellen. Dat is niet het geval, dat is in elk geval duidelijk. Ik begrijp echter niet goed wat nu de bedoeling is. Ik wil daarom graag nog een keer van de heer Limmen horen - in zijn eigen woorden - wat hij beoogt met het debat over het boren. In de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten hebben we al gesproken over de risico’s, over kwetsbare historische gebouwen, mitigerende maatregelen en communicatie met de omwonenden. Er is dus al een heleboel besproken. Ik denk daarom dat het, in ieder geval voor mijn beeldvorming, heel goed is als de heer Limmen nog een keer in zijn eigen woorden uitlegt wat de bedoeling is, wat de enquêtecommissie hiermee voor ogen heeft en waar het debat in zou moeten resulteren.
Tot slot aanbeveling 15, een belangrijke aanbeveling van de enquêtecommissie. Daarin staat dat de gemeentelijke regeling voor risicovolle projecten moet worden aangescherpt. Er staat letterlijk in dat de rapportage van de projectorganisatie rechtstreeks naar de raad moet gaan. Daarover hebben verschillende personen de afgelopen weken al bedenkingen geuit omdat in dat geval ambtenaren rechtstreeks met de raad communiceren en de politieke verantwoordelijkheid natuurlijk bij het college berust. Ook hierop wil ik graag een reactie van de enquêtecommissie.
Flos R.E.
Ook de VVD heeft grote waardering en respect voor het werk dat onze collega’s, het ondersteunend bureau en de mensen van de griffie hebben geleverd. Het is puik werk. Ik zal later in het debat nog aangeven dat ik van mening ben dat er niet alleen een goede geschiedschrijving heeft plaatsgevonden, maar dat er ook zeer waardevolle conclusies zijn getrokken. Wij zullen ons er iets van moeten aantrekken. Daarnaast zijn er aanbevelingen gedaan waarmee we verder kunnen om ervoor te zorgen dat er geen herhaling komt en we over tien jaar een rapport met dezelfde strekking over een andere kwestie krijgen. Ik heb een beperkt aantal vragen aan de commissie, mede naar aanleiding van de bespreking vorige week van het rapport met het college. Ik ga ervan uit dat de enquêtecommissie daar in ieder geval kennis van heeft genomen.
Op de eerste plaats de vervoersprognose. Het college liet bij monde van wethouder Gerson duidelijk weten dat de conclusies die u over de vervoersprognose trekt weliswaar correct zijn, maar dat dit niet betekent dat we een metro aanleggen met een te grote capaciteit. Kunt u daarop reageren?
We hebben al vele malen met u van gedachten gewisseld over het boorproces. Ik wil het nog eens duidelijk zeggen. Ik heb de indruk gekregen dat de commissie met haar conclusies over het boorproces ervoor wilde zorgen dat we het werk niet te snel stilleggen. Aan de andere kant moeten we beter communiceren over de risico’s ervan. U hebt waarschijnlijk kennis kunnen nemen van de discussie die wij in de volgende Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten en vervolgens in de laatste vergadering van deze raad zullen voeren. Kunt u zeggen of volgens u daarmee voldoende tegemoet wordt gekomen aan uw aanbevelingen? Deze discussie vindt plaats in februari 2010, waarna we in maart 2010 zouden beginnen met boren.
Vervolgens uw conclusie over de zorgplicht van de burgemeester. Wij hebben daarover met de burgemeester gedebatteerd. Hij hield daarbij een verhaal dat wij goed en steekhoudend vonden. Ik wil graag uw visie daarop. Vindt u dat de uitleg van de burgemeester over zijn zorgplicht ten aanzien van het besluitvormingsproces inhoudelijk juist en adequaat was? Of vindt u dat er nog open eindjes aan vastzitten?
Op de vierde plaats de verzekeringen. U stelt klip-en-klaar dat het project nooit onverzekerd van start had mogen gaan. Ik heb de volgende vraag al eerder gesteld, maar er nog geen tot tevredenheid stemmend antwoord op gekregen. Stel dat wij de verzekeringen hadden afgesloten die er op dat moment mogelijk waren en die in het geval van de CAR-verzekering niet voor 100% waren ingetekend. Verzekeringen met een vaak hoge premie, zeker in relatie tot de dekking en het eigen risico. Had dat uw voorkeur gehad, boven het niet-verzekerd van start gaan? Overigens hebben zich in de praktijk geen schades voorgedaan in de periode dat we onverzekerd waren.
Tot slot nog een opmerking over de lumpsumbeschikking van het Rijk. Wist het Rijk op het moment dat de lumpsum werd afgesproken volgens u dat het budget voor de Noord/Zuidlijn zeer waarschijnlijk overschreden zou worden? Ik wil u verder een vraag stellen over aanbeveling 15.1. Ik overweeg later in deze vergadering daarover een amendement in te dienen. U stelt dat stukken van projectdirecteuren rechtstreeks naar de raad moeten worden gestuurd, misschien met een opleg van de wethouder waarin staat dat hij hierbij het stuk van zijn directeur aanbiedt. In hoeverre vindt u dat dit de integrale politieke verantwoordelijkheid van de wethouder ten opzichte van de raad ondermijnt?
Pinxteren J. van
De vragen van GroenLinks kunnen beperkt blijven omdat te verwachten was dat een aantal ervan al door de collega’s Bergervoet en Flos aan de orde gesteld zouden worden. Ik heb nog twee meer specifieke vragen. In de beide commissievergaderingen heb ik al gezegd dat ik zeer, maar dan ook zeer onder de indruk ben van het werk dat verricht is. Dat moet hier natuurlijk ook gezegd worden. Ik doe dat ook van ganser harte.
Wij hebben geen vragen over de conclusies van het rapport, maar wel twee vragen over de aanbevelingen en een meer algemene vraag die uit het rapport oprijst. De VVD stelde een vraag die ook al door mevrouw Bergervoet aan de orde werd gesteld over de aanbeveling om rapporten van de projectorganisatie rechtstreeks naar de raad te sturen. De VVD wierp haar vraag daarover zeer terecht al in de commissievergadering op. Ook GroenLinks vindt dat directe rapportages, zonder enige interventie van het college, zeer onwenselijk zijn. De tekst in het rapport suggereert dat dat de bedoeling is. Ik kan me dat eigenlijk niet voorstellen. Het gebeurt op landelijk niveau immers ook niet en u verwijst naar wat er landelijk gebeurt. Wilt u de vragen daarover nog eens duidelijk beantwoorden? Als rapportages met een oplegger, en dus met het nemen van politieke verantwoordelijkheid, doorgestuurd worden, dan vinden wij het een uitstekende aanbeveling. De VVD moet maar bepalen of er nog een amendement voor nodig is. Wij zullen het dan onderschrijven.
De beide vorige sprekers hebben al vragen gesteld over het boorproces. Er was veel onduidelijkheid over de gewenste discussie daarover. Ik heb het idee dat die onduidelijkheid er nog steeds is. Wij gaan al de technische risico’s van het boorproces bespreken en de maatregelen die genomen kunnen worden om deze technische risico’s te beperken. Bedoelt u dat we een discussie of een bijeenkomst moeten organiseren waarbij de vertaalslag wordt gemaakt van de technische risico’s naar de echte wereld? Ik hoop dat u dat bedoelt waarbij ook mijn vraag is: hebt u inmiddels concretere voorstellen over de manier en het tijdstip waarop wij een dergelijke discussie kunnen organiseren? Hebt u daar ideeën over? Dit waren de twee vragen die bij de eerder gestelde vragen aanhaakten.
Ik heb nog een derde vraag. Uit het rapport blijkt duidelijk dat een raadsenquête zich beperkt tot het ondervragen van overheidsfunctionarissen en politici die bij het proces betrokken waren. Diverse partijen en buitenstaanders hebben al eerder gezegd dat er geen aannemers zijn ondervraagd en ook geen andere private partijen, althans niet in het openbaar. Kunt u ons duidelijk uitleggen of u uiteindelijk, na de complete afronding van uw rapport, van mening bent dat u last hebt ondervonden van het feit dat het onmogelijk was om derden te dwingen voor een enquêtecommissie te verschijnen?
Alberts R.
Ik wil ook nog een keer benadrukken dat het werk van de enquêtecommissie heel gedegen is. Ze heeft er veel tijd in gestoken. Het rapport telt 470 pagina’s. Het is wat. Er staat ook heel veel in. Ook de ondersteuning van de enquêtecommissie verdient alle lof. Er is heel veel werk verzet. Ik wil dat nog maar eens benadrukken. Hartelijk dank daarvoor. Ik heb vragen over twee onderwerpen. Een ervan is de zorgplicht van de burgemeester. U hebt gezegd dat daarover een debat gevoerd moet worden. Er is al een voorschot op dat debat genomen. Het is dus al begonnen voordat het op de agenda stond. Kunt u er een oordeel over geven? Is dit nu het debat dat u voor ogen hebt? Gaat het de goede kant op of worden er zaken overgeslagen?
Mijn tweede vraag gaat over het debat over het boorbesluit. Hebt u het idee dat er tijdens de bespreking van het rapport van de heer Veerman goed over het boren is gesproken? Preciezer: had het besluit om wel of niet te gaan boren expliciet aan de raad moeten worden voorgelegd? Dat zit nu een beetje in het verhaal ingebakken. Had dat besluit apart genomen moeten worden? Hoe open kan het debat erover zijn? Vindt u dat alle opties besproken moeten worden, dus ook: niet boren?
Drooge A.H. van
Het rapport van de enquêtecommissie zet voor ons een nieuwe, hoge standaard voor enquêtes neer. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in andere gemeenten. De vorige sprekers hebben het ook al gezegd, het rapport vormt een hoogtepunt van Amsterdams kunnen. Helaas is de aanleiding voor dit rapport een absoluut dieptepunt van Amsterdams kunnen. Tijdens het debat met het college over het rapport zal ik daar nader op ingaan. Allereerst wil ik een prettige constatering doen. Met het rapport is het primaat van de raad hersteld. Het college van B en W vormt het dagelijks bestuur van de gemeente en de gemeenteraad controleert. Hij moet deze functie ook kunnen vervullen. Wij doen dit namelijk namens de burgers van Amsterdam. Het rapport en de reactie erop van het college - schriftelijk en mondeling tijdens de commissiebehandelingen - brengt mij ertoe om vier punten te bespreken.
Ten eerste: In het rapport van de enquêtecommissie staat op een aantal plaatsen dat het college beslissingen heeft genomen die met de kennis van dat moment verkeerd waren. Het college stelt dat het met de kennis van nu toegeeft dat er fouten zijn gemaakt. Blijft de enquêtecommissie bij haar conclusie dat het college - ook met de kennis van toen - fouten heeft gemaakt?
Ten tweede: U concludeert in het rapport dat het college in zijn communicatie naar de raad de beeldvorming heeft beïnvloed. Blijft u daarbij?
Ten derde: De commissie heeft in het rapport een langdurige briefwisseling met het college opgenomen die 45 pagina’s beslaat. Ik citeer uit de laatste brief van de voorzitter van de commissie aan het college. “De enquêtecommissie acht het in de eerste plaats ongepast dat het college als voorwerp van onderzoek zich inmenging aanmatigt in de wijze waarop de enquêtecommissie haar onderzoek naar het door het college gevoerde bestuur inricht.” Daarnaast schrijft de voorzitter nog over feitelijke onjuistheden, ongepaste brieven et cetera. De commissie heeft bovendien ernstige bezwaren aan het adres van het college uitgesproken. Deze opmerkingen staan in een wel zeer schril contrast met de uitspraak van de commissie-Veerman. Deze schrijft namelijk: “De commissie heeft onbelemmerd toegang gehad tot alle stukken die de commissie wenste te raadplegen en tot de personen die de commissie wenste te horen. Er is telkens een vruchtbare uitwisseling van beelden, kennis en ideeën geweest.” Hoe beoordeelt de enquêtecommissie deze bereidwilligheid ten opzichte van de commissie-Veerman die door het college was ingesteld, vergeleken met uw commissie die immers door de raad is ingesteld?
Ten vierde: In de raad is op verschillende momenten gesproken over explosief gestegen kosten. Het college maakte bekend dat de vertraging door het stilleggen van de bouw gedurende een jaar ongeveer 100 tot 120 miljoen euro heeft gekost. In de acht jaar dat het project nu duurt, zijn er heel veel adviseurs geraadpleegd. Dat was ook nodig omdat de opzet en de organisatie om het heel vriendelijk te zeggen in het begin niet heel erg top waren. Het is normaal dat er bij dit soort grote projecten adviseurskosten zijn. Die lopen uiteen van 5% tot 7,5% van de aanneemsom. In dit geval zou dat een bedrag van 50 tot 100 miljoen euro betekenen. Kan de commissie mij vertellen of in de oorspronkelijke begroting rekening is gehouden met de kosten van adviseurs? Zo ja, voor hoeveel? Kunt u naar aanleiding van uw onderzoek ook meedelen hoe hoog de kosten van adviseurs bij dit project tot nu toe werkelijk zijn? Ik ben benieuwd naar de reactie van de enquêtecommissie op mijn vragen.
Ik ga door met de aanbevelingen. Wij stemmen in met alle aanbevelingen van de commissie. Het zijn ook aanbevelingen aan ons. Ik heb twee opmerkingen die ik ook al in de commissie heb gemaakt. Ten eerste over aanbeveling 3 waarin staat dat bij infrastructurele projecten samenwerking met het Rijk geborgd moet zijn. Dat lijkt mij duidelijk, maar er zijn ook niet-infrastructurele projecten waarbij ook grote risico’s kunnen optreden. Bijvoorbeeld AMSYS dat nu op de agenda staat. Het zou prettig zijn als in dit geval de expertise van bijvoorbeeld de NS gebruikt kan worden.
Ten tweede aanbeveling 5. U schrijft dat er een sterke projectdirectie moet zijn. Voor het CDA betekent dit dat de directie van grote projecten niet automatisch binnen de gemeentelijke directeurencarrousel wordt geworven. Bij dit soort grote projecten moeten we af van het idee dat een directeur of manager vanzelf de capaciteiten heeft die losstaan van de inhoud van datgene wat hij bestuurt. Hij dient ook over inhoudelijke, praktische kennis en ervaring te beschikken, zeker bij dit soort grote, eenmalige projecten. Wij zullen daartoe een motie indienen.
Tot slot: Nogmaals dank aan onze vijf mederaadsleden die als parttimers zich de afgelopen negen maanden uitzonderlijk hebben ingezet om deze schokkende waarheid boven water te krijgen. Ik wil ze daar oprecht voor prijzen.
Willemse H.
U kunt de motie nu indienen, maar de besluitvorming vindt plaats op de manier die ik aan het begin heb aangegeven.
Manuel I.R.
Als zesde fractie in de rij wil ook D66 haar dank uitspreken voor het uitstekende rapport van de commissie en haar medewerkers. Het is niet alleen een goed inhoudelijk rapport, maar ook een heel toegankelijk rapport. Het is goed leesbaar en als woordvoerder Verkeer voor D66 sinds 2002 is het soms schokkend om te lezen wat er precies is gebeurd in de periode vanaf 2002, vanaf het go-besluit. Het rapport beschrijft ook de situatie voor die tijd. Het is een heel goed rapport. Mijn welgemeende complimenten. Ik wil ingaan op een aantal aanbevelingen om een reactie van de commissie zelf te verkrijgen. Allereerst de aanbevelingen 3 en 4, afstemming en samenwerking met het Rijk, om het zo maar samen te vatten. Wij zijn het daar natuurlijk mee eens, want zulke grote projecten kunnen wij simpelweg niet zonder medewerking van het Rijk realiseren. Daar zit misschien ook een beetje het gevaar in dat we ons in de rij aansluiten. Dat we een voorstel voor een groot project bij het Rijk indienen en vervolgens afwachten. Ik denk niet dat Amsterdam dit moet doen. Ik denk dat we proactief zelf aan onze grote projecten moeten blijven werken. Het is voor Amsterdam en de regio van het grootste belang dat we bij de grote projecten het tempo erin houden.
Een volgende aanbeveling die ik ter discussie wil stellen, is aanbeveling 6. Daarin stelt u dat een projectorganisatie uitvoeringsverantwoordelijk moet worden. Het gaat daarbij natuurlijk om het woord ‘uitvoering’. Wat bedoelt de commissie hier precies mee? Een projectorganisatie kan natuurlijk niet politiek verantwoordelijk worden. Waar ligt de politieke verantwoordelijkheid? Bij deze aanbeveling is de wethouder buiten het zicht. D66 steunt daarom de reactie van het college. Ik hoor graag de reactie van de commissie hierop. De manier waarop deze aanbeveling in het rapport is geformuleerd is een beetje onduidelijk. Er is een verband met aanbeveling 15. Daarin staat dat de projectorganisatie rechtstreeks aan de raad moet rapporteren, gelijktijdig met de rapportage aan het college. Zo begrijp ik het althans. Wij zijn het daar van harte mee eens, want het rapport onthult in feite iets wat onze fractie de afgelopen jaren ook gemerkt heeft. De informatie die tot ons komt als Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten en als gemeenteraad wordt soms door het college gefilterd en enigszins vervormd. De informatie wordt gedoseerd aan de commissie en aan de gemeenteraad gegeven. Dat is uiterst frustrerend. Het is niet de bedoeling om de raad en de commissie op die manier te informeren. Misschien kan de enquêtecommissie zeggen in hoeverre dit echt gebeurd is. In hoeverre vooral de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten achterliep bij het verkrijgen van informatie over het project Noord/Zuidlijn. In uw rapport klinkt dat duidelijk door.
Ik doe even een stapje terug naar aanbeveling 10 over het moment van inboeken van de baten en lasten. Wij begrijpen deze aanbeveling niet zo goed. We kunnen ons wel verplaatsen in de reactie van het college. Als we over al deze aanbevelingen moeten besluiten, dan zijn we geneigd om deze aanbeveling niet over te nemen. Ik wil daarom graag van de enquêtecommissie horen waarom zij deze specifieke aanbeveling op deze manier heeft opgenomen.
Ik wil aanbeveling 17 ook even noemen. Wij zijn het uiteraard helemaal eens met de stelling dat informatie openbaar en transparant moet zijn. Veel informatie is in besloten vergaderingen aan de commissie verstrekt. Dat leidt ertoe dat de handen van de commissie niet meer vrij zijn. Wij kunnen niet meer vrijelijk over het project spreken omdat veel informatie lang geheim blijft. Daardoor is de raadscommissie meegevoerd in het proces van de Noord/Zuidlijn en tot een soort medeplichtige gemaakt. Dat is naar mijn mening heel erg fout.
Limmen M.H.J.
In welk opzicht vindt u de commissie medeplichtig? Kunt u dat toelichten, want ik begrijp uw vraag niet precies?
Manuel I.R.
De enquêtecommissie zegt twee dingen. De informatie werd gefilterd of gedoseerd aan de commissie en aan de raad gegeven. De commissie heeft echter vaak informatie gekregen in geheime zittingen. Als de informatie die wij tijdens een dergelijke zitting krijgen geheim blijft, dan kunnen we niet meer vrijelijk over het project spreken. We worden dan door het project gegijzeld en kunnen dan ons werk als raadslid niet goed meer doen. Daarom vinden wij aanbeveling 17 zo goed.
In aanbeveling 19 beveelt u een debat over de zorgplicht van de burgemeester aan met misschien een jaarlijkse rapportage. De zorgplicht van de burgemeester die we moeten bespreken, is natuurlijk niet los te zien van de politieke rol van de burgemeester en van zijn politieke verantwoordelijkheid. Zoals u weet, is D66 niet voor een benoemde burgemeester, maar voor een gekozen burgemeester. Die hebben we echter niet. Het lijkt ons geen goed idee om de benoemde burgemeester meer politieke verantwoordelijkheid te geven. Van de andere kant gaat het hier misschien niet zozeer om de zorgplicht of de politieke verantwoordelijkheid van de burgemeester, maar om zijn leiderschap of om zijn gebrek aan leiderschap bij het dossier Noord/Zuidlijn. Wij willen graag de reactie van de commissie daarop horen, maar straks ook het debat met het college hierover aangaan. Zorgplicht en politieke verantwoordelijkheid vormen hier niet het punt. Het gaat om het leiderschap van de burgemeester gedurende al de jaren bij dit buitengewoon moeilijke project waarbij zoveel is misgegaan.
Ten slotte aanbeveling 22, het debat over de risico’s. Ik denk dat de enquêtecommissie in deze aanbeveling een goed punt aanroert. Te meer als we de brief van het college van 18 december 2009 bekijken. Daarin staat dat de raad op 1 juli 2009 besloten zou hebben om in geval van calamiteiten gewoon door te boren. Dat staat letterlijk in die brief. Bij mijn weten heeft de raad dat besluit niet op die manier genomen. Bovendien kan alles onder calamiteiten worden geschaard. De beurs kan instorten. Dat is een calamiteit en in dat geval zouden we gewoon door moeten boren. D66 heeft bij mijn weten een dergelijk besluit niet genomen. Het is daarom heel goed om een debat te voeren over de vraag wat we tijdens het boorproces doen. Wat nemen we voor lief en in welk geval moeten we ons absoluut herbezinnen? Het debat daarover is zeer noodzakelijk dus aanbeveling 22 nemen wij graag over.
Tot zover de reactie van D66 op de enquêtecommissie. Straks zullen wij nog een aantal vragen aan het college voorleggen.
59° Motie van het raadslid Van Drooge inzake het enquêterapport Noord/Zuidlijn (directeurencarrousel) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 31)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
59° Motie van het raadslid Van Drooge inzake het enquêterapport Noord/Zuidlijn (directeurencarrousel) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 31).
Verzoekt het college:
De directeurencarrousel niet meer van toepassing te laten zijn op de ambtelijke organisatie rond de Noord/Zuidlijn.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Ik geef graag het woord aan de voorzitter van de enquêtecommissie, de heer Limmen. U neemt de regie bij de beantwoording op u?
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Limmen.
Limmen M.H.J.
We hebben daar van tevoren over nagedacht. Het lijkt ons handig om even te schorsen. Wij kunnen ons dan even terugtrekken om na te denken over de beantwoording.
Schorsing
Limmen M.H.J.
Het is misschien goed om even te beginnen met de vragen over de aanbevelingen over het boren. Wat bedoelt de commissie daarmee? Ik zal het als volgt uitleggen. De eerste vraag die wij hierbij gesteld hebben, is: wat zijn nu precies de risico’s? Hebben we die goed in beeld? Wat bedoelen we daarmee? In de eerste plaats: is dit alles? Zijn alle risico’s benoemd? In de tweede plaats: wat betekent dit voor de praktijk? Wat betekenen de technische risico’s voor de omgeving? Toen de commissie net bij elkaar zat, noemden we het volgende voorbeeld. Op een gegeven moment lees je dat in een bepaald scenario de zettingen binnen de veilige normen vallen. Er zijn een heleboel mensen in deze stad die dan nog niet precies weten wat dit in de praktijk betekent. Volgens ons is het belangrijk dat voor Amsterdammers goed duidelijk wordt wat dit precies voor hen betekent. Het is een vertaling van de risico’s van het boren naar de maatschappelijke realiteit.
De tweede opmerking die we daarbij willen maken gaat over de preventieve maatregelen die worden genomen. De commissie wil weten welke maatregelen er precies getroffen zijn en of wij ze allemaal in beeld hebben. Onze derde opmerking gaat over de beheersmaatregelen die we nemen op het moment dat het misgaat. We onderscheiden daarbij twee dimensies. Op de eerste plaats de techniek. Zijn dit de beheersmaatregelen die getroffen zijn? Is dit technisch verantwoord en haalbaar? Op de tweede plaats de maatschappelijke vertaling ervan. Wat betekent een draaiboek in technisch opzicht en in maatschappelijk opzicht? Wat betekent het voor Amsterdammers? De commissie vindt het een goede zaak als er meer duidelijkheid zou komen.
Wat beoogt de commissie daarmee? Die vraag is op de volgende manier te beantwoorden. De commissie is ingesteld om terug te blikken, niet om vooruit te kijken. Daaruit volgt per definitie dat het niet de bedoeling van de commissie kan zijn om de beslissing over het boren ter discussie te stellen. Dat is ook niet het geval. We hebben dat duidelijk geschreven. Dat laat onverlet dat politieke partijen en de raad er op hun manier mee om kunnen gaan. De commissie heeft dit niet beoogd en bedoelt het ook niet. We hebben dat duidelijk opgeschreven. Het gaat ons vooral om het concreet invullen van de risico’s. Er is gevraagd of het nodig is om een dergelijk debat te voeren, ook in het licht van alle informatie die het college al geleverd heeft. De commissie vindt inderdaad dat het nodig is en dat er nog eens goed bij stilgestaan wordt. Er is ook nog een hiermee verbonden vraag gesteld. Had het besluit om te gaan boren expliciet aan de raad moeten worden voorgelegd? De enquêtecommissie heeft daar geen opvatting over omdat dit buiten onze onderzoeksopdracht valt. Wij wilden ons nadrukkelijk daaraan houden. Tot zover onze eerste reactie over het boren.
We nemen nu de andere vragen door en bekijken straks of dit meer duidelijkheid heeft kunnen bieden. Ik begin bij de Partij van de Arbeid. Zij legt voor dat het college van plan is om een aparte Dienst Noord/Zuidlijn op te richten. De enquêtecommissie neemt er kennis van, maar heeft er in haar onderzoeksrapport geen opvatting over geventileerd en zal dat ook nu niet doen. We hebben al iets gezegd over het debat over het boren. Mevrouw Bergervoet heeft ook iets gezegd over het besluitvormingsprotocol dat het college op wil stellen. Mijn antwoord daarop lijkt op het antwoord op uw eerdere punt. Ook daar zal de enquêtecommissie geen mening over geven. Misschien is het goed om te zeggen dat wij niet ingaan op de reactie van het college. We nemen die ter kennisneming aan. We gaan ook niet in op de reactie van het college op de enquêtecommissie. Dat is voorbehouden aan de raad en niet aan ons.
De vraag over de verantwoordelijkheid van het college en de vraag wat de enquêtecommissie bedoelt met de opmerking dat informatie rechtstreeks uit de projectorganisatie moet komen. Bedoelen we daarmee een relativering van de politieke verantwoordelijkheid van het college voor de informatie? Vanzelfsprekend niet. Alle informatie die wordt geleverd, valt onder de verantwoordelijkheid van het college. De enquêtecommissie beoogt wel transparantie en duidelijkheid als er op initiatief van de politiek, dus op initiatief van het college, wordt afgeweken van prognoses die door het apparaat geleverd worden. We hebben dat natuurlijk in de praktijk gezien. Het is in het verleden voorgekomen. Als het gebeurt, dan vindt de enquêtecommissie dat de raad ervan op de hoogte moet zijn. Het college dient te informeren. Het college is verantwoordelijk. Het college is überhaupt volledig verantwoordelijk voor de Noord/Zuidlijn. Er is ook gevraagd naar de uitvoeringsverantwoordelijkheid. Het college blijft vanzelfsprekend volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van de Noord/Zuidlijn. We hebben gezegd dat we de projectdirectie uitvoeringsverantwoordelijk willen maken omdat we zoveel mogelijk daar de besluiten willen laten nemen die sec met de uitvoering te maken hebben. We willen de politiek daarbij op afstand houden. Er is ook al een aantal stappen in die richting gezet.
Manuel I.R.
Dank voor het antwoord op de vraag over de uitvoeringsverantwoordelijkheid. Mijn vraag gaat over de informatieverstrekking van de projectorganisatie. Ik ben een klein beetje teleurgesteld door uw antwoord. Ik las in het rapport namelijk dat u voorstelde om de projectorganisatie rechtstreeks informatie aan de raadscommissie te laten verstrekken, gelijktijdig met de informatie die zij aan het college verstrekt. Op die manier voorkomen we dat het college informatie filtert zoals u in uw rapport schrijft, of informatie doseert. Als we doen wat u zojuist verwoordde, dan loopt de informatiestroom nog steeds via het college en dan weet de commissie nooit of zij de volledige informatie krijgt. In feite hebt u geconstateerd dat de informatie soms vertraagd of niet volledig doorkwam. Om dat te voorkomen, zou het goed zijn om bij een groot project de commissie rechtstreeks te laten informeren door de projectorganisatie, tegelijk met de informatieverstrekking aan het college. Naar aanleiding van die informatie kunnen we met de wethouder debatteren. Ik zou de informatiestroom daarom graag rechtstreeks naar de commissie leiden.
Limmen M.H.J.
Wij vinden het belangrijk dat het college, zo gauw er een bijstelling plaatsvindt, dit duidelijk maakt en gemotiveerd duidelijk maakt waarom het afwijkt. Daar gaat het om. Wij vinden dat het college afwijkingen moet melden. Het is niet de bedoeling dat er heel veel tijd overheen gaat, want anders hebben we er niets aan. Het is niet zo dat we twee gelijktijdige informatiestromen willen scheppen. Dat lijkt me heel erg onduidelijk. Het college is uiteindelijk verantwoordelijk voor de informatie. Het gaat ons erom dat het college duidelijk maakt of er is afgeweken van de adviezen die gegeven zijn. Op die manier wordt de zaak transparant. De heer Flos heeft er ook iets over gezegd en ik hoop er nu iets meer duidelijkheid over te hebben gegeven.
Flos R.E.
Er is iets meer duidelijkheid, maar ik ben zeker nog niet tevreden gesteld. Ik wil hierbij iets meer de diepte in. Op pagina 271 van uw rapport zien we toegelicht hoe over een periode van vier jaar een rapportage wordt bijgesteld. Eerst was er een rapportage van een contractmanager. Daarna vindt er overleg plaats met de directie van het adviesbureau. Daar kan de eerste bijstelling al plaatsvinden. Vervolgens is er een overleg tussen het adviesbureau en het projectbureau. Die zijn nu in elkaar geschoven, maar toen nog niet. Daar zou de tweede bijstelling kunnen plaatsvinden. Vervolgens kan de directie zelf de derde bijstelling doen. Daarna is er nog een overleg tussen de projectdirectie en de portefeuillehouder. Daar vindt de vierde bijstelling plaats. Met andere woorden: voordat een rapportage überhaupt aan de raad wordt gestuurd, kunnen er al vier bijstellingen hebben plaatsgevonden, waarvan drie in de ambtelijke organisatie en een door de wethouder. Als ik u volg, dan zouden we bij elk besluit ieder stapje voor de raad in kaart moeten brengen. Pas dan voldoet het namelijk aan waar het u inhoudelijk om gaat, inzicht in waar de oorspronkelijke kostenramingen zijn bijgesteld.
Limmen M.H.J.
Het gaat ons vooral om de laatste stap. U somt een heleboel bijstellingen op. Als het college zegt: dit is allemaal leuk en aardig van de experts, maar wij zelf vinden dat de cijfers aangepast kunnen worden, dan willen we dat weten. Daar gaat het ons om, ook vanwege het feit dat in het verleden zaken niet goed zijn gegaan. Dat moet gemotiveerd duidelijk worden. Dat is in wezen waar het om gaat. Verder moet het college de raad goed informeren over de besluitvorming en over de informatie die het gekregen heeft. Dit gaat heel expliciet over ingrijpen door de politiek, door het college, in de begrotingen.
Flos R.E.
Ik constateer dat in het schema op pagina 271 er slechts een keer beïnvloeding door de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden. De andere keren is het allemaal binnen de ambtelijke organisatie gebeurd.
Limmen M.H.J.
Dit lijkt mij meer een constatering die ook weer een reactie van ons zou kunnen oproepen. Laten we ervan uitgaan dat wij deze aanbeveling nodig vinden en dat ze niet op één incident gebaseerd is.
Drooge A.H. van
De heer Flos zegt dat het slechts een keer is gebeurd. Ik heb vele keren gezien. Welke ervan hebt u gevonden?
Garde M.C. van der
Volgens mij zijn er, zoals ook het CDA zegt, meerdere momenten. Bij aanbeveling 15 schrijft u als toelichting dat voor de raad de duidelijkheid in de verslaglegging ontbrak en dat informatie over essentiële projectaspecten voor de raad onoverzichtelijk, rommelig, onvolledig of zelfs onjuist was. U noemde net specifiek de begroting. Doelt u op meerdere momenten of specifiek op een begroting op een bepaald moment? Ik heb het als veel breder opgevat. De projectorganisatie heeft natuurlijk niet alleen informatie over de begroting gegeven, maar veel meer informatie. Ik lees dit bij de aanbevelingen op pagina 74.)
Limmen M.H.J.
Het gaat ons om de financiële rapportages van de projectdirectie aan het college. Als het college daarvan afwijkt, dan moet dit gemeld worden. Er ontstaat dan een verschil tussen datgene wat uit de ambtelijke lijn is voortgekomen en de manier waarop de politiek ermee omgaat.
Ik keer weer terug naar het beantwoorden van de vragen. De vraag over de vervoersprognose en de te ruim opgezette metro. De enquêtecommissie heeft er geen onderzoek naar gedaan en zal er ook nu geen standpunt over innemen. Wij willen ons daarover niet uitspreken.
Een aantal leden heeft gesproken over de zorgplicht van de burgemeester. Wij hebben hierover een tamelijk uitvoerige beschouwing in het rapport gegeven. Wij hebben duidelijk gemaakt wat de wettelijke normen zijn die gelden. Die bevatten een tamelijk brede marge. Wij hebben er vervolgens een aantal conclusies uit getrokken. Wij hebben in aanvulling daarop niet veel meer te zeggen. De raad en allerlei partijen in de raad kunnen daarover een mening hebben, maar voor de enquêtecommissie stond de vraag centraal wat het normenkader is. Wij hebben het normenkader geanalyseerd. Daarnaast hebben wij het optreden van de burgemeester geanalyseerd en dat hebben wij in ons rapport opgenomen.
Manuel I.R.
Ik begrijp heel goed dat de enquêtecommissie zich buiten de politieke discussie wil houden. U haalt echter de zorgplicht aan om het ontbrekend leiderschap van de burgemeester aan de orde te stellen. U verwoordt dat door te zeggen dat er zoiets als een zorgplicht bestaat en dat we met elkaar moeten bekijken in hoeverre dit erin ondergebracht kan worden. U concludeert eigenlijk steeds dat de burgemeester in al deze jaren niet of nauwelijks bij het project betrokken is geweest. Daarin ligt de suggestie dat dit wel het geval had moeten zijn en vervolgens komt u bij de zorgplicht uit. U concludeert eigenlijk dat het leiderschap ontbrak. Of heb ik het mis?
Limmen M.H.J.
Nee, dat hebt u mis. Wij zijn begonnen met de vraag waarop we de burgemeester kunnen beoordelen. Dan komen we terecht bij de vraag wat het normenkader is. Vervolgens hebben wij geconstateerd dat het heel breed is en dat de enquêtecommissie daarom heel voorzichtig moest zijn, juist omdat het normenkader zo vaag is. Wij hebben niet gehandeld vanuit de intentie die u zojuist uitsprak. De burgemeester is bestuurder in deze stad. Hij maakt deel uit van het college. Wij hebben een analyse gemaakt en een mening willen geven over de waardering die men over zijn rol kan uitspreken. Wij liepen daarbij tegen het normenkader aan en dat leidde tot de conclusie die wij getrokken hebben.
Ik kom bij de verzekeringen. Er is gevraagd: stel dat we de verzekeringen die mogelijk waren hadden afgesloten, had dat de voorkeur verdiend boven niet verzekeren? Dat is een als-danvraag. Wij komen tot de conclusie dat men onder die omstandigheden niet van start had moeten gaan. Daarover hebben wij ons uitgesproken. Het is achteraf heel moeilijk om te beoordelen wat in andere omstandigheden wenselijk zou zijn geweest omdat we nu weten welke risico’s zich wel en welke zich niet hebben voorgedaan. Daarover kan de enquêtecommissie zich niet uitspreken.
Wist het Rijk dat het budget van de Noord/Zuidlijn overschreden zou worden? De enquêtecommissie heeft er geen conclusie over getrokken en houdt het daarbij.
Ik heb al iets gezegd over stukken die rechtstreeks naar de raad gaan.
Er is ook gevraagd in welke mate de commissie last heeft gehad van het feit dat een gemeentelijke enquêtecommissie een andere positie heeft dan een landelijke enquêtecommissie, vooral in verband met de kring van mensen die we dwingend kunnen opleggen om voor ons te verschijnen. Dat slaat voornamelijk op aannemers en adviseurs. Het is een heel terechte vraag, want er is een heel wezenlijk verschil tussen de positie van een lokale enquêtecommissie en een landelijke enquêtecommissie. Wij hebben kritisch gekeken naar de informatie die we boven water wisten te krijgen en zijn tot de conclusie gekomen dat we, ondanks het feit dat we de aannemers niet konden dwingen om aan een openbaar verhoor deel te nemen, toch een heleboel informatie van hen hebben gekregen. Er hebben gesprekken plaatsgevonden tussen onderzoekers en aannemers en adviseurs, maar we hebben ook een aantal besloten gesprekken kunnen voeren. Wij denken daarom dat we een beeld van de gang van zaken hebben. Wij denken daarom dat we kunnen instaan voor de analyse die we gemaakt hebben.
Er is ook gevraagd hoe de enquêtecommissie aankijkt tegen de vraag of het gaat om wijsheid met de kennis van nu of wijsheid met de kennis van toen. De enquêtecommissie heeft heel nadrukkelijk in het voorwoord aangegeven dat wij ons bij de conclusies die we hebben getrokken nadrukkelijk hebben afgevraagd of het gemakkelijk is om achteraf te constateren dat het toen fout ging of dat men met de kennis van toen anders had moeten besluiten. Ik denk dat ik hiermee ook op die vraag ben ingegaan. Met andere woorden: wat had met de kennis van toen anders moeten gaan?
Daarnaast heeft de heer Van Drooge gevraagd of de enquêtecommissie blijft bij de conclusies die zij getrokken heeft. Het antwoord daarop is ‘ja’. De heer Van Drooge heeft ook een vraag gesteld over de verantwoording van het onderzoek en de opvattingen die de enquêtecommissie daarover heeft geventileerd. Daarvoor geldt hetzelfde. Hij heeft ook gevraagd wat de kosten van adviseurs zijn en of in de oorspronkelijke begroting daarmee rekening is gehouden. We hebben dat besproken en er valt nu geen exact antwoord op te geven. Wij doen u de suggestie aan de hand om deze vraag straks aan het adres van het college te herhalen.
Drooge A.H. van
In mijn vorige vragen vroeg ik wat u ervan vindt dat zo verschillend is gereageerd naar de heer Veerman en naar u. Dat kunt u niet afdoen met: ik heb geschreven wat ik heb geschreven.
Limmen M.H.J.
Wij hebben geen vergelijking kunnen maken met de commissie-Veerman. Ik ga daar nu niet verder op in. Wij hebben er een hoofdstuk over geschreven en u hebt daar kennis van kunnen nemen. Er is ook een vraag gesteld over de samenwerking met het Rijk bij niet-infrastructurele projecten. Ook daar hebben wij geen onderzoek naar gedaan. Wij houden ons daarom aan de aanbevelingen en aan de conclusies die we hebben getrokken. Datzelfde geldt voor de vraag wat we vinden van de directeurencarrousel. Ook daar kan de enquêtecommissie zich niet over uitspreken omdat we er geen onderzoek naar hebben gedaan.
Drooge A.H. van
U vindt dat er een heel sterke directeur moet worden aangesteld, met inhoudelijke kennis van zaken. Dat schrijft u in uw rapport als ik het goed gelezen heb. Als dat niet zo is, dan moet u me verbeteren. Er bestaat een directeurencarrousel. Daarbij wordt niet gezegd: deze meneer heeft buitengewoon veel verstand van boren onder grote steden, maar: hij is directeur bij deze gemeente. Mijn vraag aan u is: bent u het ermee eens dat de inhoudelijke kennis van een directeur bij dit soort grote projecten van veel meer belang is dan het feit dat hij toevallig directeur is bij een andere gemeentelijke dienst?
Limmen M.H.J.
De manier waarop u dit uitlegt, klinkt heel redelijk. Dat compliment wil ik u zeker geven. Er kunnen echter nog een heleboel moties over de Noord/Zuidlijn worden ingediend die later in het debat aan de orde kunnen komen. We kunnen niet één motie wel van een soort preadvies voorzien en andere niet. Dat moeten we vooral niet doen. Die brug kunnen we echt niet over.
Drooge A.H. van
Ik heb de motie juist bij u ingediend. Anderen die dat niet hebben gedaan, hebben ervoor gekozen dat niet te doen. Ik dien deze motie juist bij u in omdat ik een uitspraak van u wil. Als u dat niet wilt doen, dan begrijp ik dat, maar ik heb ervoor gekozen om mijn motie juist nu in te dienen.)
Limmen M.H.J.
Ik begrijp het heel goed. U hebt het procedureel heel slim aangepakt, maar ik blijf bij mijn antwoord.
Ik wil ook nog iets zeggen over het voorzichtigheidsbeginsel. Wij hebben besproken wat dit precies betekent. Ons doel is om te voorkomen dat er een financieel vertekend beeld ontstaat. Aanbeveling 10 kan als volgt worden ingevuld: zekere inkomsten worden in de ramingen opgenomen, verwachte inkomsten niet. Zekere inkomsten zijn bijvoorbeeld inkomsten die contractueel vaststaan. De bijdrage van het Rijk valt daaronder. Andere inkomsten, die niet vaststaan, moeten niet worden verwerkt. Verwachte uitgeven moeten er wel in verwerkt worden. Zo bedoelen we dat.
Manuel I.R.
Het gaat natuurlijk om het moment waarop de baten en lasten worden ingeboekt. Het college geeft in zijn weerwoord te kennen dat het kan voorkomen dat er ineens een voorziening getroffen moet worden omdat bepaalde baten - bijvoorbeeld geld dat we uit Den Haag krijgen - nog niet in de financiële verantwoording opgenomen kunnen worden. Dat zou heel vreemd zijn. U kunt dat toch niet beogen met deze aanbeveling?
Limmen M.H.J.
Nee, dat bedoelde ik ook te zeggen, maar misschien was het niet duidelijk. Contractueel vastgelegde inkomsten - en een afspraak met het Rijk valt daar voor ons ook onder - kunnen wel opgenomen worden.
De heer Manuel heeft ook iets gezegd over de medeplichtigheid zoals hij het noemt van de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten bij de besluitvorming over de Noord/Zuidlijn. De commissie hanteert deze terminologie niet. Het gaat ons erom dat de raad zich ervan bewust is dat een veelheid aan vertrouwelijke vergaderingen het risico in zich draagt dat dit ten koste gaat van de noodzakelijke distantie om in zijn controlerende rol het optreden en de besluitvorming van het college te beoordelen. Dat bedoelen wij ermee.
Ik heb het idee dat we aan het einde van de beantwoording zijn gekomen en dan stopt een mens met praten.
Willemse H.
U bent klaar met de beantwoording van de vragen die in de eerste termijn zijn gesteld. Heeft de raad behoefte aan een tweede termijn?
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Pinxteren.
Pinxteren J. van
Als niemand behoefte heeft aan een tweede termijn, dan wil ik u vragen of ik als eerste indiener van de motie om over te gaan tot instelling van de enquêtecommissie iets aan de orde mag stellen. Het is natuurlijk al vaak gezegd, wij zijn allemaal zwaar onder de indruk van het rapport, van de gedegen aanpak en van de enorme energie die onze collega’s in dit rapport hebben gestoken. Alleen al door het instellen van de commissie waarin de woordvoerders Noord/Zuidlijn juist geen zitting mochten nemen, is de kennis over de voorbereiding, de besluitvorming en de uitvoering van het project versterkt en ruimer in de raad aanwezig. Dat op zichzelf is al winst, zeker met het oog op de wisseling van de wacht in deze raad. Er zullen straks gelukkig meer mensen over zijn die nog weten waarover het gaat. Het werk van de commissie is gedaan en hierna is de raad aan de beurt om het debat over de bevindingen ervan met het college te voeren. Eerst moet de raad echter deze commissie nog decharge verlenen. Daartoe heb ik in overleg met dezelfde collega’s die in 2009 de motie steunden om de commissie in te stellen een motie opgesteld. In deze motie spreekt de raad dank uit voor het vele werk. Het rapport vormt een goede basis voor het debat met het college. Wij dechargeren hiermee de commissie. Ik dien de motie hierbij in en ik denk dat we haar in stemming moeten brengen.
60° Motie van de raadsleden Van Pinxteren, Bergervoet, Flos, Van Drooge, Bakker en Manuel inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (decharge) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 32)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
60° Motie van de raadsleden Van Pinxteren, Bergervoet, Flos, Van Drooge, Bakker en Manuel inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (decharge) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 32).
Besluit:
1. grote waardering uit te spreken voor dit onderzoek;
2. vast te stellen dat het rapport een uitstekende basis biedt voor een nadere gedachtewisseling in de raad en met het college;
3. decharge te verlenen aan de enquêtecommissie.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
Aan de orde is de stemming over de motie-Van Pinxteren, Bergervoet, Flos, Van Drooge, Bakker en Manuel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 32).
De motie-Van Pinxteren, Bergervoet, Flos, Van Drooge, Bakker en Manuel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 32) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Pinxteren, Bergervoet, Flos, Van Drooge, Bakker en Manuel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 32) met algemene stemmen is aangenomen.
Ik stel voor om even kort te schorsen om het college de gelegenheid te geven zijn reguliere plaats weer in te nemen.
De VOORZITTER schorst de vergadering.
Schorsing
Willemse H.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van der Garde.
Garde M.C. van der
Op 19 februari 2009 motiveerde wethouder Herrema zijn besluit om af te treden. Wethouder Herrema moest voor de derde keer de raad meedelen dat de financiële prognose was gestegen en dat de datum waarop de lijn geopend zou worden opnieuw opgeschoven was. Dat gebeurde allemaal net na het verschijnen van het rapport van de ombudsman over de verzakking van de huizen aan de Vijzelgracht. In de raadsvergadering van 11 maart 2009 lichtte de heer Herrema zijn vertrek toe. In diezelfde vergadering besloot de raad tot een raadsenquête om het verleden te onderzoeken. Ik wil een kort citaat voorlezen uit de verklaring die de heer Herrema toen aflegde. Hij was bezig met meer realisme en verantwoord verder gaan. Hij zei: “Deze uitkomsten vallen onder mijn bestuurlijke verantwoordelijkheid. Nu de ombudsman het proces van de herstart bij de Vijzelgracht als zorgvuldig kwalificeert, meen ik dat ik bestuurlijk persoonlijk niet veel fouten heb gemaakt. Feit blijft echter dat ik verantwoordelijk ben en verantwoordelijkheid draag voor de uitvoering en de daarbij gemaakte fouten. Ook foutieve aannames uit het verleden vallen onder deze politieke verantwoordelijkheid.” Het rapport van de enquêtecommissie trekt conclusies over verschillende college- en raadsperiodes. De Partij van de Arbeid is en was in het verleden steeds bestuurlijk verantwoordelijk.
In de toelichting bij de raadsvoordracht van 11 maart 2009 werden twee doelen genoemd. Zojuist is al gezegd dat deze voordracht door alle partijen in de gemeenteraad is ingediend en ondersteund. Kort gezegd waren deze doelen waarheidsvinding en lering trekken uit het verleden. Vandaag liggen de conclusies en aanbevelingen van de enquêtecommissie voor. De hoge ambities werden onvoldoende kritisch en onafhankelijk getoetst. De voorbereiding van de aanleg werd op een te krap budget gestuurd, met onvermijdbare overschrijdingen tot gevolg. De bevindingen van het rapport zijn voor ons niet helemaal nieuw. Als we ze geordend in een lijvig rapport lezen, zijn ze des te schokkender. De door de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn geconstateerde bestuurlijke fouten zijn ernstig, zeer ernstig. De gevolgen voor de stad zijn groot. Amsterdam heeft een financiële strop boven zijn hoofd hangen waarvan de Amsterdammer de dupe dreigt te worden. Ik hecht eraan om nogmaals te zeggen dat de Partij van de Arbeid alle conclusies van de enquêtecommissie overneemt. We hebben dit ook al in de commissie gezegd. Wij erkennen daarmee dat er in het verleden flinke fouten zijn gemaakt, dat het besluit tot aanleg van de Noord/Zuidlijn niet aan de raad had mogen worden voorgelegd en dat de raad het besluit toen niet had mogen nemen. Ik hecht er echter ook aan om te vermelden dat er in de afgelopen jaren een aantal zaken is verbeterd en bijgestuurd en dat er nieuwe zaken in gang zijn gezet. De implementatie van het rapport-Sorgdrager, van optimisme naar realisme werd het ook wel genoemd, het verzekeren van het project, de komst van een andere projectorganisatie, maar ook verbeteringen nadat de commissie-Veerman in de zomer van 2009 haar rapport uitbracht. Daarnaast wordt er op dit moment ook gewerkt aan andere dossiers. Er wordt meer tijd uitgetrokken voor het dossier Zuidas. Bovendien wordt er op een andere manier gewerkt aan een ander groot project, de tweede zeesluis. Bij de Noord/Zuidlijn wil ik memoreren dat de Amsterdamse bevolking in meerderheid wil dat de gemeente Amsterdam besluit om de lijn af te bouwen. Die opdracht, het afbouwen van de Noord/Zuidlijn, moet de gemeente vervullen, waarbij we natuurlijk rekening houden met de bevindingen en de aanbevelingen van de enquêtecommissie.
Toen de enquêtecommissie hier zojuist zat, is haar al heel veel lof toegezwaaid. De aanbevelingen zijn goed. Wij willen ze graag allemaal steunen. Over een aantal ervan bestaat onduidelijkheid of vragen. Ook in de commissie is hierover gesproken. Ik hoorde de VVD in het debat met de enquêtecommissie al iets zeggen over aanbeveling 15 om de projectorganisatie rechtstreeks informatie aan de gemeenteraad te laten sturen. Ook wij hebben er vragen over. Het antwoord van de commissie liet nog steeds een aantal vragen open. Ik wacht het amendement van de VVD daarover af.
Aanbeveling 19 gaat over de zorgplicht van de burgemeester. Het is goed om deze op dit moment niet onbenoemd te laten, maar de Partij van de Arbeid vindt dat er voldoende over is gezegd in de commissie. Wij willen het debat erover wel verder voeren. Aanbeveling 22 gaat over het boren. De vraag is: hoe doen we dat? Daarover bestaat nog steeds heel veel onduidelijkheid. Ik kom er zo dadelijk heel even op terug bij het indienen van een motie.
Eerst heb ik nog drie vragen aan het college. Het onderwerp ‘vervoerswaarde’ is al vaker aan de orde gekomen. Zojuist zijn er ook weer vragen over gesteld aan de enquêtecommissie die er niet op wilde antwoorden. Hopelijk kan het college dat wel doen. Er is namelijk in de raadscommissie over de vervoerswaarde gesproken en ook daarna hebben we weer andere informatie gekregen. Er bereiken ons verschillende verhalen en wij willen graag nog eenmaal van het college horen hoe het zit met de vervoerswaarde. Wat is uw visie hierop en hoe verhoudt deze zich tot de kosten?
Ik zei zojuist al dat we de afgelopen tijd verbeteringen hebben gezien. Niettemin wil ik toch graag van het college horen hoe u de toekomst ziet. De financiële prognoses voor de Noord/Zuidlijn waren altijd erg onzeker en vormden een heikel punt. Kunt u in de beantwoording daarover iets zeggen?
Als laatste heb ik een ingewikkelde vraag. Ik heb er al een tijd over nagedacht en ze is ook op allerlei manieren tijdens de commissiebehandeling aan de orde gekomen. Ik formuleer haar heel algemeen. Kan het college aangeven hoe het zijn verantwoordelijkheid opvatte bij het verschijnen van dit enquêterapport in december 2009?
Ik heb ook nog enkele moties die ik kort wil toelichten. Ten eerste de uitvoering van de aanbevelingen. Dat is natuurlijk van belang. Ik zei al dat wij ze graag over willen nemen. Wij willen op twee punten echter een nader voorstel van het college: over het debat over het boren en over de aanbeveling over de PI-verzekeringen. Daarnaast zou het mooi zijn als het college de gemeenteraad goed op de hoogte houdt. Er is mij verteld dat het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam een mooi systeem hanteert. Dat systeem staat ons voor ogen. Het wordt wel eens vergeleken met een verkeerslicht waarbij duidelijk wordt aangegeven wat de stand van zaken bij de uitvoering is, in welk stadium men verkeert. Dat wordt aangegeven met kleuren. Deze beide punten leest u in onze eerste motie.
De tweede motie gaat over de toekomst. Iedereen heeft daar veel zorgen over. Als Amsterdam weer aan een groot project begint, hoe gaat dat dan? Wij verwachten natuurlijk dat er verbeteringen zullen optreden naar aanleiding van de lering die is getrokken uit deze enquête. Er komt echter ook een nieuwe gemeenteraad, althans een deel van de raad zal nieuw zijn. Daarom hebben wij een tweede motie opgesteld waarin we onder andere vragen om een checklist bij grote projecten, waarop afgevinkt kan worden of belangrijke zaken aan de orde zijn gekomen. Het gaat daarbij niet alleen om de aanbevelingen van deze enquêtecommissie, maar ook de bevindingen van het rapport-Veerman en misschien ook het rapport-Herweijer kunnen daarbij betrokken worden. We kunnen een dergelijke checklist het lijstje van Limmen noemen of vragen of een project Limmen-proof wordt. Wij willen in elk geval een checklist.
De laatste motie die ik indien handelt over derden, de mensen die niet in het openbaar door deze enquêtecommissie bevraagd konden worden. Ook daar is net al over gesproken. Op landelijk niveau, bij een parlementaire enquête, kan dat wel. Ik heb al eerder in de raadscommissie gezegd dat wij het een gemis vonden dat we aannemers en adviseurs niet in het openbaar konden bevragen. Wij vragen het college daarom om aan de Tweede Kamer te vragen om de Gemeentewet te wijzigen en om zelf in contracten met derden vast te leggen dat zij bereid zijn om mee te werken aan een eventuele enquête in de toekomst. Dat is onze derde motie.
Alberts R.
Ik heb twee vragen aan mevrouw Van der Garde, waarop misschien één antwoord mogelijk is. U hebt net het een en ander gezegd over de manier waarop naar het verleden wordt gekeken. Tot en met 2009 was de financiële situatie van dit project nog steeds een chaos. Hoe kijkt u nu aan tegen het besluit op basis van het rapport-Veerman? U hebt toen een besluit genomen dat gebaseerd was op een financiële chaos als ik dat zo snel mag concluderen. Ik vind het verder heel bijzonder dat u 48% van de Amsterdammers als een meerderheid beschouwt. Volgens mij is het iets anders. Misschien kunt u dat toelichten.
Garde M.C. van der
Dat lukt niet met één antwoord omdat het volgens mij twee heel verschillende vragen zijn. U wijst me er terecht op dat 48% geen meerderheid is. Dat klopt. Het is een groot deel van de Amsterdammers, niet de meerderheid. De Partij van de Arbeid staat nog steeds achter de conclusies van het rapport-Veerman. We hebben toen, gelukkig met een grote meerderheid van de gemeenteraad, besloten om door te gaan op basis van de conclusies van de heer Veerman. Het ging daarbij ook om de verwachtingen voor de toekomst. De enquêtecommissie heeft juist het verleden onderzocht. Dat is voor mij een groot verschil met het debat nu.
Alberts R.
Dit loopt nog steeds door. Hebt u nu al het idee dat er met een beetje zekerheid te zeggen is dat het nu wel goed gaat? Ik formuleer het maar heel voorzichtig. U vraagt immers ook om een lijstje uit de categorie Limmen-proof. We hadden al Herweijer-proof, daarna kregen we Sorgdrager-proof, nu moet het Limmen-proof worden. Hoeveel soorten proof moeten we nog hebben? Hoe kijkt u daar tegen aan? Ik begrijp namelijk niet goed dat u alle conclusies onderschrijft, maar vervolgens nog allerlei garanties wilt.
Alberts R.
Ik heb gevraagd naar dit project, niet naar nieuwe projecten. Ik wil het van dit project horen.
Garde M.C. van der
Ik heb het woord Limmen-proof genoemd bij het indienen van een motie over nieuwe grote projecten. Ik vraag het college niet om een checklist bij dit project, maar bij nieuwe projecten. Ik heb wel gezegd dat ik wil weten hoe de aanbevelingen worden uitgevoerd. Het lijkt mij goed dat de gemeenteraad goed op de hoogte wordt gehouden en regelmatig rapportages krijgt. Dat is de andere motie. U vraagt mij of ik iets kan zeggen over de toekomst. Ik heb daarover een vraag aan het college gesteld. Ik kan niet meer zekerheid geven dan u op dit moment.
Alberts R.
U blijft echter volhouden dat u gewoon doorgaat. U zegt dat u geen zekerheid kunt garanderen. De conclusies zijn keihard, maar we gaan door. We hebben net de commissie decharge gegeven, maar we gaan gewoon verder. Hebt u enige lering getrokken? Dat wil ik weten.
Garde M.C. van der
Me dunkt, mevrouw Alberts. Er liggen 40 conclusies en 22 aanbevelingen. Ik zei al dat er aardig wat is gewijzigd naar aanleiding van het rapport-Veerman. Dat rapport is niet door de enquêtecommissie onderzocht. Het doel van de enquêtecommissie was om aan waarheidsvinding te doen en om lering te trekken. Het staat verwoord in de aanbevelingen. Ik ga ervan uit dat het college ze uit zal voeren. Het heeft er zelf al op gereageerd, u weet dat ook. Dat is voor ons de reden om door te gaan.
Alberts R.
Ik concludeer dat u lering trekt voor nieuwe projecten, maar dat u met dit project gewoon doorgaat.
Garde M.C. van der
De Partij van de Arbeid wil om verschillende redenen doorgaan met dit project. Wij vertrouwen erop dat deze aanbevelingen worden uitgevoerd zoals ook andere aanbevelingen, uit het rapport-Sorgdrager en het rapport-Veerman, zijn uitgevoerd. Het betekent dat het in de toekomst beter gaat, maar niet dat alle risico’s zijn uitgesloten. Dat staat nergens zwart op wit. Dat kan ook niemand bij dit project aangeven. Wij hebben de komende tijd dus vertrouwen in de uitvoering, zeker op basis van de verbeteringen van de afgelopen tijd. Ik heb dat ook heel expliciet genoemd.
61° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (checklist) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 33)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende moties zijn ingekomen:
61° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (checklist) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 33).
Besluit:
Verzoekt het college:
- op korte termijn nadere voorstellen te doen aan de gemeenteraad hoe de conclusies en aanbevelingen van de enquêtecommissie gebruikt worden voor de aansturing van en de controle op andere lopende grote projecten waarin de gemeente Amsterdam is betrokken;
- aan de gemeenteraad een checklist voor te leggen die gemaakt is op basis van de aanbevelingen van de enquêtecommissie, het rapport-Veerman en het rapport-Herweijer, en die in het vervolg gebruikt kan worden bij de voorbereiding van de besluiten door de gemeente Amsterdam over nieuwe grote projecten.
62° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (verzekering en boren) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 34)
Willemse H.
62° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (verzekering en boren) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 34).
Besluit:
Verzoekt het college:
- aan de raad op korte termijn nadere voorstellen te doen op basis van de conclusies en aanbevelingen van de enquêtecommissie voor de verdere uitvoering van de aanleg van de Noord/Zuidlijn, met name op aanbeveling 21 (PI-verzekering) en 22 (risico’s van het boren);
- aan de raad voorstellen te doen voor een voor de besluitvorming van de gemeenteraad inzichtelijke en gestructureerde rapportage over de voorbereiding, voortgang, financiën, risico’s en tijdsplanning van projecten.
63° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (enquêterecht) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 35)
Willemse H.
63° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (enquêterecht) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 35).
Besluit:
Verzoekt het college:
- er bij de Tweede Kamer op aan te dringen de Gemeentewet zo te wijzigen dat de gemeenteraad bij toepassen van het enquêterecht voldoende inzicht kan verkrijgen in het aandeel van derden in de voorbereiding en uitvoering van aan hen door de gemeente uitbestede projecten;
- in contracten met derden vast te leggen dat derden zullen meewerken in het geval dat de gemeenteraad besluit tot het doen van een enquête.
De moties maken deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flos.
Flos R.E.
De enquêtecommissie schetst een scherp, hard en soms ontluisterend beeld van ruim twintig jaar discussie en besluitvorming over de Noord/Zuidlijn in Amsterdam. Het is duidelijk dat er in alle fasen van het proces, bij de voorbereiding, de besluitvorming en de uitvoering, sprake is geweest van collectief falen en onvermogen van de gemeente Amsterdam. Dat onvermogen was vaak de oorzaak van het falen. Falen van de ambtenarij, het college en de raad. Weliswaar zijn deze fouten niet bewust en met opzet gemaakt, maar dit collectieve falen en onvermogen is wel een feit. Het gevolg is dat de Noord/Zuidlijn in aanbouw veel duurder wordt en veel later wordt opgeleverd dan we bij het go-besluit in 2002 dachten. De VVD accepteert dan ook de hoofdconclusie 19 van de commissie dat het besluit tot aanleg niet aan de raad voorgelegd had mogen worden en dat de raad het besluit niet had mogen nemen.
Als we het enquêterapport lezen, dan was de oorzaak van de uit de hand gelopen kosten en planning een sterke politieke wil om de Noord/Zuidlijn sowieso te realiseren. Deze sterke politieke wil is overigens nog steeds bij een groot deel van de raad aanwezig. Een andere oorzaak was te weinig kennis, waarbij men er zich soms niet eens van bewust was dat men te weinig kennis had. Een te geringe externe blik van buitenaf, maar ook van binnenuit. De organisatie van kritiek liet te wensen over, ook binnen de ambtelijke organisatie, en soms ook het vermogen om iets met de kritiek te doen. Ook de urgentie die men voelde om na drie aanbestedingsronden een besluit te nemen. En het optimisme over risico’s, planningen en de uitvoeringspraktijk. Het enquêterapport geeft dat heel duidelijk aan. De problemen werden onderschat. Er zijn dus legio oorzaken. Er zijn echter ook redenen die buiten de gemeente liggen zoals de afkoop van de risico’s door het Rijk. Dat heeft natuurlijk voor zichzelf een mooie deal gesloten. De oververhitte marktomstandigheden van dat moment, 9/11 dat ervoor zorgde dat de verzekeringsmarkt helemaal op zijn kop werd gezet en gewiekste aannemers die het onderste uit de kan hebben gehaald en soms ook prutswerk van aannemers zoals we bij de Vijzelgracht hebben gezien.
Het is goed dat we de discussie over het verleden aan de hand van dit uitstekende rapport kunnen afsluiten. Ik wil in mijn inbreng een aantal conclusies en aanbevelingen van de commissie nalopen. Daarvoor wil ik echter een aantal zaken noemen die volgens ons onderbelicht zijn gebleven, hoewel dat de commissie niet direct aan te rekenen valt omdat de commissie deze zaken niet of onvoldoende kon onderzoeken of mensen onvoldoende in het openbaar kon horen.
De rol van de aannemers waaraan ik net al refereerde, zowel bij de contractbesprekingen als bij de uitvoering, de claimcultuur en de Vijzelgracht. Ook daar ligt volgens ons een belangrijke oorzaak van de kostenoverschrijdingen. Dat neemt echter niet weg dat de zaken die ik net genoemd heb zwaar wegen. De rol van het adviesbureau dat ook bestaat uit commerciële bureaus. Men heeft er belang bij om het project uit te laten lopen. We hebben onvoldoende zicht kunnen krijgen op de vraag in hoeverre dat zich ook gemanifesteerd heeft. De rol van het Rijk. De Noord/Zuidlijn is het enige project dat met een lumpsumbeschikking tot stand is gebracht, waarbij het Rijk alle risico’s heeft afgekocht. Er zijn echter aanwijzingen dat het Rijk vanwege kostenoverschrijdingen elders al wist dat het project duurder zou worden dan men dacht op het moment dat de lumpsumbeschikking werd afgegeven.
Ik loop een aantal conclusies en aanbevelingen na. Bij de voorbereiding, de conclusies 1 tot en met 3, is duidelijk hoe al in het begin van de jaren negentig zonder al te veel discussie een complexe bouwmethode is bepaald, vooral veroorzaakt door het metrotrauma van de Oostlijn. Dat heeft geleid tot een heel sterke wil, ook in de politiek, bij de voorstanders van een metro om te kiezen voor een ondergrondse volgens het huidige tracé. In conclusie 4 constateert de commissie dat de vervoerswaarde en de kostendekkingsgraad een te rooskleurig beeld geven. Dat klopt, want het blijkt uit de feiten. Door het antwoord van het college in de vorige commissievergadering zijn wij er echter van overtuigd geraakt dat dit niet wil zeggen dat de metro een te grote capaciteit krijgt. Als één vervoermiddel in Amsterdam de eigen prognoses waarmaakt, dan is dat de metro. Kijkt u maar naar de Ringlijn. Tram en bus blijven daarbij achter. Sterker nog: het toont nog eens aan hoe groot de behoefte is aan een metro. Mensen willen graag snel vervoerd worden. Voor wie snel van A naar B wil reizen, is de metro een beter vervoermiddel dan een tram of een bus. Dat vindt althans de Amsterdammer.
Bij conclusie 9 stelt de commissie dat het college en de raad de uitkomst van de markttoets naast zich neer hebben gelegd. Dat is feitelijk ook zo. De raad en het college waren daar echter zelf bij. Zij hebben ook de facto het recht om een markttoets naast zich neer te leggen. Als ikzelf een bepaald budget heb om een auto te kopen - stel dat ik er 10.000 euro aan wil besteden - en bij navraag blijkt dat ik de auto die ik wil niet voor 10.000 euro kan krijgen en ik besluit dat ik er ook 12.000 euro voor over heb, dan houd ik mij niet aan de eerder afgesproken markttoets. Ik heb er echter wel een discussie over gevoerd en besloten dat hij duurder mag worden.
In de conclusies 12 tot en met 19 schuilt de grootste kritiek. Daaruit blijkt duidelijk dat de informatie uiteindelijk de raad wel heeft bereikt, maar dat ze beter had moeten worden geduid en dat de informatie ook beter in de voordracht had moeten staan. Zo was ik verbaasd om te lezen dat wij in de voordracht hebben besloten tot een metro die in 2009 gereed zou zijn terwijl mij, en ik denk iedereen in de raad, volstrekt duidelijk was dat de metro pas in 2011 zou gaan rijden. Volgens de letter van de voordracht klopte dat niet. Het zijn dingen die beslist beter hadden gemoeten. Als relatief beginnend raadslid in 2002 - ik was een half jaar raadslid - had ik het gevoel dat we in de fractie en ook in de raad ons stinkende best hadden gedaan om alle informatie boven te krijgen. Er waren veel schriftelijke rondes, er is een bezoek aan het projectbureau gebracht en op elke vraag kwam een antwoord. Dit rapport maakt echter duidelijk dat dit niet goed genoeg is geweest. Wij hebben het niet goed gedaan. Wij hadden het toen beter moeten doen.
In conclusie 25 staat dat er minder open einden in de contracten hadden moeten zitten. Natuurlijk had dat het geval moeten zijn. Het is echter interessant om de vraag op te werpen of het project veel duurder is geworden. Ook de heer Manuel riep die vraag in de commissie al op. Zou het afhechten van alle open einden waar ook de commissie naar streeft ertoe hebben geleid dat het project veel goedkoper zou zijn geworden dan het nu is? Of was het misschien duurder geworden? Het was natuurlijk ook voor aannemers volstrekt duidelijk dat dit een zeer risicovol project was. Het was namelijk een van de redenen dat de aannemers risicodomeinen op wilden nemen. Als we dat allemaal hadden willen afdichten, dan hadden we waarschijnlijk ook moeten betalen. Dat neemt niet weg dat wij nadrukkelijk het nadeel zien van de huidige gang van zaken. Door de claims treden zelf weer vertragingen op. Dit is dus alleen een nuancering, maar geen ontkenning van de conclusie.
Pinxteren J. van
Er zijn al een paar zaken voorbijgekomen waarbij ik dacht: ik laat de heer Flos uitspreken. Deze vraag verbaasde me vorige week al toen de heer Manuel haar stelde, maar het verbaast me helemaal dat u haar stelt. Is de lijn veel duurder geworden dan nodig was? Als uit dit rapport blijkt dat er toen zo ontzettend veel zaken niet zijn meegenomen die er allemaal toe leiden dat het project veel duurder is geworden, hoe verhoudt zich dat dan tot de uitspraak ‘krap, maar verantwoord’?
Flos R.E.
Ik heb net al gezegd dat wij conclusie 25, dat het beter was geweest om geen open einden in contracten op te nemen, ondersteunen. Het was beter geweest als er een poging was gedaan om de open einden alsnog zoveel mogelijk dicht te schroeien. Aan de andere kant was het ook duidelijk dat we ze nooit volledig dicht hadden kunnen schroeien, tenzij tegen zeer hoge kosten.
Pinxteren J. van
Ik wil het nog een keer vragen. Erkent u daarmee niet dat als we dat hadden gedaan, het project duurder was geworden en dat de raad het besluit misschien niet had willen nemen? Erkent u daarmee niet dat de vraag: ‘kunt u me vertellen of het project echt veel duurder is geworden dan nodig was?’, een volstrekt loze vraag is?
Flos R.E.
Ik erken dat, als we door waren gegaan met het afhechten van de open einden, we opnieuw voor de vraag hadden gestaan of we er meer geld voor over zouden hebben, zoals ik net in mijn voorbeeld van de aanschaf van een auto voor 12.000 euro in plaats van 10.000 euro aangaf. Daarmee erken ik wat u zegt.
Pinxteren J. van
U hebt antwoord gegeven op mijn vraag, daar hebt u gelijk in. Ik had nog in willen gaan op een vorige opmerking van u, maar dat had ik toen moeten doen.
Drooge A.H. van
Ik vind het dapper van de heer Flos dat hij deze uitspraak doet. Hij kan natuurlijk ook nauwelijks anders, want als u weet dat er als gevolg van de open einden 1500 claims zijn gekomen, dan kunnen we niet anders dan concluderen dat ze het gevolg zijn van de open einden. Ik constateer dat u hiermee een lichte draai hebt gemaakt ten opzichte van de commissie. Ik vind dat heel juist.
Flos R.E.
Ik zeg overigens niet dat de open einden de enige of de allesbepalende factor zijn geweest. Ze waren een belangrijke reden dat het project duurder is geworden. Ik wil u er ook op wijzen dat het gepruts in de bouwput er ook voor heeft gezorgd dat er 100 miljoen euro extra is uitgegeven en dat dit tot extra vertraging heeft geleid. Overigens was er al bij het go-besluit sprake van het niet opnemen van het indexeringsrisico. Dat is ook een belangrijke reden geweest. Ook de indexatie van het project zelf, de prijsstijgingen tijdens het project. Dat en de gestegen VAT-kosten zijn allemaal zaken die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de stijging van de kosten van de Noord/Zuidlijn.
Ik wil nog iets zeggen over de verzekeringen. Het project had niet onverzekerd van start mogen gaan. Dat staat in conclusie 29. Ook dat lijkt evident. De vraag is ook hier: als we het project toen hadden verzekerd, hadden we dan niet de hoofdprijs gevraagd tegen heel onaantrekkelijke voorwaarden? Het is echter duidelijk dat de commissie vindt dat we dat toch hadden moeten doen. Wij nemen dat ter harte.
Drooge A.H. van
Ik heb een vraag aan de heer Flos over de verzekeringen. Als het college de aannemers belooft om het project te verzekeren, dan zult u het toch met mij eens zijn dat, als het college dat niet doet, het naar de aannemers moet stappen met de boodschap dat het project niet wordt verzekerd omdat het te duur is. U kunt niet op twee gedachten blijven hinken.
Flos R.E.
Ik constateer in elk geval dat we hierover in de raad een heel open discussie hebben gevoerd. Ik ben het echter met u eens dat we dat beter ook tegen de aannemers hadden kunnen zeggen.
Er zijn een paar conclusies over de ambtelijke organisatie. Ik heb net al gezegd dat er intern te weinig kritiek is geleverd en als ze werd geleverd, dan werd ze vaak te weinig ter harte genomen. Ik denk dat het belangrijke conclusies zijn die wij alleen maar kunnen onderschrijven, net als de conclusie dat de burgemeester inhoudelijk een zeer beperkte rol heeft gespeeld. Hij heeft ons in de commissievergadering er wel van kunnen overtuigen dat hij zijn zorgplicht, die wettelijk zeer beperkt is, beneden peil heeft ingevuld. Zijn rol was daadwerkelijk zeer beperkt.
De aanbevelingen beschouwen wij als zeer bruikbaar om de problemen die in de conclusies staan verwoord het hoofd te bieden. Wij zullen ze dan ook allemaal steunen, op een na waar ik zo op kom. Een onderwerp waarover ik het wel eens ben met de enquêtecommissie, maar niet met wethouder Gerson, is aanbeveling 5, de onafhankelijke raad van toezicht. Dat is in feite het projectcommissariaat waarvan de heer Veerman voorzitter is. Wij zijn het eens met de opvatting dat in de projectcommissie geen ambtenaren thuishoren. Nu zitten daar de directeur van de Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer en de directeur van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht in. Wij vinden dat ze daar uit moeten. Daar staat tegenover dat het uw organisatie is en dat ze u adviseert. Wij willen u nogmaals vragen: wethouder Gerson, bent u bereid om deze directeuren, die zich volgens u prima thuis voelen en net hun draai gevonden hebben in het commissariaat, toch op grond van de discussie in deze raad, uit de commissie te verwijderen?
In aanbeveling 10 wordt gepleit voor het voorzichtigheidsbeginsel. Baten pas inboeken wanneer zij gerealiseerd zijn. Wij willen hierbij opmerken dat het college gelijk heeft. Als we de manier bekijken waarop het Rijk projecten financiert, dan heeft het heel vergaande consequenties. We vinden dat deze aanbeveling naar de geest moet worden uitgevoerd. Ook het college beoogt dit meen ik. Ik zie de voorzitter van de commissie naar mij knikken, dus ik kan dat alleen maar beamen.
Ook aanbeveling 14 moet genuanceerd uitgevoerd worden. De commissie schrijft daar dat we ervoor moeten zorgen dat mensen die een commercieel belang hebben bij het lang voortduren van een project en bij de voorbereiding zijn betrokken niet erna ook bij de uitvoering zijn betrokken. Men pleit voor een scherpe scheiding tussen ontwerp en uitvoering. Ik denk dat we een evenwicht moeten vinden. We moeten enerzijds de kennis die we hebben ook willen behouden en anderzijds voorkomen dat mensen die een project hebben ontworpen vervolgens worden gedwongen om kritisch naar hun eigen ontwerp te kijken. Daarmee vragen we erom dat het onvoldoende gebeurt.
Daarmee kom ik bij het enige amendement dat ik samen met de SP-fractie wil indienen. Het gaat over aanbeveling 15.1: de rapportage vanuit de projectorganisatie moet rechtstreeks naar de raad gaan. Ook na de discussie die we net met de enquêtecommissie hebben gevoerd, houden de VVD en de SP onverkort vast aan de politieke verantwoording van het college aan de raad. Wij vinden dat de wethouder ervoor moet zorgen dat hij zijn zaken op orde heeft. Hij is verantwoordelijk voor de stukken die hij stuurt. Als een wethouder na dit rapport dergelijke geintjes uithaalt, dan weten we hem wel te vinden. Wij zullen daarom voorstellen om alleen aanbeveling 15.1 niet over te nemen.
Pinxteren J. van
We hadden het er net ook al diepgaand over. Ik wil daarom van u weten of u de volledige aanbeveling 15.1 schrapt of dat u een nuance aanbrengt zoals net ook in het debat met de enquêtecommissie is besproken.
Drooge A.H. van
Ik vind dat de heer Flos een mooie uitspraak doet. Als de wethouder geintjes uithaalt, dan weet ik hem te vinden. Dat klinkt omineus, mijnheer Flos, dreigend. Ik hoop dat we dit in het verdere verloop van het debat nog tegenkomen.
Manuel I.R.
D66 heeft deze vraag zojuist aan de enquêtecommissie gesteld. Wij gingen ervan uit dat aanbeveling 15.1 erop neerkwam dat de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten of de gemeenteraad rechtstreeks geïnformeerd zou worden. Wij zijn daar een groot voorstander van. U klaarblijkelijk niet. De enquêtecommissie liet echter weten dat dit helemaal niet de bedoeling is. De informatiestroom van het projectbureau komt op termijn via het college naar de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten. Als u een amendement indient dat dit beoogt, dan is het overbodig.
Flos R.E.
Wij zijn bang dat de politieke verantwoordingsplicht van de wethouder hiermee wordt ondermijnd. De wethouder wordt niet meer dan een stempelmachine voor zijn ambtelijke organisatie. De facto zal een ambtenaar stukken rechtstreeks naar de raad sturen. Wij vinden dat niet verantwoord.
Manuel I.R.
Dat is het juist. Volgens mij heeft de enquêtecommissie net bij monde van haar voorzitter duidelijk gezegd dat dit niet de bedoeling is. Er moeten geen ambtelijke stukken rechtstreeks naar de commissie gaan. Volgens mij is uw amendement echt overbodig. Misschien moet u de notulen er even op naslaan.
Flos R.E.
Dat denk ik niet. Bovendien heb ik net gezegd dat in de ambtelijke organisatie op verschillende manieren aanpassingen van de stukken plaatsvinden. Waarom zouden wij alleen het laatste stuk willen hebben als het al meerdere veranderingen heeft ondergaan? Dit toont aan dat het beter is om vast te houden aan het uitgangspunt dat de wethouder verantwoordelijk is voor het sturen van stukken. Daar bent u het blijkbaar mee oneens en het CDA ook. We zullen het straks wel merken.
Manuel I.R.
Natuurlijk is de wethouder verantwoordelijk. Het gaat alleen om de informatiestroom. Wij willen graag dat de informatiestroom rechtstreeks naar de commissie loopt. U dus niet. U kunt ook gelijktijdig met de informatiestroom naar de wethouder een rechtstreekse informatiestroom naar de commissie organiseren. Voor de gemeenteraad blijft de wethouder de verantwoordelijke persoon. Dat kan best.
Flos R.E.
Ik heb nog twee opmerkingen. Bij aanbeveling 17 staat dat vertrouwelijke vergaderingen van de raad tot een minimum beperkt moeten worden. Daar ben ik het op zichzelf mee eens, maar het moet er niet toe leiden dat de raad om die reden veel minder geïnformeerd wordt. Daar moeten we voor uitkijken. Als we alleen nog maar de informatie overhouden die we normaal in de reguliere openbare vergaderingen krijgen, dan betekent dat een achteruitgang. Daar moeten we dus een modus voor vinden.
Drooge A.H. van
U weet ook dat de afgelopen jaren veel informatie vertrouwelijk was en wij vooraf informatie kregen voordat ze naar de pers ging. Ik neem aan dat u dat er niet onder wilt laten vallen. Dat is namelijk een verworvenheid die raadsleden de gelegenheid biedt om geïnformeerd te zijn als informatie naar buiten komt.
Flos R.E.
Als het college met nieuwe prognoses naar buiten komt, dan wil ik dat natuurlijk graag van tevoren horen, voordat de pers het hoort.
De allerlaatste kwestie is de vraag hoe we verder gaan met het boren. We hebben de discussie daarover een aantal maanden geleden in de commissie gevoerd. Wij vonden het toen verantwoord om door te gaan met boren. Ook de second opinions die we van drie wijze heren hebben gehad tonen dat aan. We hebben net het debat met de heer Limmen van de enquêtecommissie gehad. Ik denk dat het heel verstandig is om in de discussie in de enige commissie en de enige raad die ons nog rest niet alleen aandacht te besteden aan de inhoudelijke aspecten, maar nadrukkelijk ook aan de vraag hoe we dit aan de burgers communiceren. Het kan niet gaan zoals gisteren bij de Vijzelgracht waar voor het gevoel van mensen opeens werkzaamheden aan de huizen plaatsvinden. We moeten er goed over nadenken en ik wil daarom het college vragen om met een voorstel te komen voor de vergadering van februari waarin u uiteenzet hoe u grootscheeps communiceert voordat u gaat boren, over het boren en over de risico’s ervan. Ik denk dat er, naast wat we tot nu toe al gedaan hebben, nog een schepje bovenop moet. De bewoners die rechtstreeks langs het traject wonen, horen daarbij bijzondere aandacht te krijgen.
Met grote waardering voor de enquêtecommissie en voor het inhoudelijke werk dat zij heeft gedaan, wil ik mijn betoog afsluiten.
Alberts R.
Ik wil een paar vragen aan de heer Flos stellen. Ik heb ze tot het eind bewaard. Eerst iets over aanbeveling 15.1. Wij zijn medeondertekenaar van het amendement. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat raadsleden twee stapels informatie moeten doorwerken, van de wethouder en van de ambtenarij en zelf de verschillen moeten zoeken. Dat proberen we te ondervangen. U begon uw betoog met een lang verhaal over verschillende verantwoordelijken. Het Rijk, de aannemers en allerlei anderen. Eigenlijk zegt u daarmee: er zijn zoveel verantwoordelijken dat we in feite niemand meer kunnen aanwijzen. Daarom wil ik nog een keer expliciet aan u vragen: wat vindt u van de positie van de VVD daarin? Ik verwijs daarbij niet alleen naar het aanlegbesluit met de frase ‘krap, maar verantwoord’, maar ook naar de stappen daarna. U zegt verder dat u het verantwoord vindt om door te gaan naar aanleiding van het rapport-Veerman. Hoe kijkt u daar nu tegen aan? Vindt u dat nog steeds? Of zegt u: als we straks het debat over het boren gaan voeren, dan moeten we ook de mogelijkheid om te stoppen inbouwen? Anders kan ik niet zeggen dat u lering hebt getrokken. Twee vragen dus.
Flos R.E.
Ik zal met de laatste vraag beginnen. Wij hebben al gezegd dat wij het verantwoord vinden om door te gaan met boren. Wij zien echter ook uit naar het debat in februari. Ik heb bovendien gezegd dat ik nog enkele dingen wil weten over het grondonderzoek dat is gedaan. Er zijn natuurlijk second opinions en herbevestigde second opinions van drie wijze heren die heel veel weten van blow outs en van allerlei andere zaken die betrekking hebben op het boorproces. Jetgrouting en dat soort zaken. Wij vinden het voldoende verantwoord om door te gaan. Als De Bijenkorf instort, dan zult u mij niet horen zeggen dat de Noord/Zuidlijn coûte que coûte moet doorgaan. We hebben dan een heel nieuwe situatie die ook een nieuw debat vergt.
Alberts R.
Het gaat er mij niet om dat De Bijenkorf of de Munt instort of dat er ergens een scheur van 1 mm in een gebouw ontstaat. Het gaat erom of u het nog steeds, gezien alle kennis die nu op tafel ligt, verantwoord vindt om door te gaan. Durft u voor het debat over het boren de mogelijkheid open te houden dat de mogelijkheid om niet te boren reëel blijft? Anders is het namelijk een zinloos debat. We moeten daarbij in het achterhoofd houden dat de organisatie nog steeds stuurloos is.
Flos R.E.
Wij hebben in het verleden gezegd dat wij het volste vertrouwen hebben in het besluit dat het boren van start kan gaan. Wij hebben nadrukkelijk een aantal vragen neergelegd voor de commissievergadering van februari en dat betekent dat wij er nog over willen praten. Het zou vreemd zijn om erover te willen praten en al bij voorbaat te zeggen dat hoe dan ook begonnen moet worden met boren. Het moet echter wel duidelijk zijn dat voor ons de seinen die we van buitenaf hebben gekregen op groen staan.
64° Amendement van de raadsleden Flos en Alberts inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (informatievoorziening) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 36)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat het volgende amendement is ingekomen:
64° Amendement van de raadsleden Flos en Alberts inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (informatievoorziening) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 36).
Besluit:
Aanbeveling 15.1 niet over te nemen.
Het amendement maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Pinxteren.
Pinxteren J. van
In dit uitermate gedegen en grondige rapport staan behartenswaardige dingen. De behandeling ervan in de commissievergaderingen vestigde bij mij de indruk dat sommige partijen nog enige zelfreflectie misten. Ik heb dit vorige week ook al gezegd en het bleek ook uit de krant. Ik constateer het nu ook nog bij de VVD. GroenLinks wil daar niet aan meedoen. Ik wil nadrukkelijk uitspreken dat ook mijn partij in de jaren negentig de complexiteit van het project, van de gekozen route door de stad, van de gekozen methode en de mogelijke gevolgen van de financiële afspraak met het Rijk, heeft onderschat. Net als de VVD, D66 en het CDA. De PvdA was vorige week in de commissie en nu ook wel enigszins bereid om terug te kijken naar de eigen rol. Ik heb het al eerder gezegd: de conclusies en aanbevelingen onderschrijven wij geheel. Ik zal ze dus niet allemaal langslopen. Het is van belang dat in de jaren negentig bijna de gehele raad het project graag wilde. Dat ontslaat echter niemand, geen enkele partij, van de plicht om goed na te gaan of datgene wat uiteindelijk wordt voorgelegd een deugdelijk voorstel is. Daarover gaat een deel van de kernconclusie van het rapport, de beroemde conclusie 19: de raad had het voorstel niet mogen nemen. Verschillende partijen in deze raad voelen zich ongemakkelijk bij deze conclusie. GroenLinks vat haar op als: de raad had toen, op dat moment, dat voorstel - dat in het rapport als gebrekkig onderbouwd, te optimistisch, te onvoorzichtig en met te weinig budget wordt omschreven - niet mogen nemen. De raad had beter door moeten vragen, had zich niet onder druk moeten laten zetten en meer van dat soort dingen. Dat is pijnlijk om te lezen, maar het is wel een terechte conclusie. Het wordt begrijpelijker dat het zo gegaan is als we lezen onder welke omstandigheden de raad zijn oordeel moest vellen. Het was een grotendeels nieuwe raad die kort na zijn aantreden een grote hoeveelheid veelal ongeordende, laat aangeleverde en niet-geduide informatie moest beoordelen. Over een flink deel ervan kon niet eens openlijk worden gesproken. Het blijft echter wel degelijk iets wat onwenselijk was en is. In de toekomst moeten we dit niet meer zo doen.
Een ander deel van conclusie 19: ‘het college had het voorstel niet zo mogen voorleggen’, werd vorige week door het college genuanceerd met de woorden die deze dagen erg in zwang zijn: ‘met de kennis van nu.’ Welnu, de fractie van GroenLinks vindt dat een onnodige en onterechte toevoeging. Ook met de kennis van toen had een wethouder die zijn taak serieus nam, die zich verantwoordelijk gedroeg, een dergelijk voorstel - dat in het rapport als gebrekkig onderbouwd, te optimistisch, te onvoorzichtig en met te weinig budget wordt omschreven - niet aan de raad mogen voorleggen. In 2002 waren de financiële consequenties voor de stad vergeleken met het tijdstip waarop de lumpsumafspraak werd vastgelegd al verdrie- of verviervoudigd. Inmiddels - en dat had de wethouder toen ook horen te weten - waren er onaanvaardbaar veel risico’s op het bord van de gemeente terechtgekomen. Het enquêterapport schrijft: “De stelposten en de verschoven risico’s waren zo omvangrijk dat grote overschrijdingen op dat moment al volstrekt onvermijdelijk waren.” Met andere woorden: op dat moment, met de kennis van toen, had het voorstel niet mogen worden voorgelegd. Als het toenmalige college die kennis niet had, en daar zijn heel wat aanwijzingen voor, dan was dat een fout in de opzet. Het is te hopen dat het college hier, net als de raad, lering uit trekt. Ik kom hier later nog op terug. Voor ons gaat deze enquête over deze kernconclusie, maar ook over de gebrekkige organisatie toen en in de jaren erna. Over de fout dat de projectorganisatie na het go-besluit niet werd omgevormd naar een uitvoeringsorganisatie. Over het gebrek aan eigen deskundigheid bij de gemeente. Over de in de wind geslagen adviezen van externen, van de auditcommissie en van de eigen afdeling Concern Financiën en de Financiële Adviesgroep. Kortom: over het blind en doof willen zijn voor kritiek van buitenaf en van binnenuit.
Is het huidige college hier verantwoordelijk voor te stellen? Ja, in de pure staatsrechtelijke zin zeker. Feitelijk, en dat weet ook deze raad, heeft het huidige college van meet af aan alles gedaan om het proces en de organisatie om te vormen van optimisme naar realisme. Een rotte appel oppoetsen, valt echter niet mee. Een gammele tafel rechtzetten, valt niet mee. Een slecht georganiseerd project in het gareel krijgen, is ook een heidens karwei. Ik herinner mij nog heel goed dat in februari 2009, toen wethouder Herrema zich genoodzaakt zag om af te treden, alle woordvoerders Noord/Zuidlijn, van alle zes de partijen, zeiden: hij had van ons niet hoeven af te treden. Hij heeft juist vreselijk zijn best gedaan om alle rottigheid boven water te krijgen. Hij bracht voor het eerst echt realisme in het project. Dat wordt bevestigd door dit rapport.
Drooge A.H. van
Ik was in 2009 ook een van de mensen die hetzelfde zei als u. Nu ik het rapport echter heb gelezen, kan ik me beter voorstellen dat wethouder Herrema toen zei: ik treed af. Nu ik het rapport gelezen heb, kom ik weer een beetje terug op mijn woorden van toen. U kennelijk niet.
Pinxteren J. van
Nee, dat wil ik helemaal niet zeggen. Het is gemakkelijk gezegd, het had niet gehoeven. Ik had waardering en bewondering voor de conclusie die hij volgens mij getrokken had, namelijk: dit loopt zo uit de hand, ik wil duidelijk maken dat ik de verantwoordelijkheid hiervoor niet neem. Ik breng de andere leden in herinnering dat sommige mededelingen nu ernstig lijken af te wijken van de mededelingen in 2009. U zegt dat u er inmiddels op teruggekomen bent. Dat vind ik interessant. Het aftreden van wethouder Herrema in 2009 was voor het college aanleiding om een externe club advies te vragen over de voortgang van het proces en voor de raad, onder aanvoering van GroenLinks en de PvdA, aanleiding om te onderzoeken hoe het zo ver heeft kunnen komen. Daarover gaat de rest van mijn betoog. Ik heb de leerpunten voor de toekomst altijd het belangrijkst gevonden.
Voordat ik daarop inga, wil ik nog even reageren op datgene wat tot nu toe gezegd is over de organisatie van de discussie over het boorproces. Wij hebben een idee over de inrichting ervan. Wij hebben daarvoor een motie opgesteld die we graag willen indienen. In het besluit van de motie staat dat we voor de start van het boren een bijeenkomst willen organiseren over de risico’s van het boren, waarbij het in ieder geval moet gaan over de vertaling van technisch acceptabele risico’s naar maatschappelijk acceptabele risico’s, de gevolgen voor de omgeving et cetera. Deze bijeenkomst en de uitkomsten ervan moeten expliciet toegankelijk gemaakt worden voor een groot publiek opdat zoveel mogelijk Amsterdammers en andere betrokkenen hiervan kennis kunnen nemen. De Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten moet dit in samenwerking met het college zo spoedig mogelijk uitvoeren. Ik hoop dat u de motie straks even rustig kunt lezen.
Alberts R.
U zegt dat dit college gelukkig van meet af aan verbeteringen heeft aangebracht. Hoe kijkt u echter aan tegen de conclusies 27, 28, 31 en 32? Daarin staat ronduit - ik vat het even samen - dat het ook in deze periode nog een rommeltje was. U zou het ook stuurloos kunnen noemen. Ten tweede: waarom zegt u niets over de onderhandelingen, voordat het college van start ging? U zegt dat het college na zijn aantreden aan de slag is gegaan, maar ik had liever iets over de periode daarvoor willen horen. U bent in het college gestapt en hebt het hier helemaal niet over gehad. Dat had ik graag van u gehoord. Misschien kunt u daar een toelichting op geven.
Pinxteren J. van
Op de eerste plaats is het niet mijn hoogste doel om aan uw wensen te voldoen. Op de tweede plaats wil ik wel proberen om er antwoord op te geven. Ik waardeer het zeer dat een nieuw college bij een ingewikkelde zaak die voorligt, waarvan duidelijk is dat er heel veel zaken spelen waar geen vinger achter is te krijgen, snel, maar wel goed inventariseert wat er aan de hand is voordat het een plan van aanpak ontwikkelt. Ik ben blij dat een nieuw college niet te werk gaat op de manier waarop veel journalisten te werk gaan. We hebben de klok horen luiden, we rammen het in de krant en we zien wel of het klopt. Ik kijk er anders tegen aan dan u. Ik ben ervan overtuigd dat de raad zo snel als het kon is ingelicht over de stand van zaken. Alles wat geïnventariseerd was als niet kloppend en wat extra kosten opleverde, is toen aan de raad voorgelegd. Dat was voor de zomer van 2006. Ik vind dat absoluut een acceptabele manier van werken.
Alberts R.
In de conclusies staat echter dat tot 2008/2009 het project, samengevat, nog steeds stuurloos is. U zegt dat het vanaf 2006 goed gaat, maar het is nog steeds niet in orde. Hebt u er vertrouwen in dat het besluit dat u naar aanleiding van het rapport-Veerman hebt genomen het juiste besluit is, met deze conclusies in de hand?
Pinxteren J. van
Ik heb in deze conclusies niet gelezen dat ze betrekking hebben op de besluitvorming over de commissie-Veerman. Daar gaat dit rapport niet over. U zegt dat het project ook na 2006 nog stuurloos was. Dank je de koekoek als er zoveel verkeerd is gegaan in alle daaraan voorafgaande jaren. Wat u vraagt, is volgens mij onmogelijk. Ik kan u er daarom geen bevredigend antwoord op geven. Dat was ik ook niet van plan. Bovendien ben ik uw vraag alweer kwijt.
Alberts R.
Ik concludeer dus dat u besloten hebt om met een stuurloos project door te gaan. Dat vind ik heel erg treurig om te constateren.
Pinxteren J. van
Een project is niet per definitie stuurloos als er nog steeds een grote hoeveelheid mankementen en tekortkomingen in de organisatie is. Het allerbelangrijkste is het bewustzijn dat daaraan iets gedaan moet worden. Dat bewustzijn was er. Er is ook ruimschoots en ruimhartig met de raad over gesproken. Ik breng u de mededeling van zes woordvoerders - ‘het had niet gehoeven’ - in herinnering. Dat is geen vorm van stuurloosheid. Het allerbelangrijkste is dat we zaken op de rails krijgen en niet om met grote woorden te schermen zoals u doet, want daarmee krijgen we geen zaken op de rails.
Drooge A.H. van
Ik vind de woorden van mevrouw Van Pinxteren over het huidige college, dat het er alles aan gedaan heeft, erg roerend. U zegt ook dat u alle conclusies van de commissie onderschrijft. In de conclusies 27 en 28 staat niet dat het college dit niet van plan was. Niemand twijfelt eraan dat dit college geweldig goede plannen had. Er staat letterlijk dat er ‘sprake was van beïnvloeding van de beeldvorming, meermaals met medeweten van de portefeuillehouder’. Er staat ook dat de financiële beheersing tot 2008/2009 ondermaats is gebleven. Dat is twee tot tweeënhalf jaar na het begin van de collegeperiode. Als u zegt dat het goede bedoelingen had, dan ben ik het daarmee eens. Maar na tweeënhalf jaar is dat te weinig. Ik ben het met u eens dat er een chaos bestond. Hebben wij hier een wethouder Noord/Zuidlijn gehad die wist dat er een groot verlies dreigde en zei: ik ga er van nu af aan voor zorgen dat het goed komt? Er was een heleboel aan de hand. U kunt dit niet blijven verdedigen. Aan de ene kant zegt u dat u de conclusies omarmt en aan de andere kant zegt u: maar het huidige college deed het goed. Dat begrijp ik niet.
Pinxteren J. van
Ik probeer u uit te leggen dat een college niet van de ene dag op de andere dag zoveel kan veranderen. Dat zou geen enkel college kunnen en dat zou ook uw partij niet kunnen, mocht het u ooit gegeven zijn om in deze stad een dermate belangrijke rol in het college te spelen. Het is erg aardig dat u zich allemaal gesteund denkt te weten door dit enquêterapport. Ik lees het er niet in. Als u naar incidenten kijkt, dan kunt u zeggen dat ze niet hadden mogen gebeuren. Wij hebben er ook altijd met het college over gediscussieerd. GroenLinks vindt het niet interessant om te blijven roepen dat het college het verkeerd heeft gedaan omdat de omslag van optimisme naar realisme in de feitelijke uitvoering en in de kostenbeheersing niet zichtbaar gerealiseerd is. We kunnen er nog lang over discussiëren, maar ik ben het gewoon niet met u eens.
Alberts R.
Wat vindt u dan van het besluit naar aanleiding van de commissie-Veerman? U zegt: het haalt je de koekoek dat de chaos in een keer is opgeruimd. Natuurlijk, maar dan legt u toch niet op basis van de chaos die nog steeds niet is opgeruimd een dergelijk besluit aan de raad voor? U kunt dan toch niet tegen de raad zeggen: laten we alsjeblieft doorgaan met boren, net als in 2002 is gebeurd? Daar is toch ook lering uit getrokken?
Pinxteren J. van
Ik heb u net al gezegd dat het enquêterapport niet ingaat op de commissie-Veerman. Deze enquêtecommissie heeft geen oordeel over de commissie-Veerman gegeven. Alle fouten in de organisatie, in het project en het overzicht in het verleden zijn beoordeeld. Er zijn zaken bij die ook goed geregeld moeten zijn om het boorproces goed uit te voeren. Dat ben ik met u eens. De commissie-Veerman heeft het boorproces als zodanig beoordeeld. Zij heeft, gevoed door adviezen van niet de minste deskundigen, geadviseerd dat het kan. Dat is voor mij nu het uitgangspunt. Daar gaat deze enquête niet over. Het is interessant om bij een discussie die we nog gaan voeren van u te horen wat uw alternatieven zijn. Ik meen te weten wat die zijn.
Alberts R.
Onze alternatieven hebben wij bij de behandeling van het rapport-Veerman ingediend. Ze zijn weggewuifd, maar goed, ze waren er wel. Waarom kwam u met dat voorstel om door te gaan? U zegt dat u bij de behandeling van het rapport-Veerman op basis van alle adviezen hebt besloten om door te gaan. U stelt nu voor om een expertmeeting te houden. Wat moet daarin gebeuren? Ik begrijp het niet. Vertrouwt u het stiekem toch niet?
Pinxteren J. van
Dit is interessant. In uw laatste bijzinnetje maakt u duidelijk dat het u niet interesseert wat ik ermee bedoel. De motie gaat juist over de interpretatie van de aanbeveling van de enquêtecommissie waarover wij in de afgelopen vergaderingen veel heen en weer hebben gesproken. Het gaat om de vertaalslag van datgene wat in de technische rapporten staat en wat de heer Limmen in de eerste sessie zo mooi uitlegde. In de technische rapporten staan termen waarvan de burger niets begrijpt of waaraan hij geen boodschap heeft. Wij willen een debat over de vertaalslag van de technische risico’s naar wat we de echte wereld zouden kunnen noemen. Daar gaat het om. Het heeft niets te maken met het uitsluiten van opties of mogelijkheden. Dat zullen we zien.
Manuel I.R.
Ik wil u graag nog een vraag stellen. In het rapport staat beschreven wat er in de afgelopen jaren, ook de recente jaren, gebeurd is. U zegt eigenlijk dat voor GroenLinks de positie van wethouder Herrema absoluut niet in het geding was geweest als hij hier nu nog had gezeten.
Pinxteren J. van
Dat heb ik al gezegd. Ik heb al gezegd dat ik constateer dat in 2009 iedereen om het hardst riep dat wethouder Herrema niet had hoeven aftreden. Wethouder Herrema zelf zag zich genoodzaakt om afscheid te nemen. Ik constateer dat dit in zekere zin uw situatie iets ingewikkelder heeft gemaakt, want nu weet u niet zo goed op wie u uw pijlen moet richten. Het zou heel goed kunnen dat ook wij tot een andere conclusie waren gekomen als zijn vertrek nog aan de orde was. Dat is echter niet aan de orde.
Manuel I.R.
Ik trek dan toch voorzichtig de conclusie dat u het meer met de heer Van Drooge eens bent dan u wilt toegeven.
Pinxteren J. van
Ik kan wel vaker uw soms snelle en soms trage conclusies niet volgen. Laat ik ook nu maar zeggen dat ik niet snap wat u bedoelt.
Pinxteren J. van
Dat weet ik. Dank u.
Ik wil overgaan naar de verbeterpunten uit deze enquête. GroenLinks ziet in het enquêterapport niet alleen de bevestiging van de juistheid van haar eigen keuze in 2002, maar ziet vooral ook verbeterpunten voor de toekomst. Voor ons was dat ook een zeer belangrijk doel. Inmiddels is er al veel verbeterd in de projectorganisatie van de Noord/Zuidlijn, maar zeker nog niet alles. Het is belangrijk dat het college de implementatie van de aanbevelingen goed uitwerkt en daarbij tijdig aan de raad rapporteert en de raad erop laat reageren en erbij betrekt. Wethouder Gerson heeft vorige week in de commissie al toegezegd om eerder en vaker tussentijdse rapportages te willen verschaffen dan u in uw schriftelijke reactie uit begin januari liet weten. De PvdA zei ook al dat daarbij gedacht kan worden aan vormen die eerder gebruikt zijn bij het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam. Of het nu die vorm wordt of een andere, het lijkt ons belangrijk om afspraken te maken over de tussentijdse rapportages. Het gevoel van urgentie bij de raad, maar vooral bij de nieuwe dienst, om de zaak op orde te krijgen, is dan groter.
Ook de raad heeft inmiddels veel geleerd van het proces bij de Noord/Zuidlijn, of we nu willen of niet. Ikzelf heb er de afgelopen jaren in elk geval veel van geleerd. De raad heeft bij de Zuidas – ik noem maar een groot project – wel degelijk de tijd genomen en gelukkig ook gekregen, er werd ook in voorzien, om ons meer erin te verdiepen. We wilden dat en het is ook gebeurd. We hebben daarbij al gewerkt in de geest van aanbeveling 16 over het versterken van de kennisinfrastructuur van de raad. Het was weliswaar geen infrastructuur, maar een ad-hocregeling. Het was niettemin een zeer uitvoerig proces en we hebben veel deskundigen gehoord. Het is wel jammer dat een flink deel van ons onderzoek van toen inmiddels achterhaald is doordat de omstandigheden voor het project achterhaald zijn en er nog geen definitief voorstel is. Van de gemeenteraad kan niet verwacht worden zoiets elke keer zo intensief als bij de Zuidas te doen. Ik ben ervan overtuigd dat wij er een betere methode voor kunnen afspreken. Ik vind het daarom belangrijk dat wij voor de raad de ruimte creëren om in vrijheid en met zoveel mogelijk kennis beslissingen te nemen. Daarom heb ik een motie opgesteld.
In deze motie vragen wij om voor de raad de zekerheid te organiseren dat er tijd en geld is om een projectvoorstel onafhankelijk te toetsen. Ik heb daarbij gedacht aan een grens van 100 miljoen euro. Een project dat duurder is, zouden we een groot project kunnen noemen. We zouden daarbij uit kunnen gaan van een deelbudget van 1‰ van het projectbudget dat het college in de voordracht aan de raad op moet nemen. De snelle rekenaar onder u begrijpt dan dat de raad bij een project van 100 miljoen euro 100.000 euro ter beschikking heeft om een eigen onafhankelijke toets te doen. Die toets moet een aantal zaken omvatten: de kengetallen die aan het project ten grondslag liggen, de onderliggende scenario’s in de businesscase, de planrisico’s, de bouwrisico’s en de juridische risico’s. Allemaal zaken die u uit dit rapport hebt kunnen leren. Dit heeft natuurlijk iets te maken met de inmiddels bekende regeling Risicovolle projecten. Ik wil u verzoeken om het college op te dragen om nader uit te werken hoe de relatie daarmee wordt en deze uitwerking uiterlijk in mei 2010 te leveren. De mogelijkheid bestaat dat het college zal aanvoeren dat een concreet project niet zo risicovol is dat een toets door de raad nodig is. De bewijslast daarvoor ligt bij het college. Het kan bijvoorbeeld zijn dat er al in een andere wijze van toetsing is voorzien of dat het weliswaar in financiële zin een groot project is, maar een laag risico bevat. Andersom kan ik mij ook voorstellen dat een project van 80 miljoen euro een hoog risico in zich bergt. In de toelichting wordt een aantal mogelijkheden genoemd om dat uit te werken. Het is een lang verhaal. Wij hebben vandaag de tijd om ernaar te kijken. Ik hoop dat u dat doet.
Tot slot wil ik met u praten over de lering die GroenLinks nog meer trekt. Namens GroenLinks wil ik nogmaals zeggen dat ook mijn partij in de jaren negentig net als vrijwel alle andere partijen de complexiteit van het project en van de gekozen route, de gekozen methode en de mogelijke gevolgen van de financiële afspraak met het Rijk hebben onderschat. Er waren natuurlijk partijen die helemaal geen metrolijn wilden. Wij hoorden daar niet bij en wij horen daar nog steeds niet bij. Ik wil er echter ook op wijzen dat wij in 2002, op basis van een zorgvuldige bestudering van de stukken, de punten konden aanwijzen die buiten haken waren gezet of waren genegeerd. In 2002 noemden wij andere punten waarvan ons gezond verstand zei: dit ziet er absoluut niet goed uit. De echte onderliggende fouten hebben ook wij in hun volle omvang nu pas in het enquêterapport gelezen. Laat dat de les zijn die de raad wil leren: zo nooit weer. Neem jezelf als raad serieus en blijf kritisch. Ik hoop dat de motie over de finale toets door de raad daarbij een goed instrument is.
65° Motie van het raadslid Van Pinxteren inzake budget raadstoets voor grote projecten (Gemeenteblad afd. 1, nr. 37)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende moties zijn ingekomen:
65° Motie van het raadslid Van Pinxteren inzake budget raadstoets voor grote projecten (Gemeenteblad afd. 1, nr. 37).
Besluit:
- het college op te dragen in een voordracht aan de raad over een project boven 100 miljoen euro een deelbudget van 1‰ van het projectbudget ter beschikking te stellen aan de raad om een eigen onafhankelijke toets op het projectvoorstel te laten uitvoeren, tenzij er goede redenen worden aangevoerd om het in een concreet geval niet te doen;
- de toets die ten behoeve van de raad wordt uitgevoerd dient ten minste te omvatten het toetsen van de kengetallen, de onderliggende scenario’s in de businesscase, de planrisico’s, de bouwrisico’s, de juridische risico’s en de kosten en baten van de af te sluiten verzekeringen. Daarnaast dient een advies te worden gegeven over de door het college ingerichte of in te richten projectorganisatie;
- het college op te dragen een nadere uitwerking te maken voor de wijze waarop deze toets door de raad wordt gerelateerd of opgenomen in de regeling Risicovolle projecten;
- deze uitwerking zo spoedig mogelijk voor te leggen aan de raad, uiterlijk in mei 2010.
66° Motie van de raadsleden Van Pinxteren en Geurts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (debat risico’s boorproces) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 38)
Willemse H.
66° Motie van de raadsleden Van Pinxteren en Geurts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (debat risico’s boorproces) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 38).
Besluit:
- voor de start van het boren een bijeenkomst te organiseren over de risico’s van het boren waarbij het ten minste moet gaan over de vertaling van technisch acceptabele risico’s naar maatschappelijk acceptabele risico’s, de gevolgen voor de omgeving als de risico’s zich daadwerkelijk voordoen, de maatregelen die worden genomen als de risico’s zich voordoen, en de gevolgen die dit kan en moet hebben voor de verdere voortgang van het boorproces;
- deze bijeenkomst en de uitkomsten ervan expliciet toegankelijk te maken voor een groot publiek opdat zoveel mogelijk Amsterdammers en andere betrokkenen hiervan kennis kunnen nemen;
- de raadsleden van de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten de opdracht te geven deze bijeenkomst voor te bereiden in samenwerking met het college.
De moties maken deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Alberts.
Alberts R.
Voor de SP-fractie is dit het allerbelangrijkste debat in de raad, dit debat over de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn. Nog afgezien van het onderwerp gaat het om de geloofwaardigheid van de politiek. Om de vraag in hoeverre de politiek in de gaten heeft dat, als er fouten worden gemaakt, dit ronduit moet worden toegegeven en dat er daarna naar gehandeld wordt. Er zijn nu drie bijdragen geweest, maar ik durf in twijfel te trekken of ze heel veel lering uitstralen. Amsterdammers kennen niet alle ins en outs van het Noord/Zuidlijnproject. Ook nu ging het in het debat weer regelmatig over heel veel details. Wat Amsterdammers wel weten en wat ze vinden, is dat ze zijn opgezadeld met een gigantisch project waarvoor ze tot in lengte van jaren moeten bloeden. Het is namelijk nog lang niet af en nog lang niet afbetaald. Zij zullen dus regelmatig van het stadsbestuur, welk bestuur er ook zit, want het gaat lang duren, te horen krijgen dat het geld op is. Er is geen geld om bepaalde beslissingen te nemen. Daarover wordt hier gesproken. Amsterdammers weten: het is te duur, we zijn ermee opgezadeld, het is er misschien wel door een groepje hobbyisten doorheen gedrukt. Vervolgens zeggen ze: ze doen ook maar, wat wij er ook van vinden. De Partij van de Arbeid zegt nu zelfs dat 48% van de Amsterdammers vindt dat we door moeten gaan. Ik vind dat nog steeds een minderheid. Ik kan maar tot de helft tellen. Het gaat ook om de manier waarop er destijds met het referendum is omgegaan. De meerderheid van de opgekomen kiezers vond dat we de lijn niet moesten aanleggen. Maar nee, we kwamen met de spelregels van het referendum op de proppen en de uitkomst was dat we toch gewoon konden doen wat we wilden. Het gegoochel met cijfers blijkt ook bij dit project. Dat blijkt wel uit het dikke rapport van 470 pagina’s. Al de verschillende colleges hebben verschrikkelijk goed met de cijfers gegoocheld. De geloofwaardigheid van het project staat ter discussie. Amsterdammers trekken zich terug vanwege de manier waarop de politiek ermee omgaat. Ik vind dat zorgwekkend. Als mensen de politiek links laten liggen, dan kan de democratie het wel schudden. Ik vind dat een belangrijke constatering waarvan ik het besef hier in deze zaal niet heb ervaren. Noch van het college, noch van de partijen die ik tot nu toe gehoord heb. We gaan lekker in op de details, we kijken lekker naar de toekomst, maar hoe gaan we er nu mee om? Daar gaat het om. Ik heb nog geen enkel fatsoenlijk geluid gehoord in de trant van: als ik dit allemaal had geweten, we zijn dom geweest door met het rapport-Veerman in te stemmen en maar door te denderen. Dit om te beginnen.
Het besluit had niet aan de raad mogen worden voorgelegd. Ik vind dit een heel belangrijke conclusie. De enquêtecommissie is er heel duidelijk over en de conclusie staat als een huis. Wat deed het college echter? Er is een nieuwe bezweringsformule in ons land. Wat er ook gezegd wordt, we plakken ervoor: met de kennis van nu. Vervolgens praten we dan weer over de toekomst. Daar koop ik niets voor. Vorige week heb ik het college tot vandaag de tijd gegeven om met een beter verhaal te komen. Er was toen namelijk kennis, heel veel kennis. Toen speelde echter wensdenken een grote rol. Daar moet u het eens over hebben. Wij wilden de Noord/Zuidlijn heel graag. We wisten dat we gigantische risico’s namen, maar we wilden de lijn zo graag. U moet zich nu niet verstoppen achter de stelling: wat in het rapport staat, is de kennis van nu. Nee, toen was er al het een en ander bekend. Het een en ander? Er waren bergen papier voorhanden. Is het college nu van plan om de conclusie uit het rapport over te nemen zonder de toevoeging ‘met de kennis van nu’? Ik vind overigens dat dit ook nog een keer door de raad moet worden onderschreven. Ik heb een motie. Als het college de toevoeging ‘met de kennis van nu’ handhaaft, dan doet het daarmee geen recht aan de bevindingen van de enquêtecommissie.
Dan de zorgplicht van de burgemeester. Ook hier is al heel veel over gezegd. Vorige week gaf de burgemeester als antwoord: voor de Noord/Zuidlijn heeft de term ‘zorgplicht’ nooit een rol gespeeld. Ik vat dat op als: daar komt u nu pas mee. De SP-fractie vond dat zacht gezegd nogal flauw. Ik heb de burgemeester gevraagd of hij vindt dat hij zijn zorgplicht heeft verzaakt. Ik wil die vraag nogmaals voorleggen, iets anders geformuleerd, maar wel met dezelfde strekking. Vindt de burgemeester dat hij hoeder is geweest van de kwaliteit van de besluitvormingsprocessen zoals in de brief van minister Ter Horst staat? De enquêtecommissie is namelijk duidelijk. Zij schrijft dat het college van B en W bij herhaling fouten heeft gemaakt bij de voorbereiding, de besluitvorming en de uitvoering van het proces Noord/Zuidlijn. Dat is dus dezelfde besluitvorming waar minister Ter Horst het in haar brief over heeft. Ik herhaal de vraag daarom nog een keer. Vindt de burgemeester dat hij hoeder is geweest van de kwaliteit van het besluitvormingsproces?
Verder wil ik nog een opmerking maken over de informatievoorziening aan de enquêtecommissie. Ik vind het ronduit schokkend om te moeten lezen hoe de informatievoorziening in zijn werk is gegaan. De voorbeelden ervan kunt u lezen op de pagina’s 373 tot 376. Wij concluderen eruit dat de enquêtecommissie is tegengewerkt. Dat heeft in onze ogen helemaal niets te maken met datgene wat wethouder Gerson vorige week zei, namelijk dat het college drie heren moest dienen. Informatie verstrekken aan de commissie-Veerman, aan de nieuwe wethouder en aan de enquêtecommissie. Sorry hoor, maar volgens mij hebben we daar al een tijdje geleden kopieermachines voor uitgevonden. De commissie-Veerman werd echter op haar wenken bediend, de wethouder werd op zijn wenken bediend en de enquêtecommissie kon wachten totdat zij een ons woog. Ik zou me zelfs zomaar kunnen voorstellen dat er helemaal geen enquêtecommissie was geweest. Hoe moet een commissie in godsnaam haar werk doen als zij geen informatie krijgt? Ik zou bijna zeggen dat men de sleutel heeft gekregen met de mededeling: zoek het zelf maar op. Ik vind dat echt tegenwerken. Wij scharen deze informatiesabotage onder de verantwoordelijkheid van het hele college. Heeft de burgemeester op dat vlak zijn gewicht in de strijd gegooid om het een en ander goed te laten verlopen? Graag antwoord op die vraag.
Ik heb nog een derde opmerking, over de werkwijze van het huidige college. Onze conclusie is dat het huidige college, ondanks de formule in het coalitieakkoord die we later ook hoorden - van optimisme naar realisme - gewoon op de ingeslagen weg is doorgegaan. Ik kan een lange lijst voorbeelden uit het rapport opnoemen, maar de conclusies 26, 27 en 28 zijn er toch heel duidelijk over. We hebben er net in een aantal interruptiedebatjes al over gesproken. Het besluit op basis van het rapport-Veerman is genomen. Wij hebben al vanaf het eerste begin gezegd dat een besluit op grond van het rapport-Veerman moest wachten tot de uitkomsten van de enquêtecommissie bekend waren. Dat is niet gelukt en als we kijken naar de informatievoorziening, dan krijgt dat ook een extra lading. Er komt een debat over het boren. Voor ons is dat een zeer belangrijk debat, juist omdat we de keiharde feiten van het enquêterapport in handen hebben. Het moet wel een open debat worden. Alle conclusies moeten mogelijk zijn, want anders is het zinloos. We moeten de conclusie van de commissie-Veerman, namelijk: ‘doorgaan met boren’, durven loslaten. De SP heeft tegen het rapport gestemd. Wij hebben de conclusie ervan niet overgenomen. Durven anderen dat ook? Het project is namelijk nog steeds stuurloos. Op grond daarvan mocht de raad dus geen enkel besluit worden voorgelegd. Nog steeds mag dat besluit niet aan de raad worden voorgelegd. Eerst moet alles op orde zijn: de getallen en de organisatie. De raad moet niet willen dat er besluiten worden voorgelegd. Daarover hebben wij een tweede motie. Wij vragen daarin om een onafhankelijke commissie een berekening te laten maken van de kosten van de Noord/Zuidlijn, aanleg, materiaal en noem maar op, exploitatiekosten en een waarschijnlijke datum waarop het rijden volgens de dienstregeling Noord/Zuidlijn een aanvang neemt.
67° Motie van het raadslid Alberts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (conclusie 19) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 39)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende moties zijn ingekomen:
67° Motie van het raadslid Alberts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (conclusie 19) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 39).
Besluit:
Is van oordeel dat met de door het college toegevoegde woorden ‘met de kennis van nu’ aan conclusie 19 van het rapport van de enquêtecommissie geen recht gedaan wordt aan de bevindingen van de enquêtecommissie.
68° Motie van het raadslid Alberts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (onafhankelijke commissie) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 40)
Willemse H.
68° Motie van het raadslid Alberts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (onafhankelijke commissie) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 40).
Besluit:
Een onafhankelijke commissie een berekening te laten maken van de kosten van de Noord/Zuidlijn (aanleg, materiaal, et cetera), exploitatiekosten en een waarschijnlijke datum waarop het rijden volgens de dienstregeling Noord/Zuidlijn een aanvang neemt.
De moties maken deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Van Drooge.
Drooge A.H. van
Het is goed dat de raad het initiatief heeft genomen tot deze enquête. De voortdurende problemen vroegen er natuurlijk ook om. Laten we één ding echter nog even goed voor ogen nemen. De enquête kijkt terug. Natuurlijk zullen wij de wijsheid die we uit deze enquête opdoen, inzetten bij het verder kijken. Vooral wanneer binnenkort de risico’s van het boren nog in deze raadsperiode in de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten aan de orde komen. Op dit moment kijken we terug. De inkijk die de enquêtecommissie de Amsterdammers en ons geeft, is onthullend en ontstellend. Het definitieve besluit tot aanleg was fout. Dat kunnen we rustig stellen. Het besluit is namelijk op grond van verkeerde informatie genomen. Daarna struikelden we verder van tegenvaller naar incident. De belangrijkste conclusies van de enquêtecommissie zijn ten eerste dat het college in de gehele onderzochte periode bij herhaling grote fouten heeft gemaakt bij de voorbereiding, de besluitvorming en de uitvoering. Ik concludeer daarbij dat het project organisatorisch en financieel dom, flagrant dom is aangepakt. Ten tweede hebben opeenvolgende colleges geprobeerd om de feiten te verhullen door de raad, en daarmee iedereen, selectief, onjuist en soms verkeerd te informeren. Daarmee heeft het college herhaaldelijk niet voldaan aan de wettelijke actieve en passieve informatieplicht. Daardoor kan de raad zijn controlerende rol niet vervullen. Ook bestuurlijk zijn er dus fouten gemaakt.
Amsterdam zou 350 miljoen euro betalen en de teller staat nu op 2100 miljoen euro. Een overschrijding van 500 tot 600%. Het komt erop neer dat wij per Amsterdammer ongeveer 2500 euro aan extra kosten moeten neertellen. In de komende jaren moeten de Amsterdammers dat opbrengen. Hoe kan de wethouder Financiën dat verantwoorden? Voor alle duidelijkheid: een belangrijk deel van deze kosten had vermeden kunnen worden. Als er fatsoenlijke contracten waren afgesloten. Als men eerlijk was geweest over de te verwachten kosten. Dan was de lumpsumregeling namelijk in een ander licht komen te staan. Dit en het herhaaldelijk draaien bij overschrijdingen wijst voor het CDA op een onverantwoorde omgang met het besteden van publiek geld en minachting van de raad. Daarvoor betalen de Amsterdammers een hoge prijs. In het licht hiervan was de CDA-fractie stomverbaasd toen het college vorige week woensdag aangaf de conclusies van het eindrapport in feite helemaal niet te onderschrijven. Het hulde zich in formuleringen in de passieve vorm zoals: er is veel fout gegaan, er waren tegenslagen. De boodschap was: dat konden wij toen niet weten. Alle partijen in de raad hebben gezegd dat datgene wat de enquêtecommissie zwart op wit vastlegt duidelijk is. We onderschrijven dat allemaal. Het is dus onzin. Wil het college werkelijk beweren dat een bestuurder een paar jaar geleden niet kon weten dat de raad actief moet worden geïnformeerd? Dat het niet zuiver is om de beeldvorming te beïnvloeden? Dat het onverstandig is om bij risicovolle projecten alle risico’s van aannemers over te nemen in ruil voor een lagere inschrijvingsprijs? We wisten dat ze meer geld vroegen. Het CDA is van mening dat het college dit niet serieus kan blijven beweren. Bestuurders die grote fouten hebben gemaakt en die vervolgens hebben geprobeerd de dramatische consequenties van die fouten te verhullen. Dat gaat niet. De opeenvolgende wethouders hebben zich wat ons betreft afwachtend, passief gedragen, om het woord ‘amateuristisch’ maar niet te gebruiken. Er is slecht toezicht gehouden, ondanks alle tegenvallers.
Ja, mevrouw Van Pinxteren, het CDA zat in het vorige college. Dat college heeft zich ook daaraan schuldig gemaakt. Ik ga daarvoor niet opzij. Het huidige college draagt er politieke verantwoordelijkheid voor. Dat beginsel kennen we allemaal. Er is maar één college. Ook het huidige college heeft zich er in ernstige mate aan schuldig gemaakt. Ook onze burgemeester had de afgelopen tien jaar in de visie van mijn fractie zijn positie en ervaring moeten gebruiken, zeker toen colleges herhaaldelijk niet voldeden aan de actieve informatieplicht aan de raad. Een burgemeester heeft wettelijk de mogelijkheid om zijn rol marginaal in te vullen. Dat weet de burgemeester. Het CDA blijft erbij dat deze houding uitgerekend bij dit project niet juist was. De burgemeester had niet op gepaste afstand moeten blijven staan. Het college heeft met dit gedrag de Amsterdammers in de kou laten staan.
Daarnaast vindt het CDA een juiste bestuurlijke omgang met ambtenaren van belang. Ambtenaren moeten objectieve informatie leveren. Een politicus die aan een ambtenaar vraagt om een gesnoeide prognose zoals onder dit college is voorgekomen, dwingt die ambtenaar om te liegen tegen de raad. Dwingt de ambtenaar om een misdaad te plegen. Of dat snoeien daadwerkelijk is gebeurd of niet, is een tweede. Op de eerste plaats staat dat een wethouder zoiets niet mag vragen. Het wekt de indruk dat verdoezelen en liegen mag als er een politiek doel mee wordt gediend. Dat kan niet. Het leidt tot corrumpering van ambtenaren. Dat is rampzalig. Dat wethouder Gerson vorige week in de commissie zei een dergelijke opdracht als een normale gang van zaken te beschouwen, vindt de CDA-fractie onbestaanbaar. De fouten bij de Noord/Zuidlijn hebben zich kunnen voordoen in een bestuurlijke cultuur die zich kenmerkt door onderschatting van dit project en overschatting van zichzelf. Dat is een tamelijk desastreuze combinatie.
Garde M.C. van der
Ik heb nog een vraag over uw fractie zelf, maar misschien komt u daar nog op. Ik zal mijn vraag daarom aan het slot stellen. De woorden ‘verdoezelen’ en ‘liegen’ waartoe een wethouder ambtenaren zou aansporen, vormen geen conclusie uit het enquêterapport. Kunt u uitleggen hoe u tot die conclusie komt?
Drooge A.H. van
Ik kom ertoe omdat de wethouder aan een ambtenaar vraagt om een gesnoeide prognose. Daarmee vraagt hij aan een ambtenaar om zijn prognose te veranderen. Dat noem ik verdoezelen. Daarmee is de informatie die van de betrokken ambtenaren naar de raad gaat, gesnoeid. Er zijn dus dingen uitgehaald, mevrouw Van der Garde. Ik noem dat verdoezelen. Ik vind dat zoiets niet kan.
Vertrouwen begint met eerlijk toegeven dat er fouten zijn gemaakt. Dat is iets anders dan dat dingen niet goed zijn gegaan, dat er tegenslagen waren. Voor het vertrouwen van de burger in de politiek is het funest als de politiek eromheen draait. Mevrouw Alberts zei het net ook al. De bestuurlijke reactie van het college op het rapport maakt duidelijk dat dit college eigenlijk nog niets van het rapport heeft geleerd. Wie zijn fouten probeert te verdoezelen, wie fouten niet toegeeft, college, kan ook niet van zijn fouten leren. Als er in de afgelopen twintig jaar één moment daarvoor is geweest, dan is het dit moment.
De CDA-fractie vindt het volledig en juist informeren van de raad van groot belang. De raad heeft het budgetrecht. De raad gaat over de financiën. Het college dient de raad altijd te informeren over belangrijke, afwijkende adviezen over wezenlijke financiële risico’s die het loopt. Het college heeft dat niet gedaan bij de discussie met De Nederlandsche Bank over de verzekeringen en evenmin bij de prognoses bij het besluit tot aanleg. Vorige week heeft wethouder Asscher mij versteld doen staan toen hij als wethouder Financiën zei dat hij niet van plan was om de raad te informeren over zwaarwegende negatieve of afwijkende financiële adviezen die hij bij voorstellen van het college krijgt. Daarmee tast hij de positie van de raad aan. Ik wens niet mee te doen in een gemeenteraad die wordt gereduceerd tot applausmachine. Ik heb dit inmiddels ook op AT5 gezegd. Ik wil mij nadrukkelijk tot mijn collega’s in de raad richten. De enquêtecommissie bestaat uit collega-raadsleden uit vrijwel alle partijen. Als parttimers hebben zij enorm veel energie en tijd besteed aan dit rapport. Het is een voortreffelijk en belangrijk rapport. Het gaat er nu om wat wij met de conclusies doen. Vindt de raad het toelaatbaar dat onze collega-raadsleden met deze beantwoording van het college in feite aan de kant worden gezet?
Ik kom nog even terug op de laatste 45 pagina’s van het rapport. Ze geven wat ons betreft een onthullend staaltje bestuurscultuur weer. Het college laat in de briefwisseling met de enquêtecommissie zien dat het een verkeerd inzicht heeft in vertrouwelijkheid. De burgemeester schrijft dat iets vertrouwelijk is. De commissie laat weten dat zij daarover gaat. Het heeft ook een verkeerd inzicht in het afleggen van verantwoording aan de enquêtecommissie en dus aan de raad.
Ik kom tot mijn conclusie. Het rapport van de enquêtecommissie is snoeihard en zeer duidelijk. Het financiële drama van de Noord/Zuidlijn is veroorzaakt door een slechte, domme organisatie en door bestuurlijke arrogantie. De organisatie is inmiddels ten koste van vele honderden miljoenen euro’s op orde gebracht. De bestuurlijke arrogantie moet echter verminderen. Wij moeten daarvan af. De gemeenteraad durft met dit rapport zichzelf een spiegel voor te houden en geeft volmondig toe dat de raad fouten heeft gemaakt. Ik vraag het college zeer dringend om nu ondubbelzinnig de fouten van het huidige college en van voorgaande colleges te erkennen en volstrekt ongeclausuleerd en ondubbelzinnig excuses aan te bieden aan de inwoners van Amsterdam. Wij wachten de reactie van het college hierop af.
Garde M.C. van der
Volgens mij heeft de heer Van Drooge de raad gevraagd om kritisch naar zijn eigen rol te kijken. Hij heeft het college gevraagd naar zijn eigen rol te kijken. Bent u op de hoogte van de inbreng van het CDA tijdens het debat op 9 oktober 2002? Dat was het debat over het go-/no go-besluit. Ik lees het u graag voor.
Garde M.C. van der
U bent er misschien mee bekend, maar niet iedereen in de raad. Het is aardig om er toch een paar zinnen uit te citeren. “De fractie van het CDA”, zegt uw voorganger, “heeft groot vertrouwen in het succes van de Noord/Zuidlijn en daarmee in het projectbureau en in het college.” Even later zegt hij “dat op een goed moment de knoop moet worden doorgehakt en dat de politiek beslissingen moet durven nemen. Dat moment is nu”, zegt uw voorganger. “Het is een kwestie van lef en al te vaak ontbreekt het de Amsterdamse politiek aan dit lef. Juist aan dit lef schijnt het sommige fracties wederom te ontbreken”, dat moet een sneer naar GroenLinks gewest zijn, “nu het uur der waarheid nadert.” U wilde lef en daar vroeg u op dat moment om. Nu vraag ik u terecht om ook naar uw eigen rol te kijken.
Drooge A.H. van
Uiteraard vind ik dat de raad lef moet hebben. Uiteraard vind ik dat het college lef moet hebben. Wij zitten hier niet om als angsthazen elk risico uit de weg te gaan. Ik zeg alleen dat wij, op het moment dat de raad controlerend bezig is, alle informatie moeten krijgen om daadwerkelijk een besluit te kunnen nemen. Ik zeg niet, mevrouw Van der Garde, dat wij de Noord/Zuidlijn niet hadden moeten aanleggen. U citeert mijn voorganger. Ik zou met alle liefde hetzelfde kunnen zeggen. Ja, er moet lef zijn, maar ik kan geen lef tonen, mevrouw Van der Garde, als ik slechts half geïnformeerd word.
Garde M.C. van der
In hetzelfde betoog vertelt uw voorganger, maar ook mijn voorganger, Auke Bijlsma, dat er gigantisch veel vragen zijn gesteld die ook allemaal beantwoord zijn. Uw voorganger zegt dat hij heel veel vertrouwen heeft in het projectbureau en in het college. Het is belangrijk om dit soort dingen te weten. U hebt veel kritiek op dit college en op de voorgangers ervan. U maakte er ook deel van uit.
Drooge A.H. van
Wij zaten inderdaad in het college, dat klopt. Ik kan niets meer toevoegen aan wat ik zojuist al gezegd heb. Ja, mevrouw Van der Garde, wij zaten in het college. Ja, we moeten lef tonen. Maar de raad kan dat alleen maar doen als hij de juiste informatie heeft.
Doorninck M. van
Ik heb toch nog een vraag aan de heer Van Drooge. U onderschrijft de conclusies van het rapport. Daarin staat niet alleen dat het college dit voorstel niet had mogen voorleggen, er staat ook in dat de raad het niet had mogen aannemen, vanwege de eigen verantwoordelijkheid van de raad, los van de informatie. Mevrouw Van Pinxteren zei al dat men het idee kan hebben dat een voorstel niet klopt. Dat is de verantwoordelijkheid van de raad. In uw antwoord aan mevrouw Van der Garde lijkt het erop dat u zegt dat het niet aan de raad heeft gelegen, maar dat het een gevolg was van onvolledige informatie. Laten we de conclusies van de commissie echt ter harte nemen, college en raad.
Drooge A.H. van
Dank u wel, mevrouw Van Doorninck, dat u me er nog een keer op wijst. Het biedt mij de gelegenheid om te herhalen wat ik zei. De gemeenteraad durft met dit rapport zichzelf een spiegel voor te houden en geeft volmondig toe dat de raad fouten heeft gemaakt. Ja, dat had de raad op dat moment niet mogen doen. Ja, daar ben ik het volmondig mee eens. Deze raad is gelukkig zo verstandig om volmondig toe te geven dat we dit niet hadden moeten doen.
Manuel I.R.
Ik was een beetje stil geworden van het vlammende en bijtende betoog van de heer Van Drooge. Zijn inbreng namens het CDA was heel terecht. Hoe we het ook wenden of keren, het rapport op zijn kop zetten of wat dan ook, het rapport bevat forse kritiek. Forse kritiek op het college en duidelijke kritiek op de gemeenteraad. D66 wil ingaan op een aantal conclusies dat in het rapport verwoord wordt. Bijvoorbeeld conclusie 15 waarin nog eens aangetoond wordt dat de raad niet op alle momenten volledig of juist geïnformeerd is. In conclusie 15 is sprake van het Herweijer-proof zijn van het hele project. In feite vraagt de raad dat aan het college. Er wordt een beetje met ‘ja’ op geantwoord. Ik kan mij nog herinneren dat op andere vragen van de raad indertijd rond de besluitvorming in 2002 - of de contracten klaar waren om getekend te worden en of de verzekering afgesloten kon worden - het toenmalige college daar met ‘ja’ op antwoordde. Daarmee komen we bij de conclusies. Mevrouw Van Pinxteren zei ook al dat ze toe cirkelen naar conclusie 19. De conclusies 16, 17 en 18 vormen een aanloop naar conclusie 19 dat het college dit besluit niet aan de raad voor had mogen leggen en dat de raad niet met het besluit om over te gaan tot het aanleggen van de Noord/Zuidlijn had mogen instemmen. D66 wil deze conclusies onderschrijven, steunen. Wij vragen ons wel af wat de positie van de raad moet zijn in de discussie over de aanleg van een dergelijk project. In 2002 begon de raad duaal te opereren. De enquêtecommissie stelt terecht dat de raad eigenlijk veel meer heeft gedaan dan men zou mogen verwachten van een gemeenteraad die duaal opereert. Er zijn ontzettend veel informatieve vragen gesteld. Er is ontzettend veel gediscussieerd over de ins en outs van het hele project. De enquêtecommissie concludeert dat de raad en de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten overladen zijn met informatie die weinig gestructureerd was. Ik vraag me af hoe de gemeenteraad en gemeenteraadsleden die als woordvoerder voor hun fractie optreden een dergelijk complex project met zo’n grote informatiestroom kunnen beoordelen. Ik denk dat de gemeenteraad moet bepalen hoe wij deze projecten in de toekomst tegemoet treden en welke instrumenten wij daarbij nodig hebben. Men kan dit niet simpelweg overlaten aan gemeenteraadsleden. In zekere zin zijn wij allemaal amateurs. In dat opzicht heeft de burgemeester gelijk, hoewel hij er veel mee bespot wordt. Dat klopt volledig. Wij proberen ons wel te verdiepen, maar qua tijd en kennis zijn wij beperkt.
Een andere conclusie betreft de risico’s van het bouwproces. De enquêtecommissie zegt in wezen dat wij er nog over moeten debatteren. Dat is waar, want we zien dat de risico’s die gepresenteerd zijn aan de gemeenteraad in de loop van de jaren veranderd zijn. Ik kan mij nog herinneren dat de raadsleden te horen kregen dat alles nauwkeurig zou worden gemonitord. Er was speciale apparatuur waarmee 0,1 mm beweging aan het oppervlak van de aarde te zien was. Ik kan me nog herinneren dat er gezegd werd dat, als we gingen boren, we allerlei methodieken en technieken hadden om kleine zettingen die zouden optreden en kleine verschillen in de boortunnel en bij het uitgraven te couperen via grouten. Inmiddels horen we iets anders. Dat is buitengewoon irritant. We beslissen op basis van informatie die we toentertijd hebben gekregen en intussen is de informatie veranderd en aangevuld. Het boren lijkt een veel risicovoller proces te zijn dan we toentertijd dachten te weten. Ik ben het helemaal eens met de enquêtecommissie dat we moeten discussiëren over de vraag wat ons precies staat te wachten als we gaan boren. Wat zijn precies de risico’s? Alles moet op tafel komen. Alles moet openbaar, transparant en volledig zijn. Een andere conclusie is dat de commissie werd meegezogen. Ik heb dat in mijn eerdere inbreng ook al gezegd. Wij moesten uiteindelijk meedenken over alle problemen die zich bij het project van de Noord/Zuidlijn voordeden. Wij werden steeds op andere locaties ontvangen en kregen daar de nieuwste, al dan niet gefilterde, informatie te horen over de voortgang van het project. Omdat we als commissie mee werden genomen in het project en omdat we er niet met anderen over mochten praten zoals ons steeds nadrukkelijk werd voorgehouden, werden we een soort medeplichtige. We probeerden mee te denken over de vraag hoe we problemen in het project op konden lossen. Dat kan natuurlijk nooit de rol van een raadslid zijn en nooit de rol van de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten die er verantwoordelijk voor is. Wij werden medeplichtig zoals ik al zei en ik wil die term best nog een keer herhalen. Ik heb dat ook persoonlijk zo ervaren.
Verder wil ik wijzen op conclusie 40 over de onrealistische prognoses van de kosten en de planning die de raad kreeg. Dat is de reden dat we zo blij waren met aanbeveling 15 om de informatiestroom duaal te regelen. Een informatiestroom naar het college en eenzelfde naar de gemeenteraad. Ik begrijp nu van de enquêtecommissie dat dit niet de bedoeling is. We zouden echter serieus moeten overwegen om bij grote projecten een directe informatiestroom, zonder filtering en afzwakkingen naar de gemeenteraad te leiden. De wethouder blijft natuurlijk aansprakelijk voor de informatie.
Ik wil afronden met iets te zeggen over de verantwoordelijke personen in deze kwestie, te beginnen bij de wethouder die maar weinig genoemd wordt en weinig wordt aangesproken, de heer Van Poelgeest. Hij heeft een kleine rol in het toezicht op het project. Daarmee is ook het een en ander misgegaan waarover al in de gemeenteraad is gesproken. Ik heb begrepen dat het toezicht nu beter is geregeld. Als het niet zo is, dan hoor ik dat graag van u, mijnheer Van Poelgeest. Ik neem echter aan dat u vanwege de economische crisis de vacatures hebt kunnen vervullen en dat het toezicht nu beter geregeld is. Een tweede persoon, maar natuurlijk de eerstverantwoordelijke in het project, is wethouder Gerson. Ik denk dat u op basis van dit rapport moet aftreden. Dit rapport gaat over de periode tot en met de verzakkingen op de Vijzelgracht. U bent toen eigenlijk afgetreden. U weliswaar niet persoonlijk, maar uw politieke personage, de heer Herrema, is toen afgetreden. Eigenlijk bent u dus al afgetreden op basis van dit rapport. Goed beschouwd is dat de realiteit. Na de verzakkingen op de Vijzelgracht is de wethouder afgetreden. D66 was toen ook van mening dat dit eigenlijk niet nodig was, mevrouw Van Pinxteren. Maar met de kennis van nu, nu we het allemaal opgeschreven zien staan dankzij het goede onderzoek van de enquêtecommissie, had wethouder Herrema op basis van dit rapport waarschijnlijk moeten vertrekken. Hij is vertrokken en daarmee is wethouder Gerson op dit moment enigszins vrijgepleit. Hij is immers al de opvolger van de afgetreden wethouder. U komt er in het rapport ook niet goed vanaf omdat u in de informatievoorziening naar de enquêtecommissie toe niet optimaal gefunctioneerd hebt. Ik hoop dat u daarover nog iets wilt toelichten. Het is natuurlijk een zaak die u kwetsbaar maakt.
Daarmee kom ik bij wethouder Asscher en de zorgplicht die hij heeft voor de financiën in deze gemeente. De vraag is wat u te horen kreeg van de vorige wethouder Noord/Zuidlijn, Mark van der Horst. Wat is u overgedragen? Bij de bespreking van het rapport in de commissie zei u dat het enigszins vaag was en dat niet helemaal duidelijk was om welk bedrag het ging. Zelfs als u het toen niet wist, dan is uw zorgplicht als wethouder Financiën toch zodanig dat u zo snel mogelijk in kaart moet brengen wat er werkelijk aan de hand is met de Noord/Zuidlijn. Welk probleem speelt er? U had dat zo snel mogelijk aan de gemeenteraad moeten rapporteren. Dat is niet gebeurd. In de commissie hebt u gezegd dat de wethouder Noord/Zuidlijn, toen wethouder Herrema, snel naar de gemeenteraad is gestapt om informatie te delen. Dat was niet anders dan wat zijn voorganger in april altijd deed. Er was een nieuwe doorrekening en er waren extra kosten voor de Noord/Zuidlijn. In het jaar dat u aantrad, gebeurde dat iets later omdat in april de vorming van de coalitie plaatsvond. Wethouder Herrema is gewoon in de voetsporen van zijn voorganger getreden, zeker in de eerste jaren. Pas later is hij ertoe overgegaan om mondjesmaat de totale ellende van de Noord/Zuidlijn op tafel te leggen. U had daar ook een rol in. Als wethouder Financiën had u wethouder Herrema veel meer achter de broek moeten zitten door te vragen wat precies de kostenpost was die u boven het hoofd hing. Voor zover ik kan nagaan, hebt u dat helemaal niet gedaan. U hebt u er niet mee bemoeid, maar ik hoor u straks graag daarover.
Ten slotte de rol van onze burgemeester. Ik zou een lang betoog kunnen houden over de zorgplicht en de mate waarin u politiek verantwoordelijk bent op basis van uw zorgplicht. We kunnen echter ook even kijken naar Den Haag. Daar hebben we een premier. Die wordt ook niet gekozen. De premier die we momenteel hebben, de heer Balkenende, heeft het zwaar als gevolg van het rapport van de commissie-Davids. Dat is niet omdat hij verantwoordelijk is voor wat er toentertijd is gebeurd. De heer Balkenende zou ook kunnen zeggen: ja, maar mijn minister van Buitenlandse Zaken, De Hoop Scheffer, was ermee bezig. Ik stond op afstand en heb dat een beetje bekeken. Ik had niet de indruk dat ik iets moest doen. Ik had niet de indruk dat ik moest ingrijpen. U moet daarom niet aankomen met kritiek op mijn functioneren. Het punt is natuurlijk dat de heer Balkenende aangesproken wordt op zijn leiderschap. Hij is de premier van Nederland. Hij had zich wel degelijk met de oorlog in Irak moeten bemoeien. Hij had dat niet kunnen en mogen overlaten aan zijn minister. Het zal ongetwijfeld nog een staartje krijgen, want de positie van de heer Balkenende wankelt. In Amsterdam hebben we te maken met een burgemeester die ineens terug is in het hok van de benoemde burgemeester. Hij noemt de zorgplicht procedureel. De minister, ook van PvdA-huize, stuurt nog een brief waarin ze schrijft dat we een burgemeester niet op deze manier kunnen aanspreken op zijn zorgplicht. Dat ligt natuurlijk anders. Als het u uitkomt, dan bent u ineens weer lid van het team-Asscher. Dan bent u ineens weer de kroonprins van de Partij van de Arbeid. U zegt dan dat u maar een beperkte portefeuille hebt. Dat geldt misschien voor de campagne. Ik heb u laatst aangesproken op een flyer die werd uitgedeeld en waarmee u geen problemen had. Dat kan natuurlijk niet. Het is van tweeën één. Of u bent onze burgemeester, van ons allemaal. Onze benoemde burgemeester. U zit ons voor en u laat het besturen van de stad over aan uw wethouders. Of u bent een politiek persoon en als politiek persoon de voorman van dit college. U gedraagt zich vaak op de laatste manier. U laat zich vaak op de Nederlandse televisie zien als prominent PvdA’er.
Manuel I.R.
Ik zal ze u vanavond geven. Ik ga ze voor u uitzoeken. Ik zal er een paar voor u uitzoeken. U zit altijd in de rol van aan de ene kant de benoemde burgemeester en aan de andere kant de kroonprins van de Partij van de Arbeid. Dat kan niet, dus u moet kiezen. U moet zeggen wie u bent. Ik heb dat al eens eerder aan u gevraagd. Als wie of wat zit u hier? Als u hier zit als PvdA’er, dan hebt u wel degelijk een verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid is gelegen in uw leiderschap van dit college. Daar kunt u niet voor wegduiken. Ik wil graag een reactie op dat punt.
Garde M.C. van der
De heer Manuel gaat over zijn eigen woorden, maar ik vraag me ondertussen af wat dit nog te maken heeft met de inhoud van het enquêterapport.
Manuel I.R.
Mevrouw Van der Garde, het enquêterapport roert onder andere de zorgplicht van de burgemeester aan. De burgemeester is onzichtbaar geweest als leider van het college en als iemand die de afgelopen jaren continu aanwezig was. De zorgplicht wordt aangereikt als iets waarvan we zouden kunnen zeggen dat hij had moeten optreden omdat hij een zorgplicht heeft. Dat kan. Die discussie wil ik helemaal niet voeren. Het gaat mij erom dat de burgemeester zich vaak profileert als PvdA-prominent, als PvdA-kroonprins, als lid van het team-Asscher. Als hij dat doet, dan vind ik dat hij zich ook politiek moet verantwoorden als politiek leider in deze stad. Ik wil daar graag een reactie van de burgemeester op hebben.
Willemse H.
Hiermee hebben we de eerste termijn van de raad gehad. Ik schors de vergadering tot 19.30 uur.
De VOORZITTER schorst de vergadering om 17.50 uur.
Schorsing
7a. Actualiteit van de raadsleden de heer Van der Burg, mevrouw Van der Garde, mevrouw Van Doorninck, mevrouw Alberts, de heer Limmen en de heer Manuel van 19 januari 2010 inzake noodhulp aan Haïti (Gemeenteblad afd. 1, nr. 29)
Burg E. van der
Ik kan het heel kort houden. In Haïti heeft zich een enorme ramp voorgedaan. Een ramp die veel dingen die wij de afgelopen week hebben gedaan erg relativeert. De lijsttrekkers van de zes grote partijen hebben in het afgelopen weekend de hoofden bij elkaar gestoken en gezegd dat ook Amsterdam een signaal af moet geven. Een van de plekken waar wij dat signaal af willen geven, is in de gemeenteraad van Amsterdam. Nu is het zo dat lijsttrekkers geen voorstellen in kunnen dienen, dat kunnen slechts drie van hen. Daarom hebben we besloten dat de zes fractievoorzitters zullen voorstellen om als Amsterdam een gebaar te maken naar de slachtoffers van de ramp. Daarom hebben wij deze voordracht ingediend. Daarnaast zullen de politieke partijen morgen in het kader van de actie 555 in Amsterdam gaan collecteren om ook op die manier onze steun te betuigen. Wij vinden bovendien dat het noodfonds van de gemeente Amsterdam hiervoor opengesteld moet worden. Daarom hebben wij deze actualiteit ingediend.
In de actualiteit spreken wij over een substantieel gebaar en hebben we een suggestie gedaan. Ik weet dat er inmiddels ook in het college over is gesproken en dat de burgemeester een voorstel hierover zal doen. Een voorstel dat weinig discussie op zal leveren en waarmee wij het geheel en al eens kunnen zijn.
Cohen M.J.
Dit is een uitstekend voorstel. Wij hebben gisteren in het college ook over de situatie in Haïti gesproken. We hebben ook overleg gehad met Rotterdam. Ons idee is om 1 euro per inwoner, afgerond op 750.000 euro, uit het noodfonds ter beschikking te stellen. In de voordracht wordt voorgesteld om het bedrag op giro 555 te storten. Ons voorstel is om dat niet te doen. Giro 555 is bedoeld voor noodhulp. De VNG heeft een speciaal gironummer geopend dat bedoeld is voor projecten in de wederopbouwfase waarbij ook gemeentelijke expertise kan worden ingezet. Ik neem aan dat u het daarmee eens bent. Ik wil er nog één ding aan toevoegen. In het afgelopen weekend heb ik contact gehad met de Stichting Haïti Contact. Dat zijn uit Haïti afkomstige inwoners van Nederland die contact hebben met elkaar en voor wie het in deze tijd van des te meer belang is dat ze contact hebben en die op de langere termijn steun kunnen verlenen. Ons voorstel is om een beperkt deel van het geld eenmalig aan deze stichting te geven zodat ze daarmee haar eigen organisatie kan opbouwen.
Misschien mag ik nog één opmerking maken. Mijnheer Van der Burg, u zei dat de politieke partijen morgen gaan collecteren. Als u het goedvindt, dan zal deze burgervader zich daarbij aansluiten.
6. Voordracht van de enquêtecommissie inzake voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de bouw van de Noord/Zuidlijn van 15 december 2009 tot vaststellen van het rapport, instemmen met de conclusies en overnemen van de aanbevelingen van de enquêt
Willemse H.
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van punt 6.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Gerson.
Gerson H.
Dames en heren van de raad, in de commissie heb ik vorige week namens het college in hoofdlijnen een reactie gegeven op het enquêterapport Noord/Zuidlijn. Daar wil ik vanavond ook weer mee beginnen, mede in het licht van de bespreking die vorige week heeft plaatsgevonden en de discussie van vanmiddag. De leden van de enquêtecommissie verdienen grote waardering voor al het werk van de afgelopen maanden, het grondige onderzoek en het gedegen rapport dat zij tot stand hebben gebracht. Het college wil ook nadrukkelijk de ondersteuning door de leden van de griffie en het ingehuurde onderzoeksbureau noemen. De systematische wijze waarop de enquêtecommissie de tekortkomingen bij de opzet en uitvoering analyseert en de conclusies op een rij zet, zijn door het college hard en confronterend voor het stadsbestuur genoemd. Het rapport laat zien dat er bij de voorbereiding en de aanleg van de Noord/Zuidlijn veel fout is gegaan. Het is confronterend dat er zo veel is misgegaan. Het is hard omdat de gevolgen voor de stad en zijn inwoners zo groot zijn. Laat er geen twijfel over bestaan dat het college zich dat zeer aantrekt. Als bestuurders, maar evenzeer als Amsterdammers. Als iemand die al 35 jaar voor de gemeente Amsterdam werkt, raakt mij dat ook persoonlijk in het hart. Ik weet dat dit ook voor de rest van het college geldt.
We beoordelen de situatie in 2002 aan de hand van het rapport van de enquêtecommissie. Dit rapport hebben wij - het college, maar ook uw vergadering - nodig om conclusies te trekken. Dat heeft het college bedoeld met de woorden ’met de kennis van nu’. Dat heeft voor verwarring gezorgd. Het waren niet de goede woorden. Ze hebben een lading gekregen die niet bedoeld is. Het college wil nogmaals duidelijk zeggen dat wij, met de enquêtecommissie, vinden dat het college in 2002 dit besluit niet zo had mogen voorleggen.
Vanwege de ernst en de zwaarte van de bevindingen van de enquêtecommissie heeft het college de verantwoordelijkheid in dit dossier nadrukkelijk gewogen. Daarbij is ook het aftreden van wethouder Herrema betrokken. Het college was en is verantwoordelijk voor het gehele verloop van het project Noord/Zuidlijn. De uitkomst van deze weging is dat het college de verantwoordelijkheid voelt en neemt om het project op een goede wijze verder te brengen. Over het go-besluit wil het college nog het volgende zeggen. Het college heeft op basis van de informatie die toen voorhanden was het go-besluit naar eer en geweten aan uw raad voorgelegd. Een grote meerderheid van uw raad was destijds en is nu nog overtuigd van het nut en de noodzaak van de Noord/Zuidlijn. Daarbij leefde toen het gevoel van een grote urgentie. Het besluit moest toen genomen worden om geen unieke kansen verloren te laten gaan. Als u de notulen van het debat in 2002 erop naleest, dan komt dat allemaal weer terug. Dit college is zich ervan bewust dat de Noord/Zuidlijn een complex dossier vormt waaraan risico’s verbonden waren en zijn. Serieuze risico’s. Daarom heeft het vanaf de eerste dag een koers ingezet om het project beheersbaar te krijgen en te houden. Van optimisme naar realisme. Die weg is met resultaat en in samenspraak met uw raad onder dit college ingeslagen. De organisatie is grondig verbeterd. Ik kom hier zo nog op terug. Het risicomanagement is uitgebreid en er zijn veel aanvullende beheersmaatregelen genomen. Omwonenden, burgers en ondernemers worden nauw bij de bouw betrokken. Toch zijn risico’s nooit helemaal op voorhand uit te sluiten.
Het is nu 2010. De Noord/Zuidlijn is, ondanks alle tegenslagen, ongeveer voor de helft klaar en over enkele maanden begint het boren. Het college heeft zich in zijn schriftelijke beantwoording gericht op de aanbevelingen en op de manier waarop Amsterdam in de toekomst grote, unieke projecten zoals de Noord/Zuidlijn moet voorbereiden en uitvoeren. Dit wil, kan en moet Amsterdam in de toekomst beter doen. Grote, unieke projecten horen immers bij een stad als Amsterdam. De discussie over de wijze waarop, de voorwaarden waaronder en de vraag om welke projecten het gaat, wil het college graag met de raad voeren.
Ik wil nu graag in hoofdlijnen ingaan op een aantal opmerkingen dat vanmiddag is gemaakt. Ik heb er de volgende punten uit gedestilleerd. Het zijn opmerkingen over de huidige staat van het project en over de prestaties van het college in de afgelopen periode. Er zijn vragen gesteld over de vervoerswaarde. De risico’s van het boren zijn uitgebreid aan de orde geweest. Er zijn opmerkingen gemaakt en vragen gesteld over het informatiemanagement. Daar wil ik op ingaan en ten slotte wil ik ingaan op de ingediende moties.
Ik wil beginnen met een schets van de huidige stand van zaken bij het project omdat ik dat heel belangrijk vind. Vooral mevrouw Alberts heeft zich hier uitvoerig over uitgelaten. Het college respecteert het standpunt van de SP die een ander standpunt heeft over het project Noord/Zuidlijn. Dat is bij de bespreking van het rapport-Veerman uitvoerig aan de orde geweest. U hebt alternatieve voorstellen ingediend. Ze zijn becommentarieerd, besproken en hebben geen meerderheid achter zich gekregen. Ik waardeer het feit dat u weer naar voren brengt dat u een andere opvatting hebt over wat er met dit project moet gebeuren. Ik respecteer dat, maar dat laat onverlet dat de manier waarop u het project beschrijft daaraan naar mijn mening onrecht doet. Op dit moment is er geen sprake van chaos, onbestuurbaarheid of wat dan ook. Ik wil dat graag op een aantal punten toelichten omdat dit ook voor de stad en de organisatie van belang is. Die punten zijn: de organisatorische aansturing van het project, de techniek en de risico’s en de omgang met de omgeving.
Laat ik beginnen met de organisatie, waarbij ik praat over een periode die in 2006 is ingezet. De directie van het project bestaat nu uit vier geheel nieuwe mensen, onder wie een financieel directeur en een technisch directeur die van Rijkswaterstaat afkomstig is. De suggestie van de commissie om ook expertise van Rijkswaterstaat in te schakelen, is al opgevolgd in de huidige samenstelling van de projectdirectie. De projectdirecteur heeft een steviger mandaat gekregen. De projectdirectie heeft het aantal contractmanagers van acht naar vijf teruggebracht waardoor de aansturing van het project aanzienlijk verbeterd is en de interfaceproblemen waarover veel gesproken is, aanzienlijk zijn teruggebracht. Vervolgens is het rapport-Veerman verschenen met daarin een aantal aanbevelingen. Een belangrijke aanbeveling ervan was om een projectcommissariaat in te stellen. Dat projectcommissariaat is ingesteld. Ik kom er zo nog op terug naar aanleiding van opmerkingen van de heer Flos. Laat ik dat trouwens meteen doen. Wij hebben ook in de commissie over het projectcommissariaat gedebatteerd. Ik denk dat we moeten constateren dat wij daarover van mening verschillen. Ik heb u horen zeggen dat als de wethouder er erg aan hecht, het zijn besluit is. Ik hecht er erg aan. Niet alleen ik hecht er erg aan, ook de huidige voorzitter van het projectcommissariaat hecht er erg aan en alle leden van het projectcommissariaat hechten er erg aan. Dat laat onverlet dat in een andere fase van het project of bij een ander project uw opmerking zeker waarde kan hebben. Ik wil u echter verzoeken om mij nog even op deze manier te laten voortgaan. De organisatie is op dit moment op directieniveau volledig bemand en volledig op orde.
Daarmee kom ik bij de stand van zaken op het gebied van de techniek, de risico’s en de projectbeheersing. Over de projectbeheersing heeft mevrouw Van der Garde een opmerking gemaakt. De bestaande contracten zijn heronderhandeld. De open einden die erin zaten zijn dichtgeschroeid. Ik merk daarbij op dat de claims op de aannemer en het adviesbureau nog lopen. Er is afgesproken dat wij het werk voortzetten. Als straks de diepwanden echter geïnspecteerd worden en er op basis van een onafhankelijk oordeel een mening over wordt uitgesproken, dan is het college nog in staat om de betrokkenen daarover aan te spreken. Er is sprake van externe deskundigen. Dat is al eerder in deze vergadering ter sprake geweest. Zij hebben heel intensief naar de risico’s gekeken en hebben in twee instanties hun oordeel gegeven. Het technische proces is onvergelijkbaar met drie, vier of vijf jaar geleden. Wij hebben u op basis van het rapport-Veerman een voorstel gedaan over tweezijdig boren. Ook daaruit blijkt de nieuwe werkwijze. Over de suggestie van de commissie-Veerman heeft het college in eerste instantie gezegd dat het ons een verstandige suggestie leek, maar dat we er niet meteen ‘ja’ tegen wilden zeggen zonder dat goed te bestuderen. In oktober 2009 hebben we een rapportage voorgelegd van het projectbureau, getoetst door het projectcommissariaat, waaruit bleek dat we iets anders te werk moesten gaan. Vervolgens is er nog een laatste oordeel over uitgesproken en hebt u een rapportage gekregen die gebaseerd is op alle feiten en waarin wij uitspreken dat het verstandig is om tweezijdig te gaan boren. Er is dus alert gereageerd op een nieuwe suggestie. Deze is aandachtig en uitvoering onderzocht en zes maanden later zeggen we dat we het op die manier kunnen doen, op basis van second en third opinions.
Ten slotte de projectbeheersing. Mevrouw Van der Garde heeft gevraagd hoe het daarmee staat. U weet dat wij de projectbeheersing af kunnen lezen uit de kwartaalrapportages. Vooral in de Q4-rapportage die nu wordt voorbereid, rapporteert de projectdirecteur over de mate van projectbeheersing. Daarbij speelt de benadering van de commissie-Veerman, zijn onderbouwing van de risico’s, gekoppeld aan de risicodossiers die bij het projectbureau bestaan, een grote rol. De Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten heeft al een eerste notitie gekregen over het verband daartussen. De projectdirecteur laat, anders dan vroeger, zelf een interne audit verrichten op de Q4. Vervolgens gaat zijn Q4 met de interne audit naar het projectcommissariaat dat een aparte middag heeft uitgetrokken om het heel indringend te bespreken. Daarna gaat het totale pakket naar het college en met het advies van het college naar u. Er is dus sprake van een driedubbele controle op de projectbeheersing en ik heb er het volste vertrouwen in dat wij u straks een heel afgewogen Q4 kunnen aanbieden.
Ten slotte de staat van het project en de aanbevelingen van de commissie-Veerman die door uw vergadering in verschillende bewoordingen sterk zijn onderschreven. Ik doel daarbij op de omgang met de omgeving. Meteen na het raadsdebat op 1 juli 2009 zijn daartoe grote stappen gezet. U weet dat. Er is een verbindingsregisseur aangesteld. Ook bij het projectbureau is er sprake van een totaal andere benadering. Er is een herziening van de tegemoetkomingsregeling naar u onderweg. Wij zijn in vergevorderd overleg met de schadecommissie over de nadeelcompensatie die voor ondernemingen van groot belang is. Het beleid dat is ontwikkeld is niet het beleid dat wij in de verordening hebben vastgelegd. In de verordening staat alleen dat bedrijven die schade hebben zich tot de schadecommissie kunnen wenden. De schadecommissie heeft daarvoor beleid ontwikkeld. Een van de onderdelen ervan is dat voor bedrijven die zich na 2001 gevestigd hebben het beleid van de schadecommissie inhoudt dat zij niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat ze hadden kunnen weten dat het project in 2010 gereed was. De schadecommissie heeft al in oktober 2009 in overleg met onze mensen zelf het initiatief genomen om het beleid bij te stellen. Binnenkort komt zij met een voorstel om de compensatieregeling op te rekken zoals wij allemaal willen. Wij overleggen met diverse buurtgroepen en ook met de bewoners van de Vijzelgracht. Af en toe zijn er kleine incidenten over de vraag of men iets wel of niet wist en over onze bedoelingen, maar als ik zelf met bewoners praat of als de verbindingsregisseur met hen praat, dan wordt de sfeer ook door hen getypeerd als totaal anders dan zes tot negen maanden geleden. Tot zover de staat van de organisatie.
Dat brengt mij vanzelf bij het tweede aspect, opmerkingen die vooral door de heer Van Drooge zijn gemaakt. Hoe moeten we de conclusies 23 tot en met 27 beoordelen? U hebt er nogal sterke woorden aan gewijd. Als ik aanhaak bij mijn schets van de stand van zaken, dan kijkt het college er toch anders tegen aan. Het college heeft in 2006 een heel belangrijk verbeterproces ingezet. U ziet dat in de conclusies weerspiegeld. Het college geeft toe dat op het ene onderdeel sprake is van verbeteringen die al in 2007 zijn gerealiseerd en op een ander onderdeel in 2008. Het college heeft zich in dat hele proces absoluut integer gedragen. Er is geen sprake van het achterhouden van informatie. Het college heeft zich zeer ingespannen om de gewenste verbeteringen tot stand te brengen.
De heer Van Drooge heeft ook de kwestie van de beïnvloeding van het ambtelijk apparaat door de wethouder ter sprake gebracht. Daarbij is gewezen op het woord ‘snoeien’. Ik hecht eraan terug te gaan naar de basistekst in het rapport van de enquêtecommissie. Ik lees u voor uit pagina 274: “De wethouder (lees toenmalige portefeuillehouder Noord/Zuidlijn) heeft gevraagd om een gesnoeide prognose waarin de circa 130 miljoen euro kostenstijging met ongeveer 20 miljoen euro wordt teruggebracht.” Dat is weer een citaat uit een e-mail van een manager Financiën en Planning. Het rapport vervolgt: “De portefeuillehouder Noord/Zuidlijn heeft hier tijdens zijn openbaar verhoor over opgemerkt dat hij niet elke prognose automatisch de zijne maakte en kritische vragen formuleerde richting het projectbureau Noord/Zuidlijn. Bij zijn weten werd de kostenstijging niet naar beneden gehaald. Niettegenstaande werden de volgende….” Daarna gaat het rapport verder. Daarover gaat het hier. Dat bedoelde ik vorige week ook te zeggen. Het is een volstrekt normale praktijk dat een wethouder kritische vragen stelt en het hem aangeboden materiaal niet automatisch tot het zijne maakt. Ik wil nog een ander voorbeeld noemen. Ik wijs daarvoor op de huidige bezuinigingsoperatie of de voorstellen waar het college aan werkt. Aan alle directeuren is gevraagd om zeer drastisch te snoeien in hun begrotingen, tot 20% of meer. Daarmee wordt aangetoond welke keuzes je kunt maken. Er is geen sprake van dat het ambtelijk apparaat hierdoor in de problemen komt of wat dan ook. Het college werpt de uitlatingen van de heer Van Drooge hierover ver van zich. Dat is absoluut niet aan de orde.
Dan kom ik bij het derde onderwerp, de vervoerswaarde. Ik heb er in de commissie ook al het nodige over gezegd. Misschien kan ik het in deze zaal kort herhalen. Ik heb gezegd dat datgene wat de enquêtecommissie hierover in haar rapport schrijft juist is. Ik kan ook moeilijk iets anders zeggen, want de enquêtecommissie haalt gewoon feiten aan. Zij schrijft dat de prognose indertijd een bepaald aantal passagiers voor het jaar 2005 voorspelde. Als we aan het Gemeentelijk Vervoerbedrijf vragen hoe groot het aantal passagiers in 2005 was, dan lag dat aanzienlijk lager. Dat constateert de enquêtecommissie ook. Daaruit kunt u niet afleiden dat de prognose voor een specifieke lijn als de Noord/Zuidlijn niet zou kloppen. Ik wil niet flauw doen, maar het valideren van een prognose kan pas plaatsvinden als de lijn in bedrijf is. Niemand, noch het college, noch iemand in deze zaal, kan voorspellen wat de passagiersaantallen op de Noord/Zuidlijn in 2017 of 2018 zijn. Dat op de eerste plaats. Ik heb ook nog een meer inhoudelijke onderbouwing. Als we de ontwikkeling van de passagiersaantallen bekijken, wat is er dan aan de hand? Uit de cijfers is heel duidelijk te zien dat de bus en de tram enigszins teruglopende aantallen passagiers laten zien. De metro, de Oostlijn en de Ringlijn die in 1997 in dienst is genomen, laat zeer aanzienlijke stijgingen zien. Dat is ook niet verwonderlijk, want helaas is de gemiddelde snelheid van bus en tram de laatste jaren verminderd. Het Gemeentelijk Vervoerbedrijf wijst er regelmatig op. De reistijden nemen toe. Daar doelde ik op, zonder kwaad te spreken over het Gemeentelijk Vervoerbedrijf of zijn werknemers, toen ik zei dat de kwaliteit van de bus en de tram achteruitgaat. De kwaliteit uitgedrukt in reistijd. Wat zien we bij de Ringlijn gebeuren? Daarvoor zijn prognoses gemaakt. Uit de feiten blijkt dat een openbaarvervoermiddel dat goed presteert de prognoses zelfs overtreft. U kent allemaal de klachten van mensen die op het station moeten blijven wachten omdat de metro vol zit.
Tot slotte geef ik u enkele cijfers over rijtijden. Ik heb dat in de commissie niet gedaan. Van het Centraal Station naar Station Zuid met lijn 5 in de spits duurt de reis nu 26 minuten. Met lijn 51 die een enorme omweg maakt, maar wel snel is, duurt de reis 16 minuten. Met de Noord/Zuidlijn is de reistijd nog niet gemeten, dat geef ik meteen toe. Met een tamelijk grote mate van zekerheid kan ik zeggen dat de reis 9 minuten zal duren. Dat zijn de verschillen in reistijd waarover we praten. Dat verklaart de totaal andere aantrekkingskracht van de metro en de tram.
In dat verband is door mevrouw Van der Garde gevraagd naar de kostendekkingsgraad. Daarover bestaat verwarring. Ik hecht eraan om er in deze vergadering iets over te zeggen. Er is gesuggereerd dat de rapportage niet klopt en dat de kosten van het korte tracé genomen zijn en de opbrengsten van het lange tracé. Ik heb het na laten kijken en als u wilt, dan kunt u tabel 7.3 op pagina 29 van de rapportage bekijken. Daarin staat heel uitdrukkelijk vermeld dat zowel kosten als opbrengsten zijn toegerekend aan het korte kerntracé. Er is geen sprake van het vergelijken van onvergelijkbare grootheden. De kostendekkingsgraad die indertijd is berekend, is dus hetzelfde gebleven.
De risico’s van het boren. Ik heb in de commissie al betoogd, en wil het hier herhalen, dat het college en ook ik persoonlijk niets liever hebben dan dat de discussie in alle openheid wordt gevoerd, met alle gegevens en met alle deskundigen, met het projectcommissariaat. Ik heb de aanbeveling van de enquêtecommissie begrepen op de manier die vanmiddag nog eens door haar voorzitter, de heer Limmen, is uiteengezet. Deze materie is een en andermaal in de vakcommissie besproken. Er is ook gevraagd of de bevolking op de hoogte is. Ik kan u brochures laten zien die bij alle buurtoverleggen verspreid zijn en waarin heel uitdrukkelijk op de risico’s wordt ingegaan. Ik vind het niettemin erg belangrijk dat hierover in de stad geen misverstand ontstaat. Laten we de discussie erover voeren. Mijn voorstel zou zijn, maar ik ben het presidium niet, om die discussie op woensdag 10 februari 2010 te houden. Dat lijkt mij een prachtige dag, tussen de raad en de commissie in, maar uw vergadering beslist erover. Wij zijn er klaar voor. Het materiaal is beschikbaar. Ik heb u al een notitie toegestuurd die u rustig kunt bestuderen. Ik stel voor dat wij de bijeenkomst beginnen met een paar presentaties en dat daarna volop gediscussieerd wordt over alle punten die zijn aangeroerd. Wat kan er gebeuren? Wat zijn de beheersmaatregelen? Hoe ziet een incidentenplan eruit? Al deze zaken kunnen in alle openheid aan de orde komen.
Alberts R.
Ik wil iets preciezer ingaan op het debat over het boren. Hoe kijkt u aan tegen de mogelijkheid om alle opties nog eens de revue te laten passeren? Dus ook het besluit om niet te boren. Of sluit u dat bij voorbaat uit? Zegt u: we gaan zus of zo boren, maar boren doen we?
Gerson H.
Ik volg hierbij de aanbevelingen van de enquêtecommissie. Dit is in dit debat niet aan de orde. Het gaat erom inzicht te geven in de risico’s van het boren en hoe wij daarop anticiperen. Dat is de opzet die de enquêtecommissie bedoelde en die ik volledig onderschrijf. De discussie over wel of niet boren hebben wij in deze zaal op 1 juli 2009 uitvoering gevoerd aan de hand van het rapport van de commissie-Veerman. Het rapport van de enquêtecommissie voegt aan die afweging niets toe. Dat kan ook niet zoals de commissie zelf betoogde aangezien het rapport-Veerman geen onderdeel van haar beraadslagingen was. Dit is dus het standpunt van het college.
Alberts R.
U geeft een heel uitgebreid antwoord, maar het komt erop neer dat u op 10 februari 2010 een groot propagandaverhaal wilt houden over uw eigen besluit om te boren. U begint uw antwoord echter met te zeggen dat u de conclusie van het enquêterapport overneemt om een open discussie over het boorbesluit te organiseren. Ik kan er niets anders van maken dan dat u op 10 februari 2010 een nutteloze bijeenkomst gaat houden als u een deel van de discussie uitsluit.
Gerson H.
Ik herhaal nog eens dat ik het voorstel volg dat vanmiddag nog eens door de enquêtecommissie is verwoord. Er zit geen millimeter licht tussen. Er is absoluut geen sprake van propaganda. Ik herinner u aan de kop in Het Parool die is geïnstigeerd door informatie die door het college is vrijgegeven. Dit zijn de vijftien toprisico’s die op het boren betrekking hebben. Mij lijkt dat we er voldoende over gezegd hebben. Ik heb in mijn inleiding al gezegd dat u de discussie erover weer wilt voeren en dat ik uw standpunt daarover respecteer. Dat is iets anders dan wat de commissie aanbeveelt en wat het college gaat doen.
De informatieverschaffing. In de commissie ben ik er ook al op ingegaan omdat het op dit college betrekking heeft. Ik wil er twee dingen over zeggen. Wat de archivering betreft, geeft het college volmondig toe dat de enquêtecommissie daar terecht op wijst. Wij hebben inmiddels een tamelijk stringente verbeteractie in gang gezet. De Archiefdienst is het geijkte orgaan om dat te controleren. Wij gaan ervan uit dat dit snel op orde komt. Dat geldt niet alleen voor de projectorganisatie, maar voor elke gemeentelijke organisatie. Ik wil verre van ons werpen dat hier sprake is van tegenwerking. Het tegendeel is het geval. Het college en de betrokken ambtenaren hebben een zeer grote inzet getoond om de commissie van materiaal te voorzien. Niet alleen zijn alle kopieermachines ingezet, er is ook een aanzienlijk aantal extra uitzendkrachten ingehuurd om dit werk te doen. Het college erkent daarbij dat wij niet hebben kunnen voldoen aan de hoge verwachtingen van de enquêtecommissie. Dat zijn de feiten en het college geeft dit volmondig toe.
Ten slotte wil ik erop wijzen dat het uiteindelijke oordeel van de commissie luidt dat de kwaliteit van haar eindrapport niet heeft geleden onder de manier van informatieverschaffing hoewel haar werk er misschien door vertraagd is, zo schrijft de commissie. Verder is de briefwisseling in het rapport aangehaald waarin het woord ‘inmenging’ voorkomt. Dat is een ernstig verwijt. Het college is van mening dat van inmenging geen sprake is. Het college heeft de enquêtecommissie juist willen helpen. Wij hebben het nagevraagd bij de parlementaire enquêtecommissies op rijksniveau. Het is een goed gebruik om getuigen, mensen die voor een enquêtecommissie verschijnen, te helpen bij de voorbereiding. Het college heeft niets meer en niets minder willen bereiken. Om dat goed te kunnen doen, hebben we de namen nodig van mensen die voor een verhoor opgeroepen worden. Het college betreurt het dat daarover communicatiestoornissen ontstaan zijn. Wij respecteren het standpunt van de enquêtecommissie en hebben, net als de enquêtecommissie, verder niets toe te voegen aan de briefwisseling die in het rapport is opgenomen.
Ik wil ter afsluiting van mijn beantwoording nog opmerken dat ik het betreur dat ik in onze eerste bijdrage vorige week niet duidelijk geweest ben. Ik wil het nog eenmaal samenvatten. Het college onderschrijft de conclusies van de enquêtecommissie. Wij hebben grote waardering voor de zakelijke wijze waarop de enquêtecommissie haar conclusies heeft geformuleerd.
Daarmee kom ik bij de ingediende moties. De heer Van Drooge vraagt in zijn motie nr. 31 om de directeurencarrousel niet meer van toepassing te laten zijn op de ambtelijke organisatie. Het college wil deze motie ontraden. Ze is overbodig en schept onnodig verwarring. Directeurenposities horen per definitie in de directeurencarrousel. Bij elke vacature wordt op een verstandige manier bekeken of er geschikte kandidaten in het interne circuit zijn. Zijn er geen geschikte kandidaten, dan wordt er extern geworven. In dat opzicht is de motie dus overbodig.
Het college kan de motie nr. 33 van mevrouw Van der Garde positief preadviseren. De motie nr. 34 van mevrouw Van der Garde verzoekt om op korte termijn nadere voorstellen te doen over de verzekeringen. Ik heb begrepen dat er in sommige kringen enige verwarring over is. Ik kan u zeggen dat het rapport van het externe adviesbureau Aon dat iedereen hierover adviseert en ook het college in het verleden, deze week wordt verwacht. Dat advies zal de reikwijdte van een verzekering aangeven en ingaan op de vraag of het zin heeft om haar, al dan niet met terugwerkende kracht, af te sluiten. U zou het een soort programma van eisen kunnen noemen. Ik moet het advies zelf nog bestuderen. Vervolgens zal dit programma van eisen worden uitgezet bij een aantal verzekeraars om erachter te komen onder welke voorwaarden, met name tegen welke premie, verzekeraars bereid zijn om deze verzekering eventueel af te sluiten. Die informatie leg ik natuurlijk aan uw raad voor, zoals dat ook in het verleden is gebeurd. Op dat moment kunnen wij de afweging maken tussen de premie en het af te dekken risico. Daarmee handelt het college geheel in overeenstemming met de aanbeveling van de enquêtecommissie. Die schrijft niet dat we een verzekering moeten afsluiten, maar vraagt om u een goed voorstel voor te leggen zodat u een afweging kunt maken.
Het tweede verzoek in deze motie is om op korte termijn de risico’s van het boren aan de orde te stellen. Daar ben ik net al op ingegaan. Wat mij betreft is op korte termijn inderdaad op korte termijn. Verder vraagt de motie om een nadere uitwerking van de diverse elementen van de besluitvorming. Dat is in wezen wat het college zijn protocol heeft genoemd en anderen de aanpak-Limmen of de aanpak-Herweijer of een combinatie ervan. Het college onderschrijft dit. Dat blijkt ook uit onze reactie op de aanbevelingen. Wij vinden het van groot belang om alle voorstellen nog eens rustig te overwegen en in een samenvattend voorstel aan uw vergadering voor te leggen. Op vragen van mevrouw Van Pinxteren heb ik vorige week al gezegd dat een tussentijdse rapportage in juni 2010, voorafgaand aan het in werking treden in september 2010, het college haalbaar lijkt.
Hoogerwerf P.
Haalt u nu de moties nr. 33 en 34 door elkaar of zijn wij inmiddels een beetje vermoeid geraakt?
Garde M.C. van der
De inhoudelijke beantwoording leek over motie nr. 33 te gaan terwijl u nr. 34 noemde. Het tweede deel van motie nr. 34 handelt over het stoplichtmodel à la het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam.
Gerson H.
Positief, pardon.
De motie nr. 35 gaat over de vraag of de gemeente voldoende geëquipeerd is om bij een enquête derden aan een verhoor te kunnen onderwerpen. Het college kan deze motie positief preadviseren, maar maakt een kanttekening bij het tweede element. Het zou kunnen dat een adviseur op juridische gronden zegt dat hij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft die hem verbiedt om de genoemde verplichting in een contract met de gemeente aan te gaan. Mijn houding daarin is simpel: wij zullen in dat geval af moeten wegen of wij toch met die adviseur in zee willen gaan of dat we een andere adviseur zoeken. Met de aantekening dat we ons gezonde verstand zullen moeten gebruiken, kan het college positief preadviseren.
Gerson H.
Het amendement van de heer Flos. Er is veel discussie over geweest. Het college bespeurt grote overeenstemming en kan positief preadviseren. Laat ik proberen het ook met mevrouw Alberts eens te zijn. Ik moet zeggen dat het beeld dat u schetste, van raadsleden die straks met twee of misschien wel met drie stapels papier voor zich zitten en zich afvragen welke stapel ze moeten lezen, mij heel erg aansprak. Het college preadviseert dus positief.
Pinxteren J. van
U adviseert in elk geval positief omdat u vindt dat het niet de bedoeling moet zijn dat we twee stapels papier krijgen. De heer Flos zegt echter dat hij het bewuste deel van de aanbeveling helemaal wil schrappen. Dat ligt hier voor. Ik heb begrepen dat een groot aantal mensen hier wel de rapportage wil hebben, maar niet wil dat ze gefilterd wordt of veranderd wordt. Wij willen de complete rapportage hebben met daarbij een oplegger van het college waarin het eventueel beargumenteert waarom het afwijkt van de cijfers. Volgens mij is dat een andere vertaling. De heer Flos zegt niets, maar ik wil duidelijkheid hebben zodat ik weet wat ik moet doen.
Gerson H.
Dank voor uw inbreng. Het college heeft de discussie gehoord. Het is belangrijk om duidelijk te zijn. De letterlijke tekst blijft staan. We kunnen in de notulen vastleggen dat er dit of dat mee is bedoeld, maar daar houd ik niet zo van. Als we kijken naar wat er staat, dan kan mijn conclusie niet anders zijn dan dat wij positief zijn over het amendement. Anders blijven de bewuste zinnen er staan. U en ik kunnen discussiëren over de vraag wat ermee bedoeld is. Iemand anders kan zeggen dat hij dit niet had bedoeld. Strikt genomen blijven wij echter met deze conclusie zitten. Dat lijkt mij, ook vanwege de discussie die we net over andere punten voerden, niet goed. Laten we de verwarring tot het minimum beperken. Het is het beste om het amendement te volgen. We kunnen nalezen wat we bedoelen. Het komt terug in het protocol voor de manier waarop het college de raad bedient. In wezen gebeurt het nu ook. U krijgt regelmatig kwartaalrapportages waar de managementbrief van de directeur bij zit, die hij ondertekent. De directeur is ook nu al verantwoordelijk voor datgene wat hij aanlevert. Er zit een aanbiedingsbrief van de wethouder of van het college bij. In de praktijk is de situatie anders. In de aanbeveling staat letterlijk: “rapportage vanuit de projectorganisatie moet rechtstreeks naar de raad gaan.” Daar kan het college niet mee instemmen. Dat lijkt ons geen goede werkwijze. Dat is de reden voor ons oordeel over het amendement. Misschien wilt u nog veranderingen aanbrengen, maar het lijkt mij goed om er klip-en-klaar over te zijn.
De motie nr. 37 van mevrouw Van Pinxteren. Het college onderschrijft de geest van de motie. Het college wil u wel een overweging meegeven, maar wij kunnen de motie niettemin positief preadviseren. Het zou kunnen dat er een project van 100 miljoen euro komt waarvan we gezamenlijk constateren dat de rapportages zo glashelder zijn dat er geen behoefte bestaat om er 100.000 euro of meer aan uit te geven. Het zou ook kunnen zijn dat we een project van 70 miljoen euro hebben dat u heel risicovol vindt en waarbij u behoefte hebt aan een externe toets. Het college wil deze motie niet zo uitleggen dat wij in dat geval zeggen: jammer, dat gaat niet door.
Pinxteren J. van
U onderschrijft dus volledig de tekst van de toelichting waarin ik precies dit aangeef. Het gaat ons natuurlijk niet om starheid, maar om effectiviteit en om het recht van de raad om bij belangrijke projecten zijn controlefunctie goed uit te kunnen oefenen.
Gerson H.
De motie nr. 38 kan het college positief preadviseren. We hebben dat net uitvoering besproken.
Pinxteren J. van
Nee, want de motie vraagt nadrukkelijk om ook de commissie bij het organiseren van de discussie te betrekken. Het kan betekenen dat de commissie besluit om ook andere deskundigen voor de sessie uit te nodigen. Dat is een wezenlijk verschil met uw verhaal tot nu toe. Daarin zegt u dat alle stukken beschikbaar zijn, u levert ook nog presentaties en het debat wordt op 10 februari 2010 georganiseerd. Dat vind ik allemaal prachtig, maar het gaat erom dat dit een zaak van de raad is. Het is een aanbeveling aan de raad. Het lijkt mij daarom zinnig dat de raad er een rol in heeft. Als de Commissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten het nodig vindt om een andere deskundige erbij uit te nodigen, dan moet dat mogelijk zijn.
Gerson H.
De motie nr. 39 van mevrouw Alberts. Het college hoopt dat we, met het betoog dat ik net heb afgestoken, kunnen constateren dat deze motie overbodig is. Wij zijn het in wezen eens. Ik herhaal nogmaals dat ik het betreur dat het college met zijn woorden voor verwarring heeft gezorgd. Ik hoef niet alles te herhalen. Het college geeft u daarom in overweging om deze motie als overbodig te beschouwen en er uw conclusies uit te trekken.
De motie nr. 40 is ook van mevrouw Alberts. Zij vraagt om een onafhankelijke commissie een berekening te laten maken. Het college vindt dat geen juiste besteding van overheidsgeld. In een zeer recent verleden heeft een zeer onafhankelijke commissie met veel experts precies gedaan wat hier staat, de commissie-Veerman. Er is uitvoering over gedebatteerd. Het college ziet niet in wat er via weer een nieuwe commissie aan dit rapport kan worden toegevoegd. Het college wil deze motie dus ontraden.
Manuel I.R.
Ik dank de wethouder voor zijn lange betoog. Misschien heb ik echter een zin gemist. U ontraadt de motie nr. 39 omdat ze overbodig is. U zei daarbij dat het college met de kennis van toen het besluit tot de aanleg van de Noord/Zuidlijn niet aan de gemeenteraad had mogen voorleggen. Dat hebt u eigenlijk gezegd, maar ik heb het niet gehoord. Misschien kunt u dat nog even zeggen.
Gerson H.
Ik heb in mijn lange betoog volgens mij driemaal gezegd dat het college de verwarring betreurt en instemt met de conclusie van de enquêtecommissie dat het college in 2002 het besluit niet op die manier aan de raad had moeten voorleggen. Laat daar nu geen enkele verwarring meer over bestaan.
Manuel I.R.
Met de kennis van toen. Dat zegt u toch? Met de kennis van toen had het besluit niet mogen worden voorgelegd.
Gerson H.
Ik zeg precies hetzelfde als wat de enquêtecommissie zegt. Ik wil conclusie 19 nog een keer voorlezen.
Willemse H.
Ik heb het idee dat de wethouder de woorden dat hij de conclusie onderschrijft zoals ze geformuleerd staat al gezegd heeft.
Manuel I.R.
Dat ben ik niet met u eens. Het college heeft in eerste instantie gezegd dat met de kennis van nu het besluit niet aan de gemeenteraad had mogen worden voorgelegd. Ik begrijp nu dat het college die uitspraak herziet en zegt dat met de kennis van toen het besluit niet aan de gemeenteraad had mogen worden voorgelegd. Het valt me echter op dat u dat niet expliciet zegt.
Gerson H.
Ik zeg heel expliciet dat het college alle conclusies van de enquêtecommissie, dus ook deze conclusie, volledig onderschrijft. Punt.
Drooge A.H. van
De enquêtecommissie heeft laten weten dat de conclusies allemaal stoelen op de premisse die ervoor staat. Onderschrijft de heer Gerson dat ook? Daar gaat het om. Als u alleen maar herhaalt dat u de conclusie onderschrijft zonder de premisse ervoor, dan draait u er nog steeds omheen, mijnheer Gerson.
Gerson H.
Ik maak hier ernstig bezwaar tegen. Ik heb duidelijk gezegd dat het college betreurt dat wij verwarring hebben veroorzaakt door de kreet ‘met de kennis van nu’. Dat komt doordat het college ervan uitgaat dat het om een feit gaat. Wij allen in deze zaal baseren ons op de kennis van nu. Wij baseren ons op het rapport van de enquêtecommissie. Dat is een feit. Het heeft verwarring veroorzaakt omdat sommigen dachten dat daarmee een relativering werd aangebracht en dat wij iets anders zeiden dan de enquêtecommissie. Dat is niet aan de orde. Als het college na lezing van het rapport zegt dat het volledig instemt met deze conclusie, dan is daar geen woord Spaans bij.
Cohen M.J.
Er zijn mij een paar vragen gesteld over de zorgplicht. Wij hebben dit vorige week in de commissie uitvoeriger besproken. De kern ervan komt terug in vragen van mevrouw Alberts die een zin citeert uit een brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer en in afschrift ook aan ons en aan u. Die zin luidt: “De burgemeester is in dezen hoeder van de kwaliteit van de besluitvormingsprocessen.” Mevrouw Alberts vraagt of ik daaraan heb voldaan. Het is denk ik goed om niet slechts bij de eerste zin van de alinea stil te staan, maar ook de andere zinnen van de alinea erbij te betrekken. Ik lees even de hele alinea voor. “De burgemeester is in dezen hoeder van de kwaliteit van de besluitvormingsprocessen. Interventies bestaan vooral uit het signaleren van knelpunten of problemen. Bij gesignaleerde problemen dienen de bevoegde organen maatregelen te treffen. De gemeenteraad dan wel het college. Uit de zorgplicht voor de kwaliteitsbewaking kan men geen bijzondere, inhoudelijke beleidsverantwoordelijkheid van de burgemeester afleiden. De gemeentelijke bestuursorganen dragen ieder hun eigen inhoudelijke verantwoordelijkheden.” Dat houdt de zorgplicht in. Ik meen dat ik vorige week aan de raad heb uitgelegd hoe ik deze heb opgevat. Dat is exact op deze manier. Mijn antwoord op de vraag van mevrouw Alberts is: ja, ik heb aan de zorgplicht voldaan op de manier waarop de minister deze interpreteert en zoals ook ik hem interpreteer. De heer Van Drooge heeft er in zijn betoog vervolgens nog een aantal kwalificaties aan gegeven. Het lijkt mij dat de raad daar conclusies uit moet trekken.
De heer Manuel heeft twee soorten opmerkingen gemaakt. Hij heeft een onderscheid gemaakt tussen mijn rol als burgemeester en als lid van mijn partij. Het enige wat ik erover zeg, is dat ik mij er niet in herken. Hij heeft verder een vergelijking gemaakt tussen de burgemeester en de premier. Ook dat lijkt mij een onderscheid dat ik niet herken.
Asscher L.F.
De heer Manuel en de heer Van Drooge hebben specifiek aan mij vragen gesteld. De heer Manuel vroeg naar de zorgplicht van de wethouder Financiën. Ik zal u toelichten wat de rol van de wethouder Financiën bij de Noord/Zuidlijn is. Het zijn vier rollen: kritisch meekijken ten behoeve van realistische ramingen aan het college en aan de raad, waken voor te gemakkelijke opdruk dan wel acceptatie van hogere ramingen, het zoeken van oplossingen voor dekkingsproblemen in het licht van de integrale gemeentebegroting en een politieke verantwoordelijkheid voor het schadebureau van de Noord/Zuidlijn. Als u wilt, kan ik ingaan op de manier waarop ik deze taken heb vervuld tijdens deze collegeperiode, maar dat heb ik ook in het openbare verhoor gedaan. Misschien kunt u daarmee volstaan.
Vervolgens vroeg u mij net als in de commissievergadering naar de manier waarop ik ben omgegaan met de mededeling van de heer Van der Horst. Ik herhaal dat het een niet-onderbouwde of nader omschreven mededeling was die hij aan mij als raadslid en in vertrouwen heeft gedaan. Vervolgens is bij de collegevorming afgesproken dat de onderste steen boven zou moeten komen. Dat is ook gebeurd. Zeer kort na de behandeling van de raming in de raad die nog van het vorige college afkomstig was, op 21 juni 2006, is een nieuwe raming aan de raad voorgelegd. Uw commissie was al op 17 juni 2006 daarvoor gewaarschuwd. Dat was een duidelijke afwijking van de gewone gang van zaken. Er was dus geen sprake van doorlopen in de voetsporen van het vorige college zoals u het noemt. Nee, veel eerder dan anders het geval was, zijn de nieuwe ramingen boven water gekomen. Een overschrijding van 83 miljoen euro met een bandbreedte en een aantal risico’s. Dit is aan de raad gemeld en in de begroting verwerkt. U kunt dat nog eens nalezen op pagina 282 van het rapport.
Dan kom ik bij de vragen en opmerkingen van de heer Van Drooge. Mijnheer Van Drooge, ik heb uw vragen in de raadscommissievergadering van 13 januari 2010, waarop u net in ferme bewoordingen terugkeek, vooral opgevat in het licht van aanbeveling 15.1 waar het college zich niet in kan vinden zoals u weet. Dat wil zeggen dat ik begreep dat u ervoor pleitte dat negatieve adviezen van Concern Financiën en andere ambtelijke instanties rechtstreeks zouden moeten worden doorgestuurd naar de raad. De actieve informatieplicht houdt in dat het college de raad die informatie moet verstrekken die nodig is om zijn controlerende taak te kunnen uitoefenen. Dat is niet nader gedefinieerd. Tot nu toe is er nooit het standaard meesturen van ambtelijke adviezen onder begrepen. Dat is ook niet het geval in andere gemeenten of bij departementen. Het betekent wel, en ik erken dat ook volmondig, dat de raad te allen tijde op de hoogte moet worden gesteld van risico’s waarvan het college kennis heeft. De afspraken tussen raad en college daarover zijn door de regeling Risicovolle projecten nader gepreciseerd. Vanmiddag heeft de enquêtecommissie bij monde van haar voorzitter op vragen van de heer Flos de interpretatie van de uitwerking van 15.1 nader gespecificeerd. Afwijkingen van zwaarwegende prognoses door het college zouden moeten worden gemeld. Ik kan me daar wel in vinden. Ik vind het een goede zaak. U ziet het overigens ook in de rapportage over Q4 van 2008 die toen onder verantwoordelijkheid van wethouder Van Poelgeest aan de raad is voorgesteld. Er was sprake van een prognose van 320 miljoen euro. Dat is ook zo aan de raad gemeld. Het college heeft een prognose van 290 miljoen euro met redenen omkleed aan u voorgelegd. Dat is denk ik in de geest van de uitleg van de aanbeveling die de heer Limmen vanmiddag gaf naar aanleiding van het debat over 15.1. Wat mij betreft blijft dat ook zo, onafhankelijk van de vraag hoe de raad beslist over het amendement van de heer Flos.
Langs die lijn redenerend, is het ook goed verdedigbaar dat het goed zou zijn om bij dit soort megaprojecten de raad te informeren als van zwaarwegende en serieuze financiële adviezen wordt afgeweken. Op die manier begrijp ik het pleidooi van de heer Van Drooge inmiddels ook. Ik ben er ook toe bereid, maar ik denk dat het goed is om een dergelijke regeling nader uit te werken in een protocol. Ik wil namelijk op geen enkele manier afstand doen van de volledige politieke verantwoordelijkheid voor de informatie die wij aan de raad verstrekken. Dat is weer in lijn met datgene wat de heer Flos en mevrouw Alberts daarover opmerkten. Ik kan mij dus voorstellen dat we bij de uitwerking van de aanbevelingen waarmee we toch aan de slag gaan, hierop terugkomen en nadere afspraken met elkaar maken. De verdere bewoordingen en conclusies die de heer Van Drooge aan dit alles verbindt, komen op mij over als meer politiek getinte conclusies die ik voor zijn rekening laat en ter beoordeling aan de gemeenteraad.
Poelgeest M. van
De heer Manuel heeft mij een vraag gesteld over het publiekrechtelijk toezicht. U vroeg onder meer of we in personele zin op sterkte zijn. Dat is zo. U weet ook dat de werkwijze van BWT veranderd is. Daarover is de raad nog voor de zomer van 2009 ingelicht bij het besluit om te vriezen. Ik neem aan dat uw vraag hiermee beantwoord is.
Alberts R.
Ik heb behoefte aan een schorsing voordat wij aan onze tweede termijn beginnen. Is dat mogelijk?
Schorsing
Willemse H.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van der Garde.
Tweede termijn
Garde M.C. van der
Een aantal partijen is benieuwd naar wat er in de schorsing besproken is, maar ik begrijp dat wij moeten wachten tot een van de betrokken partijen het woord zal voeren. Ik dank het college voor de heldere en duidelijke beantwoording. Op 13 januari 2010 hebben wij dit onderwerp in de commissie besproken. Vanavond is het voor ons nog duidelijker geworden. Dit college neemt zijn verantwoordelijkheid voor het afbouwen van de Noord/Zuidlijn en is nu al voortvarend aan de slag met een aantal van de aanbevelingen van dit rapport. Het neemt alle conclusies over. Dat laat geen enkele onduidelijkheid meer bestaan. Ik snap de opstelling van de SP in de eerste termijn. Zij was steeds tegen de aanleg van de Noord/Zuidlijn. Ik schrik soms van de heftigheid van de reactie van het CDA. Ik vind ook de toon niet helemaal passen bij de woorden. Ik hecht eraan om dit te zeggen.
Ik wil graag een aantal dingen zeggen over de moties, te beginnen met een motie van onszelf. De motie nr. 34 heeft twee besluitpunten. Wij stellen voor om het eerste dictum te verwijderen. De motie gaat over twee elementen van de uitwerking van de aanbevelingen. Ten eerste de PI-verzekeringen. Het college heeft gezegd dat er op dat punt iets uitgewerkt wordt en het lijkt ons goed om dat even af te wachten. Het tweede element wordt gevormd door de risico’s van het boren. Er ligt een enorm uitgebreid voorstel van GroenLinks dat wij liever willen volgen. Dat betekent dat ik een accentmotie indien.
Wij volgen het college in zijn afwijzing van de motie van de heer Van Drooge. Wij twijfelden een beetje over amendement nr. 36, maar na het debat en de uitleg van het college hoeft er geen misverstand meer over te bestaan. Als de raad informatie krijgt, dan is deze via het college gegaan. Wij steunen daarom het amendement. Wij willen de motie nr. 37 graag steunen. Ze heeft ook een positief preadvies gekregen. Ik zei net al dat wij een deel van onze motie nr. 34 intrekken omdat motie nr. 38 veel uitgebreider is. Wij willen haar ondersteunen en zo snel mogelijk een goed debat over het boren organiseren. Wij vinden vooral het tweede dictum heel goed, om de uitkomst voor de Amsterdammers te verduidelijken. De motie nr. 39 is volgens ons overbodig na de duidelijke uitleg van het college. Tot slot motie nr. 40. Tijdens dit debat en met dit enquêterapport zijn er geen nieuwe feiten aan het licht gekomen die ons ertoe doen besluiten om een nieuwe berekening te laten maken. Deze motie zullen we dus niet steunen.
69° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (rapportage projecten) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 42)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
69° Motie van de raadsleden Van der Garde en Bergervoet inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (rapportage projecten) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 42).
Besluit:
Verzoekt het college:
Aan de raad voorstellen te doen voor een voor de besluitvorming van de gemeenteraad inzichtelijke en gestructureerde rapportage over de voorbereiding, voortgang, financiën, risico’s en tijdsplanning van projecten.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flos.
Flos R.E.
Ik dank het college voor de beantwoording in de eerste termijn. Ik wil vooral iets zeggen over de moties. De motie nr. 31 zullen wij in overeenstemming met het preadvies van het college niet steunen, tenzij de heer Van Drooge zo dadelijk nog met een heel overtuigende verklaring komt. De motie nr. 33 van mevrouw Van der Garde en mevrouw Bergervoet zullen wij steunen. De gewijzigde motie nr. 42 zullen wij ook steunen. Sterker nog: in de commissie heb ik al gezegd dat het goed zou zijn als het stoplichtmodel er zou komen. De motie nr. 35 van mevrouw Van der Garde en mevrouw Bergervoet zullen wij steunen, maar wij zijn het ook eens met de kanttekening die het college erbij heeft gemaakt. De situatie kan zich voordoen dat mensen vanwege juridische redenen niet aan de eis kunnen voldoen. Wij vinden dat het college dan alsnog zelf kan besluiten om een contract met de betreffende persoon of organisatie te sluiten. Ik hoop dat de motie met die aantekening kan worden uitgelegd. Ik zie de indieners knikken. Ik ben blij dat amendement nr. 36 met de kale uitleg van de wethouder erbij breed gesteund wordt, niet alleen door de indieners, maar ook door het college en door de PvdA-fractie.
Ik wil mijn waardering uitspreken voor de motie-Van Pinxteren. Ik vind het een heel creatieve motie om een deel van het projectbudget bij risicovolle projecten al bij voorbaat te reserveren om de raad een externe second opinion te laten verrichten. Ook daarin zit de nuance dat, als er goede redenen zijn om het niet te doen, het college gemotiveerd kan voorstellen om ervan af te wijken. Vervolgens kan de raad besluiten dat de argumenten van het college niet deugen en alsnog het budget voor een onafhankelijke toets gebruiken. Ik heb zelf ook wel eens met kosten- en batenanalyses te maken en 100.000 euro hoeft helemaal niet veel geld te zijn. Soms kan het ook te weinig zijn. Ik denk dus dat we ons niet moeten vastpinnen op de grens van 100.000 euro.
De motie nr. 38 zullen wij ook steunen, maar we hebben er wel een opmerking bij. In deze motie verzoekt mevrouw Van Pinxteren om een bijeenkomst over het boren te houden. Wij vinden het van belang dat deze bijeenkomst op een dusdanig moment, maar wel goed voorbereid, kan plaatsvinden zonder dat de aanvang van het boren aanzienlijk wordt uitgesteld waardoor we alsnog extra vertraging oplopen en extra kosten maken. Het moet goed gebeuren, maar wel snel. Misschien kan het college zeggen of het de motie goed kan uitvoeren zonder dat het boorproces wordt vertraagd. Wij denken dat de motie nr. 39 wordt ingetrokken, maar dat is aan de SP voorbehouden. Wij zijn het, net als mevrouw Van der Garde, oneens met de motie nr. 40. De commissie-Veerman is breed geaccepteerd en er is geen reden om op basis van het enquêterapport aan de conclusies daarvan te twijfelen.
Pinxteren J. van
Ook GroenLinks hecht eraan om te zeggen dat wij het college zeer bedanken voor de beantwoording. We zijn heel erg blij met de ondubbelzinnige onderschrijving van de conclusies en aanbevelingen zodat we mogen constateren dat we het daar in ieder geval met het college over eens zijn. Dat is prettig. Ik wil eerst de moties behandelen. Wij zullen de motie nr. 31 van het raadslid Van Drooge niet steunen. Wij zullen de motie nr. 33 van mevrouw Van der Garde wel steunen. Ik ben blij met de accentmotie van de PvdA onder nr. 42. Het eerste deel van de oude motie is door het hieraan voorafgaande debat minder nodig geworden. Ik ben blij dat u steun geeft aan onze motie over het debat over het boren. Ik denk dat we het inmiddels allemaal eens zijn over een verstandige stoplichtrapportage. Bij de motie nr. 35 kan ik mij geheel aansluiten bij wat de heer Flos zei. Het is goed om te proberen wat hier voorgesteld wordt en dat we dit bij de Tweede Kamer aankaarten. Ik ben heel benieuwd naar de uitkomst ervan. We zien dat met belangstelling tegemoet. Wij hadden zelf ook al de kanttekening bedacht die de heer Flos maakte. Er kunnen juridische redenen zijn om andere keuzes te maken. We steunen deze motie echter. Met het preadvies van het college en de woorden van de collega’s Van der Garde en Flos zojuist kunnen ook wij het amendement nr. 36 steunen.
Ik ben heel erg blij met de positieve reactie van het college op de motie nr. 37 en ook met de woorden van de heer Flos. Dit is mijn laatste debat over de Noord/Zuidlijn. Ik ben blij dat dit voorstel zo positief ontvangen lijkt te worden. Het advies op de motie nr. 38 is heel mooi, zeker nadat de wethouder bevestigde dat hij dit graag, in overeenstemming met het enquêterapport, in samenwerking met de raad gaat organiseren. Ik ben het er natuurlijk mee eens dat dit op tijd, voor de start van het boren moet gebeuren. Dat zou ook kunnen betekenen dat we het debat in juni houden en dat we pas in september gaan boren. Dat is niet de bedoeling. Ik ben blij dat de wethouder een datum in de volgende maand voor ogen heeft. Ook wij vinden dat het college de motie nr. 39 goed beantwoord heeft waarmee ze voor ons overbodig is. We zullen haar daarom niet steunen. Voor de motie nr. 40 geldt ook voor ons dat wij op dit moment geen aanleiding zien om aan de cijfers te twijfelen. Dit enquêterapport geeft daartoe geen aanleiding. Wij krijgen over niet al te lange tijd de Q4-rapportage. Mocht die rapportage aanleiding geven tot nieuwe aarzelingen, dan kan ik me voorstellen dat de raad dit nog eens heroverweegt. Op dit moment zien we daartoe geen aanleiding en zullen we de motie dus niet steunen.
Tot slot moeten mij nog een paar dingen van het hart. Ik vond dat ik in de eerste termijn een beetje onaardig was tegen het CDA. Ik had mijn woorden iets anders kunnen kiezen, dat geef ik toe. Er moet mij echter ook van het hart dat ik zeer verbaasd ben over de woorden die het CDA heeft gekozen om de reactie van het college te beoordelen. Ik vond ze af en toe bijna ongepast. Ik hoop dat ook u ze wilt nuanceren. Ik verbaasde mij in de eerste termijn ook nog over iets anders en wel de op onderkoelde toon, waardoor het allemaal niet zo erg leek, uitgesproken woorden van de heer Flos. Het heeft mij enorm verbaasd dat u de afkoop van de risico’s door het Rijk, de overspannen markt, 11 september en de gewiekstheid van aannemers als externe factoren aanduidt waarvan u geen weet kon hebben. U zult begrijpen dat ik het daarmee gewoon niet eens ben. Iedereen die toen de krant las en op de hoogte was, kende deze factoren en had zich op dat moment kunnen afvragen of ze van invloed waren op de aanbestedingsresultaten.
Alberts R.
Ik wil eerst een paar dingen tegen de raad zeggen. Ik ben er mijn betoog in de eerste termijn ook mee begonnen. Ik herhaal dat we allemaal ervoor moeten waken dat we doormodderen. Ik heb daar helemaal geen behoefte aan. We hebben dat nu wel genoeg gezien. Anders is dit hele enquêterapport voor niets geweest. Laten we alsjeblieft als raad het enquêterapport ter harte nemen. Laten we niet zeggen: mooi rapport, maar we gaan gewoon door. Ik herhaal het nog maar eens. Daarom heb ik alsnog een motie over het debat over het boren. De motie is heel beknopt. Wij vinden namelijk dat de discussie over het boren in alle openheid en zonder beperkingen dient plaats te vinden. De raad kan er nogmaals zijn oordeel over uitspreken.
Ik concludeer dat de Amsterdammer nog geen enkele vorm van excuus van dit college heeft gehoord. U hebt een lang verhaal gehouden waaruit alleen maar geconcludeerd kon worden dat u vindt dat u het goed doet. Dat hoorde ik in het verhaal van de heer Gerson. Ik heb het afgelopen woensdag ook gehoord. Ik kon zo in het verslag meelezen. Ik las een heleboel dubbel. Het was een tamelijk nutteloze herhaling van zetten. Het college heeft onduidelijkheid geschapen door in eerste instantie de terminologie ‘met de kennis van nu’ te gebruiken. Ik vind dat het college tot nu toe onvoldoende gedaan heeft om die onduidelijkheid op te heffen. Ik hoop daarom dat het college in de tweede termijn meer duidelijkheid verschaft en dat we excuses te horen krijgen. Tot nu toe kan ik alleen nog maar concluderen dat er veel te weinig geleerd is van dit enquêterapport. Als ik het letterlijk op mijn tenen laat vallen doet het al zeer, maar volgens mij betekent het enquêterapport inhoudelijk nogal een knal. U kunt mij overtuigen. Ik bied u de mogelijkheid daartoe en ik hoop dat u er gebruik van maakt. Anders overweeg ik in een derde termijn een motie in te dienen. Motie nr. 39 trekken we in.
Willemse H.
De motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 39), ingetrokken zijnde, maakt geen onderwerp van behandeling meer uit.
70° Motie van het raadslid Alberts inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (boren) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 41)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
70° Motie van het raadslid Alberts inzake het rapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (boren) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 41).
Besluit:
Is van oordeel dat de discussie over het boren in alle openheid en zonder beperkingen dient plaats te vinden.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Van Drooge.
Drooge A.H. van
Mevrouw Van der Garde en mevrouw Van Pinxteren spreken mij aan en zeggen dat ik een beetje heftig reageer en mijn betoog zwaar aanzet. Ik zou dat als kritiek kunnen opvatten. Wij hebben allemaal dit rapport voor de kiezen gekregen. Ik heb drie jaar in deze raad gezeten en heb vertrouwen gegeven aan de mensen die de stad besturen. Als ik dan dit voor mijn kiezen krijg, dan raak ik zeer geschokt. Geschokt door mensen die ik vertrouwen geef en die er op deze manier mee zijn omgegaan. Daardoor reageer ik heftig. Als ik mensen vertrouw, dan wil ik dat graag zo houden. Als mensen mijn vertrouwen een keer beschamen, dan houdt het op. Mevrouw Van der Garde, u hebt mij twee keer toegezegd dat u een verklaring zou geven. Ik heb haar nog niet gekregen. Ik begrijp wat u zegt, maar ook tegen u zeg ik dat dit voor de raad en voor alle Amsterdammers een zeer confronterend rapport is. Zeer confronterend. Als het college in eerste instantie reageert op de manier waarop het heeft gereageerd, dan rijst bij mij de vraag wat men ervan heeft geleerd. Waarom kan wethouder Gerson niet zeggen: met de kennis van toen hadden we dit niet moeten doen? Waarom moet er omheen gedraaid worden? Waarom wordt het niet gezegd? De wethouder zegt dat hij verantwoordelijkheid neemt voor het verder brengen van het project. Hoe zit het echter met de verantwoordelijkheid voor het verleden? Hij zegt dat het college zich heeft ingespannen om de situatie te verbeteren. Natuurlijk heeft hij dat gedaan. In dezelfde zin zegt hij echter ook dat er de laatste tijd een veel betere sfeer is ontstaan en dat deze zes of negen maanden geleden veel slechter was. Hij verdedigt de wethouder die hem voorging door een vergelijking te maken met de bezuinigingsoperatie. Hij zegt dat hij adviezen van ambtenaren krijgt en dat hij daarmee moet kunnen werken. Natuurlijk is dat zo. Natuurlijk zeg ik niet dat hij zijn ambtenaren niet kritisch mag bevragen. Als hij echter bij een prognose die aan de raad moet worden gestuurd, vraagt om deze bij te stellen, als hij vraagt om een gesnoeide prognose, dan is er geen sprake van een bezuinigingsoperatie. Hij zegt: er liggen cijfers die me niet zo goed uitkomen.
Garde M.C. van der
Het leek er even op dat u niet naar de andere sprekers in deze gemeenteraad en in de beide commissievergaderingen hebt geluisterd. Volgens mij hebben alle fracties en het college gezegd dat de conclusies hard zijn, dat het rapport confronterend is, dat het erg is voor de Amsterdammers en dat de gebeurtenissen van de afgelopen jaren dramatisch zijn. Iedereen in zijn eigen woorden. In mijn tweede termijn heb ik u verweten dat u heel harde woorden in de richting van het college spreekt, maar ze inhoudelijk onvoldoende onderbouwt. U hebt nu al vier keer gewezen op een gesnoeide prognose. U deed dat ook in de raadscommissie en nu weer. In de openbare verhoren heeft de portefeuillehouder gezegd dat naar zijn weten de kostenstijging niet naar beneden werd bijgesteld. U blijft maar herhalen dat er iets in een e-mail stond. U stelt zich op een aantal punten heel hard op ten opzichte van het college terwijl u dat onvoldoende onderbouwt.
Drooge A.H. van
Mevrouw Van der Garde, ik wil het nog een keer proberen. Het gaat er niet om dat de prognose niet is bijgesteld. Het gaat mij erom dat een wethouder een dergelijke vraag niet aan zijn ambtenaar moet stellen. Als u zegt dat de prognose niet is bijgesteld, dan geloof ik dat. Dat zal wel. Het gaat er niet om of ze is bijgesteld. Als er een prognose wordt opgesteld dan kun je in discussie gaan en verduidelijkingen vragen. Als de wethouder zegt: ik wil een gesnoeide prognose, dan vind ik dat hij dat niet kan doen. Je moet altijd eerlijkheid nastreven. De wethouder zegt steeds dat de prognose niet is bijgesteld. Daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de vraag die gesteld is. Ik heb u proberen uit te leggen, mevrouw Van der Garde, waarom ik dit vind en waarom ik hiervoor gekozen heb.
Garde M.C. van der
Voor alle mensen die het volgen, hecht ik eraan op te merken dat het rapport vijfhonderd pagina’s telt en handelt over vele jaren omgang met de Noord/Zuidlijn. U benadrukt een kleine kwestie waarbij moeilijk aan te geven is wat er uiteindelijk naar de raad is gestuurd. Er is geen verkeerde prognose naar de gemeenteraad gestuurd, laten we wel wezen. Als u zulke harde woorden kiest in de richting van het college, komt u dan eens met betere voorbeelden. Die hoor ik niet van u. Sterker nog: uw partij zat jarenlang ook in het college. Ik heb u niet heel kritisch naar uzelf horen zijn. Ik heb dat net ook al gezegd. Dat vind ik jammer. Als u ook zo kritisch naar uzelf zou zijn, dan kunt u ook kritisch op iemand anders zijn. Ik heb u niet kritisch over uzelf horen spreken.
Drooge A.H. van
Mevrouw Van der Garde, dat heb ik net al gedaan. Als u het niet erg vindt, dan keer ik weer terug naar de grote lijn.
De heer Flos heeft mij gevraagd om hem te overtuigen over de motie nr. 31. Op pagina 69 beveelt de enquêtecommissie aan dat directeuren die sleutelposities bezetten kennis moeten hebben van deze bijzondere projecten. Daarom diende ik een motie over de carrousel in. Ik hoop dat ik u hiermee kan overtuigen. Het gaat erom een zo goed mogelijke lijn in te zetten.
Flos R.E.
Volgens mij zegt de commissie daarnaast dat het net zo goed van belang is om mensen niet te laten vastroesten en ervoor te zorgen dat ze bij het uitvoeren van plannen niet vasthouden aan eerder ontwikkelde ideeën. Misschien vindt de commissie wel dat het juist wenselijk is dat ook bij de Noord/Zuidlijn directeuren van tijd tot tijd rouleren
Drooge A.H. van
Volgens mij praten we nu een beetje langs elkaar heen, mijnheer Flos. In de aanbeveling staat dat een projectdirecteur die een sleutelpositie inneemt grote kennis heeft van een dergelijk groot, bijzonder en eenmalig project. Ervoor kiezen om eerste intern een directeur te zoeken, is niet sterk. Daar gaat het mij om. Ik zie echter dat ik u niet kan overtuigen. Daarom lijkt het mij verstandig om deze motie in te trekken.
Ik heb nog een vraag aan het college. Ik heb u in eerste instantie gevraagd of u ongeclausuleerd en ondubbelzinnig excuses wilt maken voor wat er is gebeurd. Kunt u dat doen? Kunt u zeggen: er zijn excuses op zijn plaats voor alles wat hier fout is gegaan? Mijn tweede vraag aan wethouder Gerson is: kunt u zeggen dat u vindt dat het college met de kennis van toen het besluit in 2002 niet aan de raad had mogen voorleggen? Probeert u niet te zeggen dat u de conclusie van de enquêtecommissie onderschrijft, want er gaat een clausule aan vooraf. Het antwoord van wethouder Asscher is mij duidelijk. U gaf antwoord op wat ik in eerste instantie vroeg. Ik ga akkoord met de manier waarop u dat uitwerkt.
Pinxteren J. van
Ik heb een vraag aan de heer Van Drooge gesteld over zijn zware woordkeus. Ik zal niet alles herhalen. U discussieerde lang door over de term ‘snoeien’. Over de passage daarover in het rapport zei u dat het college tot misdaad aan zou zetten. Daar viel ik echt over.
Drooge A.H. van
Mevrouw Van Pinxteren, hierbij neem ik dat met veel liefde terug. Het woord ‘misdaad’ is mij uit de mond geglipt.
Willemse H.
De motie-Van Drooge (Gemeenteblad afd. 1, nr. 31), ingetrokken zijnde, maakt geen onderwerp van behandeling meer uit.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Manuel.
Manuel I.R.
Ik eindigde mijn eerste termijn met de conclusie dat de burgemeester in de kwestie van de Noord/Zuidlijn een gebrek aan leiderschap te verwijten valt. Niet zozeer door dat te koppelen aan zijn zorgplicht en dat te verbreden naar iets wat groter is dan het eigenlijk bedoeld is, maar door zijn opereren als benoemd burgemeester. Wij denken dat hij ook vaak politiek fungeert. In dat verband heb ik gezegd dat de burgemeester de Partij van de Arbeid-kroonprins is, een PvdA-prominent is en lid is van het team-Asscher. De burgemeester is het daar niet mee eens liet hij zojuist weten, maar hij vroeg mij wel om mijn uitlatingen te onderbouwen. Dat zal ik doen. Ik heb wat informatie bij elkaar gezocht. Ik zal het niet bij een voorbeeld laten, want dan krijg ik meteen mevrouw Van der Garde op mijn nek met de opmerking dat het maar een voorbeeld is. Ik heb een mapje met een aantal voorbeelden. Als u wilt, dan kunt u het straks krijgen. De voorbeelden gaan over het politiek fungeren van onze burgemeester, politiek in de zin van PvdA-politicus. Een artikel van Job Cohen zelf: ‘Religie heeft Partij van de Arbeid moreel anker te bieden’, in Trouw. ‘Job Cohen ziet rol voor religie als inspiratiebron PvdA’, in RKK Katholiek Nederland. Uit Het Parool: ‘Cohen: integratiedebat Partij van de Arbeid kan milder’. NOVA: ‘Partij van de Arbeid worstelt met visie op integratie. Volgens de burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, ligt de nadruk veel te veel op de negatieve kanten van het integratiedebat. De nota houdt haast een bestraffend vingertje op hoe het hoort te gaan in ons Nederland”, aldus Cohen. Dan een artikel van de heer Cohen in het tijdschrift Socialisme en Democratie. Het gaat over de nota Verdeeld verleden, gedeelde toekomst. ‘Een eigen idioom’. Het is van de Wiardi Beckmanstichting waar u kennelijk als lid, als politicus actief bent. Ik zal het niet te lang maken, want er waren veel meer voorbeelden. Nog een voorbeeld uit NOVA: ‘Job Cohen over de leiderschapscrisis in de Partij van de Arbeid’. Het zal toeval zijn, maar de eerste tekst luidt: ‘Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig’, zei PvdA-lijsttrekker Wouter Bos. Ik denk dat hiermee is aangetoond dat onze burgemeester vaak als burgervader optreedt, maar ook vaak optreedt als PvdA-prominent. Dat is voor D66 reden om hem toch te mogen verwijten dat hij in de afgelopen jaren bij het project Noord/Zuidlijn te weinig leiderschap heeft getoond. Mocht hij dat nog willen ontkennen, dan hoor ik dat zo meteen.
Manuel I.R.
Dat lijkt me heel verstandig. Anders ga ik verder met deze lijst die nog tot aan het einde der tijden aangevuld kan worden.
De moties. D66 zal tegen het amendement nr. 36 en de motie nr. 40 stemmen en voor alle andere moties. Ik wil nog ingaan op het antwoord van het college. Andere partijen hebben het ook al gezegd: het college heeft het goed bedoeld, dat wil ik wel aannemen, maar het komt teleurstellend over. Misschien kan ik wethouder Gerson vragen om in zijn tweede termijn iets tegen de stad te zeggen, iets tegen de gemeenteraad, maar ook tegen de stad te zeggen. Wat zegt u tegen de Amsterdammers als u dit rapport beschouwt? U hield een heel technische verhandeling over zaken die u in de toekomst allemaal beter zult doen. Ik raakte af en toe het spoor bijster bij uw technische verhandeling. Wat zegt u in drie zinnen tegen de stad?
Schorsing
Willemse H.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Gerson.
Gerson H.
Namens het college kan ik in de tweede termijn tamelijk kort zijn. Ik wil op een aantal punten reageren. Ten eerste heeft mevrouw Alberts betoogd dat zij niets hoort, dat de wethouder de indrukt wekt dat alles goed gaat en dat we niet door moeten modderen. Mevrouw Alberts, ik ben in mijn eerste termijn uitvoerig ingegaan op een kwestie die het college en ook mij persoonlijk zeer ter harte gaat: de huidige stand van het project. U hebt in uw eerste termijn zeer zware woorden daarvoor gebruikt. Na mijn reactie bent u daar totaal niet op ingegaan. Dat raakt mij zeer omdat ik in mijn inleiding heb gezegd dat ik persoonlijk met mijn 35 jaar ervaring in de gemeente van alles heb meegemaakt en nu dit onder ogen krijg en daar een kwalificatie aan verbind. Dan zijn er mensen die zeggen: wij merken niet dat dit het college iets doet. Heeft het lessen geleerd? Ik weet niet welke woorden ik er nog aan toe kan voegen. Ik heb er ook niets aan toe te voegen, behalve dan door nog eens naar mijn woorden te verwijzen en u te vragen ze nog eens rustig na te lezen.
Er is discussie geweest over de vraag wat het college eigenlijk zegt. Ik heb het niet geturfd, maar volgens mij heeft het college in zijn termijn ongeveer vijf keer glashelder gezegd dat het college de conclusies van het rapport van de enquêtecommissie volledig onderschrijft. Ik kan het nog een keer zeggen. Dat is zes keer. Dit is ook voor de Amsterdammers de meest duidelijke boodschap die zij kunnen krijgen. U hebt ons ook verschillende keren kunnen horen betogen dat wij betreuren dat het zo gelopen is. Ik denk dat dat de meest helder boodschap is die we naar de Amsterdammers toe kunnen uitspreken, zoals we ook gewezen hebben op de gevolgen die het voor de stad, voor u en voor de Amsterdammers heeft. Daar is geen woord aan toe te voegen. Ik wil het hierbij laten.
Alberts R.
Ik heb in mijn termijn gezegd dat ik een reactie van het college verwachtte. Ik heb het de kans ertoe gegeven. Ik heb ook gezegd dat ik een motie overwoog. Ik heb die motie hier liggen. Ik wil een korte schorsing om te bekijken welke raadsleden deze motie medeondertekenen. Dat duurt twee minuten.
Schorsing
Willemse H.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Alberts.
Alberts R.
Ik wil toelichten waarom ik ga doen wat ik heb aangekondigd. Ik loop de gebeurtenissen even na. Wethouder Herrema zou op grond van dit rapport zijn weggestuurd. De reactie van het college vorige week hebben wij geïnterpreteerd als het in bescherming nemen van de burgemeester. Wethouder Asscher liet ons bij de start van dit college geloven en erop vertrouwen dat het allemaal goed zou gaan. De afgelopen drieënhalf jaar was ook onderwerp van onderzoek van de enquêtecommissie en ook toen, in 2008 en 2009, was de zaak niet op orde. Het college en de collegepartijen hebben daar nauwelijks op gereageerd.
Alberts R.
In het collegeakkoord werd beloofd dat we van optimisme naar realisme zouden gaan. We hebben deze woorden regelmatig van de heer Herrema gehoord. In de reactie van het college op het rapport is dit onvoldoende aan de orde gekomen. Wij vinden dat dit een uitspraak van de raad waard is en dus dienen wij deze motie in. De motie is tamelijk beknopt. Wij keuren de reactie van het college op het rapport van de enquêtecommissie af.
Garde M.C. van der
Ik ken de overwegingen van uw motie niet, maar ik hoor nu het besluit. Betekent dit dat u de gehele reactie van het college, van vandaag en van 13 januari, afkeurt?
Alberts R.
Ik zei: de reactie. We kunnen namelijk niet marchanderen, een stukje wel en een stukje niet. Het gaat om een totaalverhaal dat ook door het college als zodanig is gebracht.
Garde M.C. van der
Het college heeft zojuist gezegd dat het de gebeurtenissen betreurt. Het neemt alle conclusies en aanbevelingen over. Ook dat keurt u af? Ik wil meteen mijn tweede vraag aan de SP stellen. Wat is het doel van uw motie? Wilt u dat dit college opstapt? Ja of nee?
Alberts R.
Ik heb al eerder gezegd dat wij uit het antwoord van het college niet kunnen opmaken dat er iets geleerd is van het enquêterapport. Er ligt een rapport, maar we gaan door. Vervolgens gaan we over de toekomst praten. Wij vinden dat onvoldoende en wij keuren dat dus af.
Garde M.C. van der
Dat is geen antwoord op mijn vraag. Het college heeft laten weten dat het de conclusies en aanbevelingen accepteert. Ik ga ervan uit dat u dat ook afkeurt. Ik vraag u echter of u wilt dat het college weggaat of niet. Dat is een eenvoudige ja/nee-vraag.
Garde M.C. van der
Misschien willen anderen ook iets zeggen. De SP schept voor de Amsterdammers nu heel veel onduidelijkheid. Ten eerste is niet duidelijk wat u precies afkeurt. De reactie van het college was namelijk heel uitgebreid. Ten tweede is volledig onduidelijk wat u met deze motie wilt. Ik hoop daarom dat u iets duidelijker kunt maken wat uw doel is. We hebben lang gewacht, we hebben drie schorsingen achter de rug. Wat wilt u van ons?
Alberts R.
De enquêtecommissie heeft ook lang gestudeerd. Wij vinden dat de reactie erop er volledig recht aan moet doen. Wij geven het college ook de kans – desnoods schriftelijk of volgende week in een extra vergadering – om op een goede manier te reageren. De reactie tot nu toe vinden wij onvoldoende.
Doorninck M. van
Ik ga dezelfde vraag herhalen. Ik vraag mij af wat u precies had willen horen en wanneer u de reactie van het college wel goed had gevonden. Het college zegt dat het alle conclusies en alle aanbevelingen overneemt. Volgens mij heeft het iets met de toonzetting te maken. Is dat het geval? Verder vraag ik u wat u met deze motie beoogt. Wat worden wij, wat wordt Amsterdam er wijzer van als deze motie wordt aangenomen?
71° Motie van het raadslid Alberts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (afkeuring) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 52)
Willemse H.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
71° Motie van het raadslid Alberts inzake het eindrapport van de enquêtecommissie Noord/Zuidlijn (afkeuring) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 52).
Besluit:
Keurt de reactie van het college op het rapport van de enquêtecommissie af.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Manuel.
Manuel I.R.
D66 voelt met de SP mee, maar wij vinden dat we het antwoord van het college niet kunnen afkeuren. Het college neemt de conclusies over. Wij vinden wel dat het college in zekere zin tekortschiet, vooral in zijn manier van beantwoording. Er spreekt weinig schuldbewustzijn uit de gekozen woorden. Het heeft er alles van weg dat dit college reageert in de trant van: dit was het rapport, in de kast ermee, we gaan verder en we zorgen dat de Noord/Zuidlijn goed afgehandeld wordt. Wij vinden dat iets te snel en te gemakkelijk. Als in deze motie werd betreurd hoe het college op dit rapport reageert, dan zouden wij ons er misschien wel in kunnen vinden. Alles afkeuren wat het college heeft gezegd, gaat ons iets te ver.
Asscher L.F.
Wij verkeren in totale onzekerheid over onze baan en onze toekomst. Wat wil de SP? Moeten we weg of krijgen we een kans? Ik heb beide mogelijkheden gehoord.
Alberts R.
Ik vind het jammer dat de heer Asscher nog steeds zijn vingers in zijn oren heeft zitten. Hij verwoordt nu de reactie van het college. Wat wil de SP? Wij willen een goede, gedegen reactie waaruit we kunnen zien dat er lering is getrokken en dat er sprake is van schuldbesef. Dat u de kans biedt om de discussie over de Noord/Zuidlijn in alle openheid te voeren. Dat willen wij. Tot nu toe hebben we dat helaas nog niet van dit college mogen horen.
Poelgeest M. van
Ik wil weten wat de consequentie is van dat oordeel. U kunt een dergelijk oordeel vellen. Het wordt door anderen bestreden. Niemand ontzegt u dat oordeel. Wat is echter de consequentie ervan? Dat moet in het verkeer tussen raad en college duidelijk zijn, anders vertroebelen we die relatie. Als u vindt dat wij op moeten stappen, dan kunt u dat zeggen. Als u vindt dat dit niet hoeft, dan kunt u dat ook zeggen. U kunt dat niet boven dit debat laten hangen.
Alberts R.
Het is duidelijk. Ofwel het debat gaat verder, u komt met een nieuwe reactie en we gaan op een goede manier verder praten, met schuldbesef en met lering uit het rapport. Het alternatief is dat u dat niet doet en dan kunt u wat mij betreft opstappen.
Poelgeest M. van
Daarmee is dus duidelijk wat de consequentie is als deze motie wordt aangenomen. De SP vindt dat het college moet opstappen.
Alberts R.
U moet luisteren en uw vingers uit uw oren halen. Anders moet ik het nog een keer zeggen.
Alberts R.
Als u een motie van wantrouwen wilt, dan vind ik dat prima. Er zit nu een ontsnappingsmogelijkheid voor u in.
Willemse H.
Ik kijk naar het college. Is het u nu duidelijk? Nog niet. Mevrouw Alberts, u zult toch nog iets specifieker moeten zijn.
Willemse H.
De discussie wordt gesloten.
Aan de orde is de stemming over het amendement-Flos en Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 36).
Het amendement-Flos en Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 36) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat het amendement-Flos en Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 36) is aangenomen met de stemmen van D66 tegen.
Aan de orde is de stemming over de voordracht.
De voordracht wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 33).
De motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 33) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 33) met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 42).
De motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 42) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 42) met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 35).
De motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 35) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van der Garde en Bergervoet (Gemeenteblad afd. 1, nr. 35) met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Van Pinxteren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 37).
De motie-Van Pinxteren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 37) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Pinxteren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 37) met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Van Pinxteren en Geurts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 38).
De motie-Van Pinxteren en Geurts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 38) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Pinxteren en Geurts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 38) met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 40).
De motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 40) wordt bij zitten en opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 40) is verworpen met de stemmen van de SP voor.
Aan de orde is de stemming over de motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 41).
De motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 41) wordt bij zitten en opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 41) is verworpen met de stemmen van de SP en D66 voor.
Aan de orde is de stemming over de motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 52).
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Van Drooge voor een stemverklaring.
Drooge A.H. van
Het CDA betreurt de reactie van het college zeer. Het CDA betreurt het zeer dat het college geen antwoord heeft gegeven op de uitdrukkelijke vragen die wij hebben gesteld. Betekent dit dat wij het college weg moeten sturen of een motie daartoe moeten steunen? Aan de ene kant zou ik zeggen: met liefde. Aan de andere kant zeg ik: het college geeft een beetje toe, het is een beetje bijgedraaid. De dames en heren van het college zijn iets stijver dan ik ben. De buiging is heel gering. Voor mij te gering, maar ik wil hen niet wegsturen. Daarom zullen wij deze motie niet steunen, maar ik betreur de manier waarop dit gegaan is ten zeerste. Ik vind het beneden de waardigheid van een goede raad.
Garde M.C. van der
Ik heb zojuist al gezegd dat de reactie van het college, namelijk dat het alle aanbevelingen en conclusies overneemt, goed is. Wij zullen daarom deze motie zeker niet steunen.
Willemse H.
De motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 52) wordt bij zitten en opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 52) is verworpen met de stemmen van de SP voor.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 10 van afd. 1 van het Gemeenteblad, met inachtneming van de daarin als gevolg van aanneming van het amendement-Flos en Alberts (Gemeenteblad afd. 1, nr. 36) aangebrachte wijziging.
Ik stel voor dat we geen andere agendapunten meer behandelen. We zouden nog inventariseren of de vergadering morgen beperkt kan blijven tot een middagzitting. Ik zie instemmend geknik. Dat betekent dat u er met uw spreektijden rekening mee moet houden. Ik schors de vergadering tot morgenmiddag 13.00 uur.
De VOORZITTER schorst de vergadering om 22.30 uur.
Schorsing
Bakker J.L.
De VOORZITTER opent de vergadering om 13.01 uur.
Dames en heren, welkom. Ik heropen de vergadering van de gemeenteraad van Amsterdam. Ik begrijp dat de behandeling van het enquêterapport tot een waar slagveld heeft geleid onder de raadsleden, zo te zien. Maar ik wilde toch maar gewoon gaan beginnen. In verband met het feit dat de heer Cohen en ook de heer Gerson later komt, beginnen wij met de agenda van wethouder Asscher. Daarna kijken we welke bewindslieden aanwezig zijn en hoe we verdergaan met de agenda. We verwachten de heer Cohen in elk geval rond half twee in dit gebouw. Wij beginnen dus met de portefeuille van wethouder Asscher. Agendapunt 14.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Ivens.
Ivens L.
Mag ik u verzoeken dat te behandelen zodra wethouder Gehrels er is, aangezien het ook over haar portefeuille gaat?
20. Initiatiefvoorstel ter kennisname van het raadslid mevrouw Riem Vis van 24 juni 2009 inzake armoede in het Amsterdamse onderwijs en instemmen met de bestuurlijke reactie op het initiatiefvoorstel (Gemeenteblad 2009, afd. 1, nr. 869)
Bakker J.L.
Nee, ik doe zojuist een mededeling over de orde van de agenda, maar als niet iedereen om 13.00 uur op zijn plek zit…. Ik begrijp dat er behoefte is aan een herhaling. Dus voor de orde: de heer Cohen komt wat later, daarom hebben we besloten om het mondeling vragenuurtje even op te schorten, omdat er ook een vraag voor de heer Cohen was. Het was nog onduidelijk of de heer Gerson er zou zijn, die is er inmiddels wel, maar toen hebben we in goed overleg met wethouder Asscher besloten om met zijn portefeuille te beginnen, omdat we in ieder geval wel om 13.00 uur wilden beginnen met vergaderen. Dus we wachten op de komst van de heer Cohen. Als hij er is gaan we over tot het mondeling vragenuur. Ik geef nu het woord aan mevrouw Riem Vis.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Riem Vis.
Riem Vis C.H.M.
Dank u wel, voorzitter. Armoede is een begrip waar wij telkens meer mee te maken krijgen in Amsterdam. Het baart ons allen, hier in de raad, ernstig zorgen. Armoede onder de jeugd is schrijnend en ik heb ruim een jaar geleden het initiatief genomen, vanuit mijn fractie, om een onderzoek te doen naar de vraag in hoeverre in het onderwijs daarvan ook duidelijk situaties te vinden zijn waarvan docenten en hoofden van scholen zeggen: dit kan eigenlijk niet. En wat voor een weg moeten ze dan vinden? Aan dat onderzoek hebben uiteindelijk veertig scholen meegewerkt. Daar zijn een aantal aanbevelingen uitgerold. Ik ga hier niet herhalen wat er in de commissie is gebeurd en wat er gebleken is uit het preadvies. Dat zal ik niet in detail opnoemen, maar ik ben helemaal blij met het college dat helemaal mee is gaan denken en op alle aanbevelingen in is gegaan, deze heeft overgenomen en in werking gezet. Natuurlijk kunnen we zelf niet bedenken dat we daarover vanuit een raad of het college direct concrete veranderingen kunnen aanbieden, maar we kunnen wel kijken in hoeverre scholen een plek vinden, ook richting de gemeente, om hun zorgen te kunnen uiten en we kunnen ze bijstaan als de nood aan de man is. Wij willen daarom nu alleen twee dingen aangeven. Ik begreep uit de krant dat onze wethouder Lodewijk Asscher inmiddels weer on speaking terms is met de besturen van de scholen. Dat gaat goed. In de bijdrage in de commissie van zijn kant was al aangegeven dat er gesproken zou worden met bestuurders. Er was ook een oproep vanuit de SP omdat er af en toe geld op de plank blijft liggen. Niet alleen voor huisvesting, maar voor meer dingen. De SP heeft de wethouder opgeroepen daar eens met de bestuurders over in gesprek te gaan, want het is natuurlijk ernstig wanneer de behoefte binnen de scholen zo groot is en er wel geld is, maar dat niet besteed wordt aan zaken waarvan wij zeggen dat ze nodig en belangrijk zijn.
Het tweede is, en dit is na ons onderzoek steeds duidelijker geworden, het volgende. Dat gaat over ouders die de bijdrage niet betalen - dat geeft dit onderzoek ook aan - dat is niet altijd omdat er geen geld voor is, daar zijn meer redenen voor. Uit dit onderzoek blijkt dat er toch wel veel scholen zijn die er voor zorgen dat de kinderen daarvan niet mee kunnen doen aan zaken die van dat geld georganiseerd worden. Niet mee op schoolreisje, voor allerlei extra’s worden ze - ik noem het maar - gediscrimineerd. Ik denk toch dat het nooit ten koste van de kinderen mag gaan. De kinderen kunnen niet de dupe worden van ouders die het niet kunnen betalen of scholen die zeggen: als er niet betaald wordt, doe jij maar niet meer mee. Ook wil ik u dus dringend vragen, en ik weet natuurlijk dat u daar niet over gaat en dat u de scholen daar niets over op kan leggen, om het daar over hebben. Misschien is er wel een vorm te vinden waardoor we er toch voor kunnen zorgen dat alle kinderen in elk geval mee kunnen doen aan datgene dat klassikaal en met de school georganiseerd wordt en ze zo nooit de dupe worden van het feit dat hun ouders niet betalen. Ook als die ouders het wel kunnen betalen maar andere prioriteiten leggen, dan nog hoeft dat niet ten koste van de kinderen te gaan. Ik wil u nogmaals bedanken voor uw betrokkenheid hierbij en de inzet tot nu toe. Er is toegezegd dat ik op de hoogte word gehouden van nieuwe ontwikkelingen en we zijn al weer drie maanden verder, dus ik hoop, wethouder, dat u nog een aantal dingen kunt noemen die nu al weer een stap verder zijn dan toen wij dit in de commissie bespraken. Dat is mijn bijdrage, dank u wel.
Pligt M. van der
Allereerst dank aan mevrouw Riem Vis voor het onderzoek over armoede in het onderwijs. Het gaat eigenlijk gewoon over kinderen die in armoede moeten opgroeien en het is natuurlijk godgeklaagd dat in zo’n welvaartsstaat als waar we in leven, zoveel kinderen in armoede moeten opgroeien. Maar ik vrees dat we de armoede niet gaan oplossen met allerlei lapmiddelen. Mensen hebben ook gewoon structureel te weinig geld en de tweedeling wordt alleen maar groter. Armoedeproblematiek en onderzoek op scholen is één, maar de oplossing is punt twee, zullen we maar zeggen. Ik denk dat wij heel erg mee kunnen gaan in het verhaal van mevrouw Riem Vis, waarin zij zegt dat je wel een signalerende functie kunt hebben op een school en ervoor kunt zorgen dat mensen in contact gebracht worden met de juiste regelingen en aanvullende regelingen, die er zijn. Maar daarmee ben je er nog niet. Ik wil de punten uit de notitie even nalopen. Mevrouw Riem Vis zegt dat de aanbevelingen zijn overgenomen door het college, maar wij vonden juist dat er gelukkig een aantal dingen niet helemaal zijn overgenomen door het college. Ik wil beginnen bij de ouderbijdrage, waar de SP twee jaar geleden een onderzoek naar heeft gedaan. Toen heeft wethouder Asscher eigenlijk de toezegging gedaan dat hij de schoolbestuurders op zijn minst zou gaan aanspreken op die grote verschillen en waar dat geld aan uit wordt gegeven. Dus ik ben benieuwd in welk stadium zich dat nu bevindt? Verder wat betreft de gewichtenregeling, dus hoeveel geld een school krijgt. Dat schijnt in Amsterdam inderdaad voor de meeste scholen juist gunstig uit te pakken. Daar is inderdaad het volgende het probleem. Wanneer je zegt: het Rijk moet meer voor leerlingen in achterstandssituaties geven, blijkt dat het geld vaak aan de strijkstok bij de schoolbestuurder blijft hangen. Dus ik sluit me aan bij de vraag van mevrouw Riem Vis. Ik hoop dat we de schoolbesturen op die manier blijven aansporen om het geld dat er voor kinderen betaald wordt, ook aan die kinderen uit te geven. En dan niet meer dit soort toestanden te krijgen dat ze niet mee mogen op schoolreisje, omdat de ‘vrijwillige’ bijdrage niet betaald is.
Als laatste het volgende. Ik vind het een heel goed punt dat er nu schoolmaatschappelijk werk is op alle po- en vo-scholen. Dat is in elk geval een belangrijke stap. Ik denk dat de vraag van mevrouw Riem Vis om op alle scholen gratis gezonde lunches aan te bieden niet haalbaar is en dat dat de verantwoordelijkheid betreft van de ouders. Maar we moeten er dan wel voor zorgen dat die ouders voldoende geld hebben om een fatsoenlijke lunch te kunnen betalen.
Hoogerwerf P.
Dank aan de PvdA voor het voorstel. Het is leuk om met u weer eens kort in debat te gaan. Ook D66 maakt zich natuurlijk zorgen over de toenemende armoede en vooral over langdurige armoede, zeker als dat kinderen betreft. Wij denken dat het inderdaad goed is als op scholen dat maatschappelijk werk er komt. Juist op scholen is het makkelijk toegankelijk en dat past ook. Maar aan de andere kant willen we graag van de wethouder weten hoe hij kijkt tegen de overbelasting van scholen. Scholen hebben natuurlijk al ontzettend veel taken op hun bordje, docenten staan onder druk. We moeten denk ik ook uitkijken dat we dingen bij scholen leggen die misschien echt de verantwoordelijkheid zijn van het individu. Als mevrouw Riem Vis het dan heeft over ‘de kinderen mogen niet de dupe worden’, dan ben ik het daar mee eens, maar als ouders die het wel kunnen betalen niet bereid zijn het te betalen, denk ik dat we vooral ook zouden moeten nadenken over hoe we die ouders daar op zouden kunnen aanspreken. Of dat een taak is voor de scholen of van de overheid, dat hoor ik graag van de wethouder.
Riem Vis C.H.M.
Voorzitter, bij de commissie behandeling, waar mevrouw Hoogerwerf en D66 schitterden door afwezigheid…
Riem Vis C.H.M.
Ja, dat weet ik. Maar ik las nog even de notulen door van die vergadering en dat heeft u niet gedaan en het bijzondere is dat een heel groot deel van niet alleen mijn inbreng, maar ook van de collega’s, hierover is gegaan. Wij vinden ook dat er erg veel op het bordje op de scholen ligt. Wij willen ze niet zwaarder belasten en daarom is het ook belangrijk dat het gebaar vanuit de gemeente en de besturen komt en er niet nog iets op dat bordje bij komt, waardoor de scholen echt helemaal niet meer aan hun directe taken toekomen. Dus ik deel uw zorg, maar dat is ook uitgebreid aan de orde geweest en daarom heb ik het nu opnieuw niet genoemd, want anders herhalen we de commissievergadering.
Hoogerwerf P.
Persoonlijk vind ik het een beetje kinderachtig om fracties van twee personen te verwijten dat zij ergens niet zijn. Maar dat terzijde. Misschien zult u dat zelf gaan ervaren in de volgende gemeenteraad, als de PvdA wat kleiner wordt. Zeker als iemand ziek is geweest. Het antwoord op uw vraag is, dat wij als D66 denken dat er ook ouders zijn die gewoon de verkeerde prioriteiten leggen. Ouders, die dus wel een lunch kunnen betalen, of een ontbijt voor hun kinderen, maar die het geld in de gokkast stoppen of die het besteden aan drank. Ik vind het belangrijk dat we hier in acht blijven nemen dat we ouders daarop aanspreken en dat we niet alles op het bordje van de overheid of van scholen leggen en dat is denk ik een andere manier van tegen de samenleving aankijken dan de PvdA doet.
Verweij H.
Dank voor de inbreng van dit stuk, mevrouw Riem Vis. We hebben daar in de commissie ook over gesproken en ik was ook erg blij dat u net nog even aangaf dat we een school wel een school moeten laten zijn. De eerste verantwoordelijkheid voor het onderwijs is het overbrengen van kennis en het stimuleren van kennis vanuit kinderen. Maar er zitten een aantal elementen in dit stuk die we zeker kunnen onderschrijven. Bijvoorbeeld de signalerende rol van scholen, wanneer je merkt dat het niet goed gaat met een kind, niet alleen op school maar ook wanneer hij slecht gekleed is of ondervoed is, et cetera. Dat zijn rollen die we zeker bij de school kunnen laten liggen en we moeten het voor docenten ook zo eenvoudig mogelijk maken, opdat die hulpverlening kan worden geboden. U zult ook begrijpen, dat hebben we ook al eerder gezegd, dat wij wat moeite hebben met het aanbieden van lunches en ontbijten op school. In dat kader hebben we al eens eerder gesproken, omdat wij vinden dat dat echt de verantwoordelijkheid van ouders zou moeten zijn. Ik vind dat je ouders aan moet spreken op het feit dat hun kind zonder eten naar school gaat. Als ouders aan kunnen geven dat ze dat niet kunnen betalen, dan zijn er andere wegen om te ondersteunen. In de praktijk blijkt, en ik weet niet of u weleens hebt gekeken naar de programma’s van Jamie Oliver over het eten op Engelse scholen, dat als je iets biedt, je het wel kwalitatief moet kunnen aanbieden. U zegt wel: de gemeente moet dat doen en we mogen dat niet op het bordje van de scholen leggen. Maar het infrastructureel mogelijk maken voor grote groepen kinderen om te kunnen lunchen, vergt iets meer van een school dan alleen maar een faciliteit aanbieden. Dus daar heb ik nogal wat vragen bij, maar de intentie van het stuk onderschrijven wij volledig; zoeken naar wegen om armoede, met name bij kinderen, in Amsterdam aan te pakken.
Asscher L.F.
Dank aan mevrouw Riem Vis voor dit stuk, we hebben er uitgebreid over gepraat. Het preadvies liet even op zich wachten en daar hebben we in de commissie goed over gesproken. De teneur van die vergadering was inderdaad om niet een extra last neer te leggen bij de scholen en ook niet om de verantwoordelijkheid van de ouders over te nemen, maar wel om er voor te zorgen dat kinderen zo goed mogelijk mee kunnen doen in onze stad. Dat is iets dat volgens mij raadsbreed werd gedeeld. Ik hou mijn beantwoording, om wellicht begrijpbare redenen, wat kort. Ik zeg u toe om u op de hoogte te stellen van wat er sindsdien is gebeurd. Ik zeg u ook graag toe, dat het klopt dat de ruzie met de schoolbesturen, met wie ik overigens geen ruzie had, is bijgelegd. Dus wij gaan weer in vrede met elkaar om. Er is binnenkort gelegenheid, want dan zie ik ze ook weer in officiële zin, om met hen te praten over het punt dat u aanstipte. Ik denk dat we moeten kijken naar de problemen die zich voordoen. Heel veel scholen weten er een individuele mouw aan te passen als het voorkomt. Ik wil graag aan ze vragen of ze het probleem herkennen en als dat zo is, welke oplossing we gezamenlijk zouden kunnen treffen om daar wat aan te doen. Er zijn natuurlijk prachtige regelingen vanuit de gemeente om te voorzien in armoedebestrijding. Wellicht is er op die manier iets mogelijk. Ik ga dat in ieder geval navragen. Volgens mij was dat de belangrijkste vraag die nog openstond.
Bakker J.L.
Kunnen we dit afsluiten of is er behoefte aan een tweede termijn?
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Riem Vis.
Riem Vis C.H.M.
Dank aan de wethouder voor deze laatste toevoegingen en toezeggingen en ik wacht nader nieuws af.
Asscher L.F.
Zij zijn tot nu toe niet bereid geweest daar afspraken over te maken met elkaar. Maar dit is een belangrijk onderwerp en ik zal daar zeker op terugkomen. Ik heb destijds ook in de commissie gezegd dat u daar natuurlijk gewoon een punt hebt.
14. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 8 december 2009 tot vaststellen van het herschikken van middelen binnen het Topstadspeerpunt Gastvrijheid (Gemeenteblad afd. 1, nr. 12)
Bakker J.L.
Dat betekent dat we kunnen overgaan naar agendapunt 14, waar uw aanwezigheid gewenst was.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Ivens.
Ivens L.
De SP gaat het hier een keer opnemen voor het geld in het programma Topstad. Dat zal de heer Asscher waarschijnlijk wel leuk vinden. Een deel van het geld wilt u nu elders gaan gebruiken voor het welkom heten van toeristen. Dat is prima. Maar, wethouder Asscher, uw collega Gehrels misbruikt een ander deel van het budget omdat zij niet goed op de centen let. Ik richt me hier dan ook verder op wethouder Gehrels. Verpakt met een buitengewoon mooi parcours voor de proloog durfde wethouder Gehrels ons vorige week te vertellen dat ze haar maximale budget voor de Giro d’Italia fors heeft overschreden. Verblind door enthousiasme is ruim een miljoen euro en een budgetstijging van 25% kennelijk onzichtbaar. Wethouder, het enthousiasme voor een mooie wielerkoers zorgt er niet voor dat wij de ogen sluiten voor de realiteit. Wethouder, waar uw collega’s zeggen te beseffen dat we terughoudend met het geld om moeten gaan, leeft u ver boven uw stand. En nu staan we met de kloten voor het blok. De Giro d’Italia zal Amsterdam aandoen over drieënhalve maand. Veel tijd om bij te sturen is er niet meer. Maar wat blijkt uit uw kostenoverzicht? U weet al maanden dat er forse budgetoverschrijding te verwachten was. Bij de verwerving was u al ruim een ton duurder uit dan gepland. Sinds wanneer bent u eigenlijk op de hoogte van deze eerste overschrijding? En waarom weten wij dit pas een week? Met deze forse budgetoverschrijding, voor uw feestje, beëindigt u een rommelige periode van vier jaar als stadsbestuurder. Wethouder, voor u komt op 3 maart wellicht de verlossing. Maar op 8 mei willen we nog wel dat er hier iets goeds en betaalbaars in de stad is. Daarom wil ik u vragen de Giro te redden. U gaf aan een gemeentelijke begroting te hebben en daarnaast een schaduwbegroting van de sponsorinkomsten. Gemeentelijke lasten en private baten.
Schuif deze begrotingen in elkaar en we kunnen met elkaar versoberingen inzetten, zodat we er een echt volksfeest van kunnen maken. Daarbij is geen plaats voor bijvoorbeeld vipdiners. Bent u daartoe bereid? De SP steunt uw begrotingsoverschrijding niet en dat willen wij graag duidelijk maken door tegen het misbruiken van dit geld voor Topstad te stemmen. Dan ligt bij u de bal om van de Giro een echt volksfeest te maken zonder een wrange bijsmaak. Dus: bent u hiertoe bereid?
Hoogerwerf P.
Bij deze raadscommissie was ik wel. Er waren er zelfs twee, één in de ochtend en één in de middag. Wij hebben die ook beide bijgewoond als D66. Het is misschien goed voor het verslag dat te melden. In de ochtend heeft wethouder Asscher ons gevraagd: “Kan dat geld voor een deel aan de Giro besteed worden?” en in de middag hebben we het over de inhoud gehad. D66 is eigenlijk altijd een beetje voorzichtig geweest over de Giro, omdat wij denken dat het beter is dat je als stad kiest voor evenementen vanuit een inhoudelijke visie op de stad. En we denken dat de Giro dan toch wel erg ver weg ligt van Amsterdam als creatieve kenniseconomie. Dus wij vragen ons ook het volgende af. U hebt een risicoanalyse gemaakt, u heeft ons beloofd dat u binnen het budget blijft. Dat lukt niet. Ik wil graag ook hier nog van u horen welke inspanningen u heeft gepleegd, wellicht nog de afgelopen week, om de organisatie te helpen ook andere sponsorinkomsten te werven. Het is toch wel zonde dat dit geld naar de Giro gaat en dat dat niet helemaal aansluit bij de doelstellingen van Topstad.
Goede M. de
In principe hebben we het hier over bestedingen uit Topstad, niet zozeer over de Giro. Allereerst wil ik me daar op richten. Er was een taxiproject waar de hele raad achter stond. We gingen de taxibranche verbeteren. Ik hoef denk ik niet te herhalen wat daar de afgelopen jaren allemaal mee mis was. Daar werd een half miljoen euro voor uitgetrokken; een goed plan, denk ik. Twee jaar later, helaas, bleek het geld niet nodig, want het plan is niet uitgevoerd. Wij willen heel graag dat die taxibranche alsnog gewoon verbetert en dat daar een plan voor komt.
Asscher L.F.
Meneer De Goede, in de commissie hebben we het hier ook al over gehad. De verbetering van de taxibranche zou hier niet uit betaald worden; na die verbetering zou er een Topstadmarketingproject plaatsvinden.
Goede M. de
Ik moet alleen maar constateren dat de verbetering van de taxibranche nog geen feit is, dus dat daar inspanning voor nodig is. Het geld wordt nu besteed aan ‘Welkom’, te weten 250.000 euro, dat is het eerste voorstel. Er werd in de commissie al geroepen: “Dan kunnen al die mensen in die Welkom-jasjes waarschuwen tegen taxichauffeurs, misschien is dat een goed idee.” Maar ik denk dat het geld daar niet voor bedoeld is.
Goede M. de
We begrijpen wel dat binnen dezelfde gedachten van het klantvriendelijker maken van Amsterdam dat geld goed besteed is, dus daar zullen we wel mee akkoord gaan. Maar dan blijft de vraag: op welke manier worden de problemen in de taxibranche nu opgepakt en is daar wel genoeg geld voor? Dus dat is mijn eerste vraag aan het college. Dan kregen we nog deze mededeling afgelopen donderdag van de wethouder: “O, by the way, er komt nog eens 250.000 euro extra uit het potje voor Topstad voor de Giro d’Italia.” Toen dachten wij: we hebben toch afspraken gemaakt met het college? GroenLinks was niet voor de Giro d’Italia, maar vindt wel dat als je dat als raad beslist, je dat ook moet doen en dat moet je dan ook doen binnen het budget. Er waren afspraken gemaakt over een aantal steden die mee zouden betalen, sponsors die mee zouden betalen. Het blijkt gewoon dat een aantal van die afspraken niet wordt nagekomen. Maar mijn vraag is: wie komt er nu niet zijn afspraken na? De vraag aan het college is dus: waarom moeten wij als Amsterdam hier nu extra geld aan uitgeven?
En het werd al eerder gezegd door de heer Ivens, in zijn mooie roze blouse, ik neem aan speciaal voor de Giro aangetrokken: als wij dat als Amsterdam doen, dan stellen wij daar natuurlijk een aantal randvoorwaarden aan. Bijvoorbeeld dat het voor de Amsterdammer is, dat niet de vip daarvan profiteert en dat waar dat kan, kosten bespaard worden. Het gaat ons niet zozeer om die eerste dag, die proloog, maar we hebben ook nog een tweede en een derde dag. Kan dat niet een tikkeltje zuiniger? Het is goed dat Amsterdam zich promoot. Amsterdam is fietsstad van de wereld geworden vandaag, die link wil ik dan nog wel leggen. Ik denk dat het goed is dat we ons daarmee profileren. Maar de kosten die daarmee gemoeid zijn op dit moment, vinden wij gewoon te fors. Dus we willen eerst van het college meer informatie voordat we daarmee instemmen.
Goede M. de
En dan nog een ander punt over de manier van zaken doen met de raad. Regelmatig horen wij van het college: er is geen geld voor dit, er is geen geld voor dat. Nu zit het college met iets en alle registers worden opengetrokken. Ineens is er ergens een miljoen. Dat verbaast ons. Ik wil dan ook niet meer van het college horen, als de raad met een plan komt: er is geen geld. Blijkbaar is er altijd nog een reserve waar we uit kunnen putten. Daar zullen we in de toekomst dan ook graag gebruik van maken.
Verweij H.
Dank u, voorzitter. De heer De Goede begon in zijn betoog
precies de gevoelige punten aan te snijden. Dit is namelijk geen debat dat wij zouden moeten hebben met wethouder Gehrels, maar een debat dat wij moeten hebben met wethouder Asscher. Het verzoek aan de raad is namelijk om herschikking van middelen van Topstad en vervolgens is het college met een voorstel gekomen. Met dat voorstel stemmen wij in. We vinden de Giro fantastisch. We begrijpen de vraag van de heer De Goede ook wel, maar hij haalde zichzelf een beetje in door naderhand wel vragen te stellen die wethouder Gehrels betroffen, terwijl hij zou focussen op wethouder Asscher. Ik probeer mij te focussen op wethouder Asscher. Wij gaan dus akkoord, op dit moment, met de besteding van de gelden, maar we hebben wel wat vragen. U hebt al in de commissie aangegeven dat het feit dat wij geen taxiproject hebben kunnen realiseren in Topstad, eigenlijk te maken heeft met het feit dat wij de taxibranche niet voldoende hebben kunnen opschonen, opdat zij gereed is om een gastvrijer project mee te maken. Dat gaat me dan toch eigenlijk wel een beetje te snel. Het is nu een jaar, of twee jaar, na dato. Het is een bedrag uit de begroting van 2009 dat dus niet opgesoupeerd is voor het doel waarvoor het bestemd was. Dat was een heel belangrijk doel, want we zijn er met elkaar dacht ik toch wel van overtuigd dat als we niets doen aan de kwaliteit van de taxiservice, wij Amsterdam zo welkom mogelijk kunnen maken, maar je je als gast niet altijd welkom zult voelen door zo’n chauffeur. Wat ons betreft moet er wel op zeer korte termijn gezocht worden naar alternatieven. We vinden dat dat wel degelijk ook een onderdeel van het project Topstad moet blijven, omdat het echt met de algemene gastvrijheid van onze stad te maken heeft. Zoals ook horecaondernemers getraind worden om beter om te gaan met hun gastvrijheid. Ik vind het dus bijzonder jammer dat wij zo’n eind achter de feiten aanlopen dat er in 2009 niets gebeurd is. We hadden ook in juni al kunnen weten: jongens, dat lukt ons niet en we gaan een alternatief ontwikkelen. Dan hadden we nog mee kunnen denken als raad. Nu is het een voldongen feit; het project is niet gerealiseerd. En u maakt gewoon een legitieme beweging, door te zeggen: er is geld over van dit, of dat is niet besteed, en we zouden als college dat graag onder andere aan de Giro willen besteden. Daar vindt u ons wel in, maar wat ik deel met de heer De Goede is dat we toch graag, misschien in de commissie en misschien met wethouder Gerson erbij, door zouden willen praten om toch iets te gaan doen aan de taxibranche. Het is eigenlijk zonde om dat te laten liggen, dus laten we die handschoen in ieder geval oppakken.
Hoogerwerf P.
Vraagje aan de VVD. U bent altijd de partij die zich voorstaat op prudent financieel beleid. Hier is eigenlijk een overschrijding van 250.000 euro op die Giro. En ten tweede wordt het gefinancierd uit een potje waar het niet voor bedoeld is. Hoe kijkt u daar tegenaan?
Verweij H.
Prudent financieel beleid wil zeggen dat je het doet volgens de regels. Daar ben ik mee begonnen. Volgens de regels is datgene dat voorligt gewoon legitiem. Het college heeft een niet-besteding geconstateerd en legt de raad voor om dat geld anders te besteden. Het is nu vrij aan de raad om die besteding wel of niet goed te keuren. De tweede vraag die u stelt is of wij vinden dat het naar de Giro moet. Wij achten de Giro van groot belang in deze tijd, om ook Amsterdam internationaal te profileren. Dat is overigens wel een van de belangrijkste doelstellingen van Topstad, om Amsterdam internationaal in de vaart der volkeren te houden. Dus ik vind dat niet zo schuren tegen het beleid van Topstad, om eerlijk te zijn. Als we nu toch geld hebben uit het potje Topstad, laten we het dan in ieder geval enigszins analoog maken aan Topstad. Ik vind dit project daar in ieder geval dichterbij liggen, dan dat we iets heel anders gaan bedenken dat er ver buiten staat.
Roos D.J.
Laten we eerst beginnen stil te staan bij waarom we dit ook weer deden. Er was een motie van de raad die aan het college vroeg om de Giro in Amsterdam te laten starten en of het college zich daarvoor wilde inspannen. Ik heb me toch in ieder geval aan de woorden van de SP echt wel een beetje gestoord. Die fractie heeft het over misbruik, het niet goed op de centen letten. Als je dat soort woorden gebruikt, moet je ze ook staven en volgens mij is er hier nergens sprake geweest van misbruik en wordt er eigenlijk, als we kijken hoe de commissie is geïnformeerd, ook keurig op de centen gelet. Het budget is ook niet verblind door enthousiasme. Als er al iemand verblind was, dan waren wij dat met onze motie. Maar dus niet het college dat die motie heeft uitgevoerd, dat ons heeft verteld wat dat zou kosten, dat daarbij heeft verteld dat er vervolgens nog wel twee Tourstarts verkocht moesten worden en dat dat er op zich goed uitzag, maar dat dat niet gegarandeerd kon worden en dat als dat niet zou doorgaan, dat gevolgen zou hebben. Bovendien een college dat vervolgens in de post onvoorzien ook nog extra geld opneemt om te voorkomen dat ze straks weer terug moet komen en dat alle ambtelijke kosten in dat budget doorbelast, waardoor de feitelijke kosten voor de gemeente ongeveer 900.000 euro lager liggen. Dus laten we nu niet doen alsof het hier om misbruik gaat of dat soort dingen. Nee, dit is volgens mij keurig en netjes. En volgens mij is de manier waarop we hier praten over die 250.000 euro ook keurig en netjes, want we kunnen later nog verder praten over waarom het niet gelukt is met de taxi’s, maar feit is dat het niet gelukt is. Dat ben ik helemaal met de VVD eens. Vervolgens valt dat geld vrij. Als je overigens nog even naar het nieuws van vandaag kijkt: in Drenthe heeft de start van de Vuelta ongeveer 15 miljoen euro opgebracht, vooral aan horeca en hotels. Dus misschien is het niet zo gek dat we dit met Topstad financieren.
Dan is de vraag: is het nu zo dat we er hier geen volksfeest van maken of over de rug van de arme Amsterdammers dit doen? Nee, er is een aparte stichting opgericht, de bedrijven zijn bereid om fors in de buidel te tasten. Dat Giroprogramma is echt heel sober, ik daag iedereen uit hier om te zeggen wat er verder nog versoberd kan worden aan het deel dat wij betalen in de Giro. Dat is echt heel sober. Daarnaast komt er, betaald door het bedrijfsleven, een stuk minder sober verhaal. Daar moeten we gewoon blij mee zijn en we moeten onze wethouder volgens mij prijzen dat dat gebeurt. Dus wat ik wil schetsen is toch wel even een ander perspectief. Wij gaan uiteraard akkoord met de herschikking van de middelen en we hopen dat het een prachtige Girostart wordt.
Ivens L.
Meneer Roos, als ik u goed begrijp, zegt u van een wethouder die met een kostenoverschrijding van 25% komt eigenlijk: ach, het zal allemaal wel, dat boeit ons niet zoveel. Is dat nu echt het signaal dat de PvdA aan dit college wil geven? Want juist u geeft al aan: die post onvoorzien was al opgenomen, die was 450.000 euro. En waar komt de wethouder mee terug naar ons? Ze heeft 1,5 miljoen euro nodig. Oftewel, die post onvoorzien was een beetje te laag. Is dat echt het signaal dat de Partij van de Arbeid wil afgeven: dat mag wel, zo’n forse overschrijding?
Roos D.J.
Het signaal dat de PvdA wil afgeven is dat er uiteraard wel zorgen zijn als zoiets meer geld kost, maar dat je tegelijkertijd dit soort dingen niet kunt beginnen, als je niet ook kunt accepteren dat er soms omstandigheden zijn waardoor de werkelijkheid er anders uitziet. In dit geval is de post onvoorzien, als u het daarover heeft, niet gestegen, maar gestegen omdat deze een percentage is van het totaal. Dus als het totaal hoger wordt, wordt de post onvoorzien ook hoger. Dat is één. Tweede punt is dat je om dit soort dingen te organiseren je moet vastleggen bij een organisatie. Dan kun je het college niet verwijten, als ze dat heeft gedaan, dat ze zich tot bepaalde dingen verplicht hebben. Dat wisten wij van tevoren. Die verplichtingen moeten uiteindelijk nagekomen worden. Het enige dat je dan kunt doen is van tevoren tegen die organisatie zeggen: als het meer kost, doen we het niet. Maar dan heb je dus geen Tourstart. Motie niet uitgevoerd. En wij waren hiervan wel op de hoogte.
Ivens L.
Ik verwonder mij hier echt heel erg over. Het lijkt net of het allemaal niets uitmaakt. Deelt u dan mijn opmerking, waarin ik zei: we staan met de kloten voor het blok. Dat is heel volks gezegd, maar wat ik eigenlijk zeg: we hebben geen keuze. En dat hoor ik in uw woorden ook een beetje. Het is nu drieënhalve maand ervoor. We hebben de wethouder een budget gegeven van 4,5 miljoen euro en nu komt ze: “Ik heb 1,1 miljoen euro extra nodig.” Wij staan met de kloten voor het blok. Deelt u die opvatting wel? En vindt u dat een wethouder zo met de raad om mag gaan? Of had ze gewoon veel eerder bij ons moeten aankloppen?
Roos D.J.
Ik denk dat de wethouder naar ons toe had moeten komen, maar daar zal ze straks zelf ook nog wat over zeggen, op het moment dat zij wist dat die overschrijding definitief is. Ik denk dat ze dat ook gedaan heeft. Over met de kloten voor het blok… ik gebruik die uitdrukking niet eens. Ik denk dat je een onomkeerbare situatie hebt gecreëerd op het moment dat je hebt getekend met de organisatie van de Giro en dat je op dat moment de gevolgen daarvan moet dragen. Als een groot mens. En leuk is anders; je hoort me niet zeggen dat ik dolblij ben dat we hier een kostenoverschrijding hebben. Maar tegelijkertijd is die wel begrijpelijk en zeker niet veroorzaakt door misbruik, niet goed op de centen letten of blind enthousiasme.
Bakker J.L.
Een opmerking van de orde, mijnheer Verweij?
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Verweij.
Verweij H.
Ja, ik zou even willen reageren op de opmerking van de heer Ivens, die deze tot drie of vier keer hanteert. Volgens mij is de uitdrukking ‘voor het blok zetten’ en ik denk dat we in deze raad ook met onze taal enigszins moeten opletten welke woorden we wel en niet gebruiken. Ik vind dit eigenlijk over de grens.
Bakker J.L.
Ik wilde net gaan opmerken dat verwijzingen naar bepaalde delen van het lichaam misschien niet zo gepast zijn in deze raad. Kan ik het woord aan wethouder Asscher geven?
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Asscher.
Asscher L.F.
Voorzitter, ik zal kort zijn en dan zal mevrouw Gehrels verder beantwoorden. De vragen over de financiële systematiek zijn eigenlijk buitengewoon goed door de heer Verweij beantwoord. Dit zijn de regels. De raad heeft het budget en als wij een verandering willen dan leggen we die aan u voor, in alle transparantie. Ten tweede ging het hier dus niet over het verbeteren van de taximarkt. Dat loopt via de commissie Verkeer. De middelen daarvoor hebt u in de begroting goedgekeurd in december. In de commissie Verkeer is met lof gereageerd op de plannen van wethouder Gerson op dat punt. Dus daar gaan we zeker mee door. Het was aanvankelijk het idee om bovenop die verbetering nog iets aan marketingproject op het gebied van gastvrijheid binnen die taxibranche te gaan doen. Daar is het niet van gekomen, dat betreur ik met u. Dat is de reden dat je op een gegeven moment moet zeggen: daar gaan we nu niet meer op wachten, dan moeten die gelden nu vrijvallen. Dat zou normaal bij de rekening komen, tenzij de raad toestemming geeft om dat anders te doen. Derde opmerking: het schuurt niet alleen niet met de Topstaddoelstelligen, de Giro wordt al voor een flink deel gefinancierd uit Topstadmiddelen. In Topstad zit een flink bedrag voor evenementen en dat gaat voor een groot deel naar de Giro. Dus het past op zich prima in de Topstadmiddelen, zij het dat dit inderdaad later toegevoegd budget is. Ik denk dat dat de vragen waren die aan mij gesteld zijn.
Hoogerwerf P.
Het is nu zo dat de Giro aanklopt voor dit bedrag. Zijn er ook andere grote evenementen, net als Sail Amsterdam, die ook financiële problemen hebben, vanwege bijvoorbeeld teruglopende sponsorinkomsten?
Asscher L.F.
Het is algemeen bekend dat heel veel grote evenementen problemen hebben, niet voor niets gaat het Grachtenfestival niet door, vanwege teruglopende sponsorinkomsten.
Hoogerwerf P.
Mijn vervolgvraag is dan: waarom wordt de keus dan niet aan de raad voorgelegd, zodat we het geld bijvoorbeeld niet zouden besteden aan de Giro, maar aan Sail Amsterdam of het Grachtenfestival?
Asscher L.F.
De raad heeft de begroting vastgesteld en kan nu met het voorstel doen wat de raad wil. Dat is de vrijheid van de raad.
Bakker J.L.
Dan gaat het woord nu toch echt naar wethouder Gehrels.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Gehrels.
Gehrels C.
Vorige week hebben we in de commissie gesproken over de uitgangspunten voor de Giro en die waren drieledig: een volksfeest, een topwielerevenement vanuit sportief oogpunt en citymarketing, dus een goede uistraling naar buiten. We hebben naar mijn idee die drie uitgangspunten besproken in relatie tot het voorstel dat voorlag. Daar is naar mijn idee de conclusie uit getrokken dat we inderdaad moeten vasthouden aan die drie uitgangspunten en dat dat betekent dat de begroting wordt opgehoogd met 20%. Dat betekent niet dat er een budget is overschreden, maar dat betekent dat de begroting is opgehoogd. Ik heb u de redenen daarvan ook gegeven, dat ligt ook in die tweede en derde etappe. Vorige week hebben we ons afgevraagd: moeten we dan nog bezuinigen, of niet? Daarvan was naar mijn idee de conclusie dat we dat niet zouden moeten doen. De heer Roos heeft al aangegeven dat we ervoor gekozen hebben om alle kosten zo transparant mogelijk weer te geven. Het gaat om ruim negen ton aan interne kosten die we ook op een andere manier conform het raadsbesluit van 1 april 2009 zouden kunnen meenemen. We hebben er dus voor gekozen om die kosten transparant te maken en we hebben er voor gekozen om de post onvoorzien op te hogen, met 15% naar 650.000 euro, waar tot nu toe nog 0 euro uitgehaald is. Dan kunt u nu dus met hele grote en wilde woorden komen en rekensommen maken die van uw kant in ieder geval niet precies kloppen, maar ik denk dat dit nu precies een les is die wij leren. Dat is namelijk dat je van tevoren heel realistisch raamt; als je drieënhalve maand van tevoren een post onvoorzien van 650.000 euro nog niet hebt aangesproken, is dat denk ik verstandig begroten. Ik heb u ook gezegd dat ik mijn uiterste best zou doen om hier binnen te blijven, maar ik heb ook nog een voorbehoud gemaakt voor de veiligheid. Dat weet u, daarvan heb ik gezegd dat dat tot het laatste moment nieuwe eisen met zich mee kan brengen en dat we daar rekening mee moeten houden. Ik denk dat we op deze manier van begroten, waarin we vooraf heel goed ramen, juist te maken hebben met verstandig financieel beleid.
Dan zou je kunnen zeggen: zijn er geen bedrijven die mee willen betalen? Die zijn er zeker. We hebben nu al bijna 200.000 euro van bedrijven die mee willen doen. Met die bedrijven hebben we afgesproken dat als zij meebetalen, zij ook wederdiensten krijgen. Dan krijgen ze bijvoorbeeld een plek langs de route, je kunt je andere zaken voorstellen. Daar willen we ook aan vasthouden, want dat is wat we met hen hebben afgesproken. Dat zullen we ook in de komende maanden nog doen. Op het moment dat bedrijven willen betalen, zullen we daar extra activiteiten voor kunnen doen. Volgens mij heb ik dan op alle vragen keurig antwoord gegeven.
Tweede termijn
Bakker J.L.
Dank u. Is er behoefte aan een tweede termijn?
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Ivens.
Ivens L.
Ik had nog een vraag gesteld aan de wethouder, namelijk: sinds wanneer bent u op de hoogte van deze overschrijding? Dit omdat we kunnen constateren dat al bij de werving een aanzienlijk bedrag, namelijk 100.000 euro, extra betaald werd. Had dat niet eerder gemeld kunnen worden? En ik denk dat u met uw laatste deel van het antwoord tot een oplossing komt, waarmee we zowel de Giro als de gemeentekas kunnen redden. U geeft aan dat er wellicht nog wel nieuwe inkomsten te verwerven zijn. En u wil daar ook weer bij vaststellen, met deze zoals ik het even noem ‘schaduwbegroting’, dat die bedrijven daar iets voor terugkrijgen. Laten we nu bij de volgende sponsorinkomsten, die u nog probeert te krijgen, zoveel mogelijk van dat miljoen daaruit halen. Dan hebben de Giro gered en het miljoen van hier niet nodig. Op die manier versoberen we dat iets en kunnen we het evenement gewoon door laten gaan. Ik snap ook dat u geen weg terug meer heeft en dat de Giro er in Amsterdam gaat komen. Al met al: wij zien er nog kansen toe, ik hoop dat u dat ook doet. In ieder geval, met dit kwart miljoen extra, want dat is dan waar wij hier als raad over mogen gaan, zullen wij niet akkoord gaan.
Gehrels C.
Mag ik hier even op reageren? Want als we dat zouden doen, meneer Ivens, dan gaan we precies weer de fuik in van politiek wensdenken.
Hoogerwerf P.
Ik begrijp dat mevrouw Gehrels er erg gepassioneerd over is. Maar wij hebben nog geen antwoord gehoord op de vraag of u inspanningen hebt gedaan om nog andere financiers te vinden. Wij blijven als D66 toch scepsis behouden tegenover die Giro. Twee maanden later komt de Tour de France in Rotterdam en ik vind dat dat echt een groot evenement is. We zouden natuurlijk ook gewoon kunnen vragen of de Tour naar Amsterdam komt, die tachtig kilometer extra kunnen die wielrenners volgens mij makkelijk aan, en dan kunnen wij dat geld goed besteden aan evenementen die echt goed zijn voor de marketing van Amsterdam.
Goede M. de
Ik wens de wethouder heel veel succes met het zo goed mogelijk ontwikkelen van de Giro, want wij zullen instemmen met dat voorstel. Er is geen weg terug. Waar ik wel mee zit, en dat roept wethouder Asscher op met zijn opmerking “Het ligt aan de raad om het geld uit te geven aan het evenement dat hij wil.” Dat is mooi, maar wij beschikken niet over de informatie omtrent welke evenementen in de problemen zitten. Dus als het college zegt dat wij mogen kiezen, dan verwacht ik ook van het college dat zij een overzicht geeft over welke evenementen onder de zaaglijn zitten, zodat wij die afweging kunnen maken. Ik vind Sail belangrijk, de gehandicaptenboot schijnt niet mee te kunnen varen, dat willen we ook als Amsterdam. We krijgen nog de Amsterdam Marathon, wie weet zijn daar ook problemen. Dus ik denk graag met u mee, maar dan moeten wij wel kunnen beschikken over de juiste informatie.
Verweij H.
Ik heb de wethouder niet horen zeggen: u kunt kiezen, maar: u kunt wel of niet dit voorstel accepteren. Dat is een wezenlijk verschil. Wat u nu vraagt, en ik doe dit vanwege de stem van de wethouder, dat begrijpt u wel, daar wil ik graag in de commissie een keer verder over doorgaan. Als dit soort potjes gaan ontstaan door vrijval, gaan we dan steeds het hele evenementenbeleid weer doornemen, of zeggen we: er komt een voorstel van het college? Volgens mij hebben we een college aangesteld dat gaat besturen en die leggen een voorstel voor. Als u het er niet mee eens bent, toon dan moed en zeg: we zijn het er niet mee eens, het moet terug naar de commissie en wethouder kom maar met een aantal andere voorstellen, dan kunnen we objectief gaan kiezen. Maar dat ligt niet voor en dat is ook niet gezegd, volgens mij.
Goede M. de
Nu loopt mijn ketting toch echt van mijn fiets. Ik hoor u regelmatig in de commissie Financiën zeggen: “Wij willen graag een integraal evenementenbeleid. We willen graag een overzicht, een agenda van wat er gebeurt.” Daar hoort dus ook een financieel plaatje bij dat laat zien aan welke evenementen we wel geld gaan uitgeven en aan welke niet. Het is niet dat het college keer op keer met stukjes informatie komt, waarmee ze zeggen ‘hier wat meer en hier wat minder geld.’ Dan willen we integraal de afweging maken. We zijn het ook met elkaar eens volgens mij, dat het college de evenementenkalender aan de raad voorlegt, met bijbehorend financieel plaatje, zodat duidelijk is wat we gaan doen.
Verweij H.
Daar heeft u helemaal gelijk in en ik zal dat hopelijk ook in een volgende periode blijven roepen, maar dat staat los van deze casus, waar iets anders aan ons voorgelegd wordt. Dan moet u dus gewoon nee zeggen, en zeggen: het gaat terug naar de commissie en we nemen het mee in het algemene evenementenbeleid. Maar u kunt niet voorstemmen en vervolgens zeggen: onder protest. Dat vind ik raar en ook het signaal vind ik een beetje vreemd.
Goede M. de
Wij stemmen van harte voor, maar we willen wel dat er dan een overzicht komt, want we hebben nog meer evenementen dit jaar, van wat er nog aan problemen aan zit te komen en welke evenementen nog financiering behoeven. Bijvoorbeeld een Grachtenfestival, of een marathon.
Roos D.J.
Ik zit toch een beetje met de vraag over hoe dat dan moet werken. Op moment x, zeg nu, hebben we een evenement dat geld nodig heeft. En die andere evenementen weten dat nog niet, of weten dat pas over twee maanden. Dus van die lijst waaruit u dan wilt kiezen, kiest u er een, maar dan komt de maand daarna iemand die zegt: ik had er ook op gemoeten, maar toen had ik nog geen financiële problemen. Volgens mij moet je dit soort dingen gewoon bekijken wanneer het nodig is. Er is een evenementenkalender die zegt wat we allemaal hebben en we merken wel wie er allemaal nog geld nodig heeft.
Goede M. de
We weten bijvoorbeeld nu al, meneer Roos, dat het Grachtenfestival in de problemen zit. U kiest ervoor om dat geld liever aan de Giro te geven dan aan het Grachtenfestival. Dat is een keus die we kunnen maken. Daarvan zegt u: dat doen we in volle bewustzijn, omdat we dat hier nu al weten.
Bakker J.L.
Ik stel vast dat we een beetje buiten het onderwerp dwalen dat hier ter besluitvorming voorligt.
Hoogerwerf P.
Ik had ook nog een vraag aan GroenLinks. Volgens mij is het wel belangrijk dat u consequent bent. Of u zegt: beste wethouder, kom met een beter voorstel, zodat wij die afweging kunnen maken, of u stemt nu tegen. Maar u kunt niet voorstemmen en vervolgens iets anders vragen. Dat vind ik niet consequent.
Goede M. de
Ten eerste kunnen we dat wel degelijk. Wij stemmen wat wij willen en niet wat D66 ons adviseert. Maar ten tweede, ik ben heel duidelijk. Wij willen graag een integrale afweging van de evenementen, maar we zien dat er nu gewoon duidelijkheid moet komen voor de Giro, omdat er ook sponsors zitten te wachten op het commitment van de gemeente.
Gehrels C.
Ik ben heel erg verwonderd over het voorstel van de SP. Op het moment dat je in de raad zegt ‘we maken deze kosten en we denken dat sponsoren dat wel op gaan brengen’, dan doet u dus aan politiek wensdenken, waardoor je, vind ik, als gemeente je verantwoordelijkheid niet neemt. Ten tweede heeft u het over de ‘Giro redden’, maar dat is helemaal niet aan de orde. Wat aan de orde is, is dat wij een Giro organiseren, conform uw wens en uw passie, mevrouw Hoogerwerf. Het is de passie van de gemeenteraad, dat heeft de heer Roos zojuist geschetst, om de Giro naar Amsterdam te halen. We hebben daar drie uitgangspunten voor vastgesteld. Als u zegt: we laten er een vallen, bijvoorbeeld dat het een volksfeest is, dan is er een post entertainment van 275.000 euro waardoor die 250.000 euro al niet nodig zou zijn. Dan hou je 25.000 euro over. Dus er is helemaal geen sprake van de Giro redden, maar er is hier sprake van de Giro uitvoeren conform de uitgangspunten die wij met elkaar hebben afgesproken, op een ordentelijke wijze begroot. Dat is wat hier aan de hand is. En nogmaals, als bedrijven betrokkenheid tonen, dan vinden wij dat hartstikke goed, want dan kunnen we nog net iets meer doen.
Ivens L.
Ik viel bijna van mij stoel van dat ‘politieke wensdenken’ van u. Want als ik heel eerlijk moet zijn; u zei het zelf. Als er eventueel nog sponsorinkomsten zijn, dan gaan we dat weer in die schaduwbegroting doen. U houdt er zelf rekening mee dat er eventueel nog extra sponsorinkomsten zijn. Ik zeg: laten we die nu gebruiken om dit gat te vullen. En dan verwijt u mij politiek wensdenken. Het is uw verwachting, kennelijk, dat er nog extra inkomsten komen. Mijn wens zou aanvankelijk al zijn geweest om te werken met één begroting. Maar als er een les nog veel belangrijker is dan uw verwijt tot politiek wensdenken, dan is dat dat het eigenlijk te gek voor woorden is dat wij hier nu zomaar akkoord moeten gaan, omdat er geen weg terug lijkt. Wat ik probeer te schetsen is, dat er wellicht wel degelijk een andere weg is. Laten we iets verder kijken dan alleen maar met een narrow mind van ‘op dit pad zitten we en we gaan er maar mee door.’ Mijn verzoek aan u is om alstublieft geen misbruik te maken van woorden als politiek wensdenken, want daar vervuilt u het debat mee.
Gehrels C.
Ik heb u vorige week uitgelegd dat er vele wegen naar Rome zijn. Dat zult u in dit geval toch echt met mij eens zijn. Als u wilt dat we minder kosten maken, dan zullen we onderdelen moeten schrappen. Daarvan hebben we vorige week met elkaar geconcludeerd dat we dat niet gaan doen. Dan heb ik het weer over die uitgangspunten. U spreekt steeds over een schaduwbegroting. Dat is geen schaduwbegroting. Er zijn twee begrotingen. Er is een begroting van de Giro d’Italia, waar de gemeente verantwoordelijkheid voor draagt. Daarbinnen kunnen wij activiteiten uitvoeren, die zijn vorige week uitgebreid besproken. Daarnaast zijn er nog meer activiteiten, georganiseerd door het bedrijfsleven, door bedrijven die graag mee willen doen, bijvoorbeeld door middel van een diner en daar hoeft de Amsterdammer geen cent aan te betalen. Daar bent u het mee eens, daar ben ik het mee eens en dat is dus verstandig georganiseerd. Maar dat je werkt met twee begrotingen is iets anders dan het hebben van een schaduwbegroting.
Ivens L.
Ik ben blij dat u het woord ‘wensdenken’ niet nog eens in de mond neemt. Oké. Maar dan blijft het tweede punt staan. U zegt dat u die uitgaven niet kunt verlagen. Maar wat ik nu voorstel is om te kijken hoe we die inkomsten ook voor een deel bij de gemeente kunnen laten binnenkomen. Oftewel, als je de uitgaven niet kunt verlagen, verhoog dan de inkomsten, dan scheelt dat ook weer geld.
Gehrels C.
Ik heb u uitgelegd dat we de uitgaven wel kunnen verlagen, maar dat ik dat niet verstandig vind. Dat was ook de conclusie van de commissie vorige week. Ik heb u uitgelegd dat we de inkomsten ook kunnen verhogen, maar dat we dat dan zullen besteden aan andere dingen. Ook dat is een keuze. Ik zet u niet voor het blok. Dat lijkt me een mooie laatste zin.
Asscher L.F.
Ik vind dat de heer Verweij een uitstekende wethouder Financiën neerzet, hier, zo, even. Er is mij één concrete vraag gesteld, door de heer De Goede, namelijk of ik overzicht kan geven van alle instanties die de komende maanden in de problemen zouden kunnen komen. Dat kan ik niet.
Goede M. de
Dat is ook mijn vraag niet, wethouder. Ik heb u gevraagd, en dit hebben we in de commissie regelmatig gevraagd, om een overzicht, dus een kalender van het evenementenbeleid, met daarbij een financieel plaatje. We weten niet welke problemen er komen, maar we weten wel welke evenementen er zijn en op welke manier de gemeente Amsterdam daaraan bijdraagt.
Goede M. de
En daar dus ook bij de begroting die hoort bij die evenementenkalender, de evenementenbegroting.
Asscher L.F.
U heeft de begroting van de gemeente Amsterdam, u weet wat wij bijdragen aan de evenementen. Wat ik u niet zal toesturen, is een begroting van alle evenementen in Amsterdam.
Goede M. de
Ik weet niet of u de begroting gelezen hebt, ik ga er vanuit van wel. Daar staat niet per evenement gespecificeerd hoeveel we daaraan uitgeven. Dat heb ik nagezocht. Dat overzicht zou ik graag willen ontvangen.
Goede M. de
Ik zou het graag willen hebben. Als u dat kunt toezeggen, dan zijn we klaar met dit debat.
Bakker J.L.
Laten we het hierbij houden, meneer De Goede.
De discussie wordt gesloten. Aan de orde is de stemming over de voordracht.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Ivens voor een stemverklaring.
Asscher L.F.
Voorzitter, sorry. Ik wil niet op een vervelende manier uit elkaar gaan met de heer De Goede. Ik stuur hem de evenementenkalender en ik stuur hem ook een lijstje met onze bijdragen aan de evenementen. Dat is echt de moeite niet, dat doe ik gewoon. Eigenlijk bedoelde ik dat met "Ik zal mijn best doen”, maar u kijkt zo ongelukkig, dat wil ik niet.
Bakker J.L.
Uw voorzitter krijgt een heel apart gevoel van binnen.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Hoogerwerf voor een stemverklaring.
Hoogerwerf P.
De tortelduifjes zijn in de lucht. Voorzitter, D66 wordt ook geacht tegen te hebben gestemd betreffende dit voorstel.
20a. Actualiteit van het raadslid mevrouw Van der Pligt van 15 januari 2010 inzake de financiële problemen bij jeugdzorg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 30)
Pligt M. van der
We hebben recent in de krant kunnen lezen dat ook wethouder Asscher zich ernstige zorgen maakt over de financiering van de jeugdzorg. We hebben tevens in een artikel in Binnenlands Bestuur kunnen lezen dat provincies het tekort dat gaat ontstaan bij gemeenten, omdat er gekort wordt op het budget, veelal aan de gemeenten doen toekomen en bijplussen. Behalve de provincie Noord-Holland in dit geval, want die zegt: luister, jullie hebben er zelf een bestuurslaag tussen gecreëerd, namelijk de stadsregio, dus die krijgt het geld en die moet het daar dan maar mee doen. Maar de Amsterdammer betaalt eigenlijk al dubbel voor de jeugdzorg en hij krijgt op deze manier het minst via de opcenten van de provincie, die hiermee het budget van de jeugdzorg heeft opgehoogd. Dat opgehoogde budget is niet beschikbaar voor inwoners van een stadsregio. Kortom, Amsterdammers betalen ook nog eens een extra miljoen, dat bij de begroting voor 2010 is vrijgemaakt, maar wij weten eigenlijk niet in hoeverre dit allemaal ten gunste gaat komen van de Amsterdamse kinderen. We hebben dat miljoen vrijgemaakt bij de begroting onder het mom dat we moesten voorkomen dat er weer nieuwe wachtlijsten zouden ontstaan en om de bedrijfsvoering te kunnen verbeteren. We hadden van meneer Gerritsen inderdaad een plan gekregen voor de verbetering van de bedrijfsvoering, dat kostte acht miljoen. Alleen de gemeente Diemen en Amsterdam hebben bijgedragen en de omliggende gemeenten niet. Kortom, dat geld is niet bij elkaar gebracht. Dus is het ook maar de vraag welke onderdelen van dat bedrijfsplan van meneer Gerritsen nu wel en niet zullen worden uitgevoerd. Mijn fractie maakt zich ernstige zorgen over het feit dat wij dan op zijn minst willen dat als dat miljoen door Amsterdam is uitgetrokken, dat ook aan Amsterdamse kinderen gaat worden besteed.
Vandaar dat ik ook een motie heb om u te vragen met een plan te komen of in ieder geval een goed onderbouwd voorstel waarin wij de besteding van dat miljoen dan duidelijk aanwijsbaar kunnen terugzien in de besteding voor Amsterdamse kinderen.
72° Motie van 21 januari 2010 van het raadslid Van der Pligt inzake financiële problemen jeugdzorg. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 43)
Bakker J.L.
De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
72° Motie van 21 januari 2010 van het raadslid Van der Pligt inzake financiële problemen jeugdzorg. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 43)
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Verweij.
Verweij H.
Ik begrijp de vraag van mevrouw Van der Pligt heel goed. Nu is in de regioraad, aan de portefeuillehouder Asscher in dat geval, ook gevraagd middels een motie om bij de provincie Noord-Holland het extra geld dat door het dubbel betalen terug zou moeten komen naar Amsterdam te gaan regelen, of in elk geval te onderzoeken. In dat verlengde is misschien deze vraag mee te nemen bij de beantwoording van de vraag van mevrouw Van der Pligt.
Asscher L.F.
Het zijn eigenlijk twee aparte zaken. Wat betreft de provincie zijn we het denk ik met elkaar eens. Ook in de regioraad. Uiteindelijk zullen de Staten daar verandering in moeten brengen. Ik heb daar al over geschreven en gepraat met Gedeputeerde Staten. En ik blijf dat ook op de agenda zetten, want het is onrechtvaardig, maar het is niet iets dat wij in deze zaal kunnen veranderen. Het tweede punt is iets preciezer. Ik ben inderdaad overeengekomen met de andere gemeenten dat het nodig is om te investeren in Bureau Jeugdzorg. In de bedrijfsvoering en daarmee ook in het voorkomen dat er bij Bureau Jeugdzorg, waar de wachtlijsten voor kindermishandeling nu eindelijk zijn weggewerkt, die wachtlijsten zouden kunnen terugkomen. Dat is een kwaliteitsverbetering en buitengewoon belangrijk voor wat daar voor werk gebeurt. Dat is op een vrij laat tijdstip gekomen, voor u, maar voor hen ook. Uiteindelijk heb ik met hen afgesproken dat de bijdragen die Amsterdam en Diemen doen, kunnen worden gezien als voorschot op de bijdrage die de stadsregio als geheel zal doen, waarbij Amsterdam over het algemeen 50% betaalt. Dat betekent dat er wel degelijk een heel strak plan moet komen voor waar de bestedingen terechtkomen, maar dat je niet moet willen dat iedere euro traceerbaar bij alleen Amsterdamse kinderen terechtkomt. Want als we de bedrijfsvoering verbeteren bij Bureau Jeugdzorg komt dat ten goede aan alle kinderen in de stadsregio en eerlijk gezegd vind ik het ook niet zo kies om via die weg een onderscheid te maken tussen kinderen in de Haarlemmermeer en bij ons, zeker niet als je bedenkt dat juist in Amsterdam relatief veel kinderen zijn die jeugdzorg nodig hebben. Ik zou dus heel positief op de motie kunnen reageren als daar het woordje ‘mede’ aan toegevoegd zou kunnen worden. De zinsnede ‘ten goede aan Amsterdamse kinderen’ zou je moeten veranderen in ‘mede ten goede aan Amsterdamse kinderen’ of ‘ten goede aan kinderen in de Amsterdamse regio’. Dan is er geen enkel bezwaar tegen en ben ik het met u eens. Dat is ook de afspraak met de andere gemeenten in de regio. Er komt nu een plan voor hoe het verder gaat en voor een tweede fase waarin andere gemeenten aan de beurt zijn om te betalen. Maar je moet nu met dit miljoen geen exclusiviteit voor Amsterdamse kinderen willen, want dat kan in de praktijk niet en het is inhoudelijk onwenselijk.
73° Motie van 21 januari 2010 van het raadslid Van der Pligt inzake financiële problemen jeugdzorg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 44)
Bakker J.L.
De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
73° Motie van 21 januari 2010 van het raadslid Van der Pligt inzake financiële problemen jeugdzorg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 44).
De discussie wordt gesloten.
De motie kan in stemming gebracht worden.
De motie-Van der Pligt (Gemeenteblad afd. 1, nr. 44) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van der Pligt (Gemeenteblad afd. nr. 44) met algemene stemmen is aangenomen.
5. Mondeling vragenuurtje
3° Vraag van het raadslid mevrouw Boelhouwer inzake verbeteringsacties luchtkwaliteit richting bedrijfsleven
Boelhouwer C.
In het luchtkwaliteitsplan dat dit college een paar jaar terug presenteerde staat dat Amsterdam in 2015 40% van de CO2-uitstoot heeft teruggebracht. Een mooi streven, ook een ambitieus streven, want het genoemde percentage is nog weer een groter percentage dat Nederland in Europees verband moet behalen. Ambitie is mooi, maar die moet wel wortels hebben in de reële wereld. Geen ongefundeerd optimisme, maar realisme, ik herhaal het nog maar eens. Vorige week verschenen de cijfers van de Amsterdamse CO2-uitstoot over de jaren 2007 en 2008. De conclusie was toch wel schokkend. Ondanks alle gemeentelijke acties is overall gezien niets verbeterd. Integendeel, het is zelfs slechter geworden. De uitstoot bij bedrijven is tussen toen en nu vermeerderd.
Voorzitter, met de kennis van nu, met het jaarverslag voor onze neus: hoe realistisch is de ambitie van het luchtkwaliteitsplan anno 2010? Wat is de visie van het college daarop? Moet het college de ambitie bijstellen en zeggen: Amsterdam, we halen het niet, we waren in 2007 niet realistisch, het was wensdenken? Dat was de eerste vraag.
De acties van het luchtkwaliteitsplan, een heleboel acties, dat moet ik de wethouder nageven, het zijn er 44, zijn voor het overgrote deel gericht op de kleine CO2-uitstoter. Maar daar kom je er niet mee, dat blijkt uit de cijfers. De uitstoot bij bedrijven moet worden aangepakt, wil je werkelijk verschil maken. Bent u het met mij eens dat de luchtkwaliteitsverbeteringsacties richting het bedrijfsleven een meer dwingend karakter moeten krijgen? Minder vrijblijvend? En welke mogelijkheden ziet u om dit te bewerkstelligen? Wat gaat u bijvoorbeeld doen met de allergrootste CO2-uitstoter van de stad, de kolengestookte Hemcentrale van Nuon? En wat heeft u al gedaan in het verleden?
De derde vraag is meer een vraag naar de moraal van het verhaal van het luchtkwaliteitsplan. U zegt daarin de lokale CO2-uitstoot te verminderen, maar het milieu stopt niet bij de gemeentegrens. De Amsterdamse haven heeft een steenkolenoverslagpunt.
Boelhouwer C.
De Amsterdamse haven werkt mee aan het steenkolentransport naar de rest van Europa, oftewel u faciliteert de CO2-uitstoot duizend kilometer verderop, want die steenkolen gaan duizend kilometer verderop verstookt worden. Hoe rijmt u dat? Stopt voor u het milieu soms wel bij de gemeentegrens? Hoe milieuvriendelijk en realistisch is uw streven eigenlijk werkelijk, gezien deze achtergrond?
Vos M.
Ik dank de SP voor de vragen. We hebben inderdaad een CO2-jaarverslag, dat is voor het eerst verschenen, waarin we kunnen zien dat de CO2-uitstoot van deze gemeente toeneemt. Dat kan er alleen maar toe leiden dat om de klimaatdoelstelling te realiseren, we een stevig klimaat- en energiebeleid nodig hebben in de gemeente. We hebben dat in gang gezet, maar het gaat om een dermate fundamentele verandering, die noodzakelijk is, in het energieverbruik van huishoudens, bedrijven, in feite van iedereen die in deze stad woont en actief is, dat dat een kwestie is van lange adem. De start is gemaakt en ik zie geen enkele reden om ambities bij te stellen. Dat lijkt me juist een heel verkeerde stap. Het is juist de bedoeling dat we met de ambities bedrijven en bewoners uitdagen om alles op alles te zetten om die CO2-doelstellingen wel te gaan realiseren en ook daarmee een prikkel te geven voor economische vernieuwing en nieuwe economische kansen. Ik denk dat duurzaamheid en energiebesparing daar absoluut veel mogelijkheden voor bieden.
U vraagt aan mij hoe dit zich allemaal verhoudt tot het luchtkwaliteitsplan. Hier moet een misverstand zijn. Het luchtkwaliteitsplan gaat over schadelijke stoffen in de lucht, die voor de gezondheid van mensen niet goed zijn. Dan hebben we het over NOX, onder andere, en de fijnstof. Dan gaat het niet over CO2, want dat is niet schadelijk voor de gezondheid van mensen. Het is uiteraard, waar het gaat om ons mondiale klimaat, een stof waar we ons grote zorgen om maken. Maar in het luchtkwaliteitsplan werken we daar natuurlijk niet aan. We hebben wel een luchtkwaliteitsplan dat van groot belang is, zowel voor onze stad alsook breder, en waarin veel stevige maatregelen zitten die we onverkort moeten doorzetten, maar als we dat doen, gaan we ook aan de normen die gesteld zijn voldoen. Daarvoor zal daarnaast overigens ook stevig rijksbeleid nodig zijn, zoals bijvoorbeeld een kilometerheffing. Dat type maatregelen zal absoluut ook doorgevoerd moeten gaan worden. Waar het gaat over het klimaatbeleid, want dat is volgens mij waar u het echt over wilt hebben, hebben wij een programma in gang gezet, met onder andere besluiten over klimaatneutraal bouwen, een klimaatneutrale gemeentelijke organisatie, een elektrisch vervoerplan. We bespreken binnenkort ook met u de schaalsprong duurzame energieproductie, we hebben plannen voor het MKB en we hebben plannen voor de aanpak op scholen. Dat zijn allemaal zaken die in gang zijn gezet, maar uiteraard nog een stevige voortzetting nodig hebben. Dat zal dus volgehouden moeten worden door de komende raad, het volgende college en vele colleges daarna. Daar is onder andere een investeringsfonds duurzaamheid en energie cruciaal voor, maar ook versterking van regelgeving. Het lijkt me van groot belang dat partijen ook juist richting de komende verkiezingen daar stevig werk van gaan maken. U vraagt dan specifiek mij naar de Hemwegcentrale. Voor de Hemwegcentrale is, dat is misschien goed om u even te melden, de provincie het bevoegd gezag. Zij verlenen de vergunningen, doen het toezicht en de handhaving en kijken ernaar dat de best beschikbare technieken worden ingezet. Ook zijn internationale en nationale regelgeving natuurlijk cruciaal voor deze centrale, maar uiteraard is Amsterdam ook een partij die zich zorgen maakt om de CO2-uitstoot. Wij zitten dan ook regelmatig om tafel bij NUON, collega Gehrels en ik, om te spreken over zaken als bijvoorbeeld de inzet van biomassa, de inzet van de restwarmte in ons stadswarmtenet en ook de CO2-afvang. Die zaken zullen wij ook voortzetten, samen met de provincie, waarmee wij de handen ineenslaan.
Dan vraagt u mij ten slotte over het kolenvervoer. Ik ben het met u eens dat kolen geen brandstof is die bijdraagt aan een beter klimaat. Willen wij dat aanpakken, dan zal inderdaad daarover ook internationale en nationale regelgeving nodig zijn. Maar op dit moment zijn er nog kolencentrales, zijn er nog bedrijven die het gebruiken en zullen er dus ook kolen vervoerd mogen worden. Maar het mag u duidelijk zijn dat wij ook vinden dat we natuurlijk uiteindelijk toe moeten naar een fossielvrije economie. Dat is echter een zaak van de lange adem.
1° Vraag van het raadslid mevrouw Van der Pligt inzake de gestegen energieprijzen en een tegemoetkoming hierin voor minima
Pligt M. van der
Door het aanhoudende koude weer zal de energierekening van een huishouden gemiddeld tot nu toe al zo’n 100 euro duurder uitkomen in 2010 dan zonder de koudegolf die we hebben gehad, en die er misschien ook nog aan zit te komen volgens het KNMI. Op de eerste persconferentie van het nieuwe jaar zei premier Balkenende, op de vraag of minima hiervoor gecompenseerd moesten gaan worden, dat men niet op een tegemoetkoming vanuit het Rijk hoefde te rekenen voor de hoge stookkosten die het barre winterweer veroorzaakt. Een kille nieuwjaarswens voor de vele minima in onze stad. Op diezelfde persconferentie gaf de premier ook aan dat mensen die het krap hebben naar de gemeente moeten voor bijzondere bijstand.
Wat vindt wethouder Ossel van dit standpunt van de premier?
Is de wethouder bereid om aan Amsterdamse minima een extra tegemoetkoming voor stookkosten te geven in 2010? En zo nee, waarom niet? Vorig jaar hadden we tenminste nog de beroemde 50 euro die vanuit de Kamer, van minister Bos kwam.
Is het budget voor de bijzondere bijstand toereikend als we extra aanvragen gaan krijgen in verband met de gestegen energiekosten? En zo niet, hoe gaat de wethouder dit dan oplossen?
Ossel F.
Dank u, mevrouw Van der Pligt, ook voor het delen van uw zorg met de raad en met het college op dit punt. Het is goed om dat te doen. Ik ga uw vragen beantwoorden in een koud deel en een warm deel. Het koude deel gaat vooral over de vraag: mag het eigenlijk? En het warme deel is: kan het ook, en wat kunnen we dan doen? Allereerst: wat vind ik, of wat vindt het college, van het standpunt van de premier? Inkomensbeleid is het primaat van de overheid, dat is u ook wel bekend. Ik zou willen zeggen dat ik die verwijzing naar de bijzondere bijstand graag voor zijn rekening hou, als u begrijpt wat ik bedoel.
Ten aanzien van de tweede vraag, te weten of het college bereid is om een tegemoetkoming te geven, daarvan zou ik zeggen: het is niet verstandig om dat te doen. Het kan eigenlijk niet volgens de Wet werk en bijstand. De stookkosten zijn algemene kosten en die moeten dus betaald worden uit het algemene inkomen of de algemene uitkering. Bijzondere bijstand gaat ook over, het woord zegt het al, bijzondere kosten. Het staat de gemeente dus niet vrij om dat inkomensbeleid te voeren. En dat kunnen we dus ook niet doorkruisen. Het mag gewoon niet.
Vraag drie, over of het budget dan toereikend is, wanneer we extra aanvragen zouden krijgen, is dan niet van toepassing. Als het gaat over bijzondere individuele omstandigheden, stel: een chronische zieke heeft hogere stookkosten, dan kan er een beroep gedaan worden op een regeling of op een bijzondere bijstand. In dit geval kan dat een tegemoetkoming zijn van bijvoorbeeld 20 euro per maand. Dus in bijzondere omstandigheden kan het wel, in het algemeen kan het niet. Hoe gaat de wethouder dat dan oplossen? Nu, dit hoef ik dus niet op te lossen en in die zin zijn we dan ook klaar. Dan zegt u: hoe gaat het dan met die bijzondere individuele gevallen die wellicht in de knel komen? Dat moeten we dan ook van geval tot geval bezien, wat betreft de bijzondere situatie en de bijzondere kosten. En we zullen er zeker alert op zijn wanneer het gaat om de bijzondere bijstand.
Tot zover het ene deel. Waar het gaat over de vraag of het eigenlijk wel moet, het volgende. U noemt het bedrag van 100 euro. Volgens mijn informatie is het zo dat de stookkosten uiteraard gestegen zijn vanwege het klimaat dat we de afgelopen tijd hebben gehad en nog zullen krijgen dit jaar. Maar die stijging verschilt nogal per huishouden. We praten hier over minima, die wonen niet in vrijstaande huizen, maar meer in appartementen. Dan blijkt dat die stijging ook een stuk minder is. Vrijstaande huizen kosten wat dat betreft gemiddeld 100 euro per maand meer, dat is de 100 euro die u bedoelt. Als het gaat over appartementen, is dat bedrag gemiddeld ongeveer 38 euro. Dus dat is een stuk minder. De stookkosten stijgen, daar heeft u gelijk in, maar minder dan u zou denken. En aan de andere kant zijn de energieprijzen ook gedaald, met gemiddeld zo’n 4%. Als je dat bij elkaar zet, kun je minimaal zeggen dat die twee zaken elkaar in evenwicht houden. Sterker nog, als het goed is en het zo doorgaat, zal in feite de jaarafrekening voor individuele gebruikers naar beneden gaan. Maar dat moet je in de gaten houden, want dat weet je pas zeker als je de jaarafrekening hebt gehad. Het laatste punt dat ik u wil meegeven is dat wij met de G4, mevrouw Jantien Kriens, de wethouder ging mij al voor, bezig zijn om te kijken of we een collectief energiecontract kunnen afsluiten voor minima. Dat is natuurlijk een heel goede zaak, als dat gaat lukken, want dan kunnen we de energielasten voor de minima verder beperken, of het nu zomer of winter is. Ik weet rond de zomer van 2010 of dat gaat lukken. Ik ben er positief over dat het gaat lukken, maar we zullen het ook daadwerkelijk moeten gaan intikken. Dat is denk ik ook de goede manier om uiteindelijk die minima met de energiekosten te helpen.
Pligt M. van der
Ik begrijp uw verhaal als u zegt: het is misschien maar 38 euro per appartement en de energiekosten zijn misschien inderdaad straks iets minder. Maar goed, ook ziektekosten zijn wel gestegen en de uitkeringen zijn natuurlijk in feite niet geïndexeerd, dus het blijft gewoon zo dat je als minima te weinig geld overhoudt om van te leven, zeker als de energiekosten hoger uit gaan vallen als gevolg van hogere stookkosten. Want ik moet nog maar zien dat die energiekosten op dat peil blijven. Maar wat ik wel interessant vind, is dat u zegt dat u het niet uit de bijzondere bijstand mag betalen omdat dit gaat om algemene kosten. Maar de premier van Nederland heeft in feite tegen mensen gezegd dat ze naar de gemeente moeten voor die bijzondere bijstand. Dan verwacht ik eigenlijk wel dat u een brief stuurt naar de premier, namens de gemeenteraad van Amsterdam, dat hij dit niet op deze manier had kunnen zeggen en dat hij met een andere oplossing moet komen.
Ossel F.
Nogmaals, ik laat die opmerking voor zijn rekening. Ik heb u aangegeven wat wij wel en niet kunnen doen uit die bijzondere bijstand. Ik weet niet wat de premier verder precies heeft bedoeld. Het in elk geval een onderwerp dat ik met staatssecretaris Kleinsma nog eens zal bespreken, wat daar nu precies de bedoeling van is. Ten aanzien van uw opmerking over de algemene knelpunten waar minima mee te maken hebben het volgende. Dat is natuurlijk zo en dat is ook precies de reden waarom ik het zelf in zijn algemeenheid belangrijk vind om dan ook zo’n collectieve korting te bedingen. Daarmee zijn we natuurlijk nog niet klaar op allerlei punten, maar dit doen we op het gebied van de energiekosten en daar hebt u uw vraag over gesteld.
Ossel F.
Ik begrijp de opmerking van de heer De Goede. Eigenlijk handelt die opmerking over hetgeen we toch al doen. Ik zie deze dan ook als aansporing die ik opneem.
4° Vraag van het raadslid de heer Flos inzake de stijging van het aantal meldingen van anti-homogeweld
Flos R.E.
Deze week zijn nieuwe cijfers bekend geworden via het Amsterdamse politienetwerk Roze in Blauw, waaruit bleek dat er dit jaar 371 homogerelateerde incidenten waren, waarvan 82 met geweld, terwijl dat er in 2008 300, waarvan 54 met geweld. Ik heb daarover de volgende vragen.
Kan het college een verbijzondering geven van vormen en aantallen van geweld, van de slachtoffers hiervan en van de locaties waarop die incidenten hebben plaatsgevonden?
Kan het college over de daders aangeven in hoeveel gevallen de daders bekend zijn, opgespoord zijn, vervolgd zijn en bestraft zijn?
Is er, naar de mening van de burgemeester, sprake van een daadwerkelijke stijging of is dit slechts de stijging van de registratie ervan? Of is er zelfs sprake van een daling, volgens de burgemeester?
Uit het onderzoek van de UvA dat in opdracht van de gemeente Amsterdam is gedaan en dat ruim een jaar geleden verscheen, stond dat geregistreerde cijfers van de politie slechts het topje van de ijsberg vormen en dat slechts 4-25% van de daadwerkelijke incidenten gemeld wordt. Is het college het eens met die conclusie van de UvA en hoe groot schat zij in dat licht in dat het daadwerkelijke aantal anti-homoincidenten en -geweldsdelicten is in Amsterdam?
Kan het college aangeven of het de cijfers vindt mee- of tegenvallen, of dat deze ongeveer zijn zoals verwacht?
Vindt het college dat de gemeente en politie in Amsterdam genoeg hebben ondernomen, gezien deze cijfers, om geweld tegen homo’s tegen te gaan?
Zijn de beloofde camera’s in de homo-uitgaansgebieden en ook andere gebieden, krachtens de motie-Ornstein/Flos reeds geplaatst? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet en wanneer dan wel?
In hoeverre gaat het college vanwege deze cijfers extra actie ondernemen?
Cohen M.J.
Dank u wel, dit zijn volkomen terechte vragen van de heer Flos. Laat ik een deel beantwoorden en een deel ook aan wethouder Ossel laten, omdat het bij dit onderwerp niet alleen gaat om driehoeksbeleid maar ook om collegebeleid en zoals u weet werken wij hierin eendrachtig samen. In hoeverre kan ik verbijzonderingen geven over de cijfers die gegeven zijn? Op de korte termijn die na het verschijnen van de cijfers verstreken is, kan ik daar een paar dingen over zeggen. De afgelopen twee jaar is bij ongeveer 20% van de gemelde incidenten sprake van het gebruik van fysiek geweld. Dan gaat het veelal om mishandeling en/of openlijke geweldpleging en een enkele keer over huiselijk geweld. De plekken waar geweld zich heeft voorgedaan zijn divers; vaak openbare ruimte, op straat, homo-ontmoetingsplekken of in de horeca, een enkele keer in het huis van slachtoffer of dader. Vrijwel alle melders zijn mannen.
Uw volgende vraag was om nog wat meer gegevens te hebben over bekendheid van daders, de opsporing, vervolging en bestraffing. Daar kan ik weinig over zeggen op dit moment. Ik kan wel zeggen dat lang niet alle incidenten leiden tot aangifte. In 2009 zijn er 178 aangiften geweest op een totaal van 371 homogerelateerde incidenten. Dat is dus minder dan de helft. De redenen daarvoor zijn dat de melder geen aangifte wilde doen of dat het niet ging om een delict.
Uw derde vraag betrof de mening van het college. Is er sprake van een daadwerkelijke stijging of van stijging van registratie? Het is moeilijk om dat te zeggen. We hebben wel het idee dat die hogere cijfers het gevolg van zijn van meer melden. Dat komt ook, en dit weet u, omdat de politie flink investeert in contact met de doelgroep, er is een laagdrempelig en speciaal telefoonnummer voor slachtoffers. Ook is de registratie verbeterd, waardoor beter zichtbaar wordt of er sprake is van een discriminatieaspect bij de melding of bij de aangifte. Alles bij elkaar leidt dat ertoe dat de cijfers, naar wij hopen, een realistischer beeld geven dan een paar jaar geleden. Ook vanuit de homobeweging is daarop gereageerd, maar ik hoop dat wethouder Ossel daar zo nog op ingaat. Alles bij elkaar vind ik het dus niet makkelijk om uit de beperkte cijfers die we hebben stevige conclusies te trekken. Maar dit is wel een indicatie. Dan is uw vraag of er nu sprake is van het topje van de ijsberg. In ieder geval staat vast dat de cijfers die we nu hebben niet alle delicten vertegenwoordigen. Er vinden meer incidenten plaats dan gemeld worden bij politie of bij het Meldpunt Discriminatie. Maar om te zeggen hoe je dat nu moet extrapoleren, dat is buitengewoon lastig. Hoe dan ook, maar dat zal u niet verbazen, is en blijft het melden van incidenten belangrijk, ook omdat het een hulpmiddel kan zijn bij het voorkomen van incidenten. Juist daarom is er in de driehoek nog eens bevestigd hoe belangrijk het is dat de meldingsbereidheid bij discriminatiekwesties hoger wordt. Het moet een gezamenlijke inspanning zijn en daar zijn we mee aan de slag en meer in het algemeen is discriminatie echt een van de speerpunten van het beleid van de driehoek. Dat was zo, dat is zo en dat blijft zo. Homodiscriminatie maakt daar vanzelfsprekend onderdeel van uit.
Dan is uw vraag: valt het nu mee of tegen, of is het ongeveer wat wij verwachtten? Ieder incident is een tegenvaller. In die zin vind ik het altijd tegenvallen. Voor het overige blijft het, maar dat is ook een gevolg van wat ik eerder heb gezegd, een beetje een gemixt gevoel. Als er sprake is van meer meldingen, dan ben ik daar blij om. Maar omgekeerd; het zijn er veel te veel, en dat bevalt me helemaal niet. U weet dat wij er het nodige aan doen en wethouder Ossel zal nog ingaan op wat we ook vanuit de gemeente doen om die meldingsbereidheid te verhogen. Doen we genoeg? Ik heb u net gezegd dat dit in de driehoek een speerpunt blijft. En het feit dat Roze in Blauw nu echt goed functioneert, vind ik echt een belangrijk punt. Zij gaan daar ook zeker met kracht mee door. Dan de camera’s. Die zijn nog niet geplaatst, in de Regulierdwarsstraat. Daar is een factor van belang, daarover stuur ik u binnenkort een brief, maar het voert te ver om daar op dit ogenblik iets over te zeggen. Binnenkort stuur ik daarover een brief naar de commissie Algemene Zaken. Voor de overige punten hoop ik dat u het woord wilt geven aan wethouder Ossel, voorzitter.
Bakker J.L.
Dat doet de voorzitter, met de opmerking dat dat wel puntig en bondig en ter zake zal moeten zijn.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ossel.
Ossel F.
Ik ga mijn best doen. Het gaat hier natuurlijk niet om absolute conclusies op basis van beperkte cijfers, maar het zijn trends die worden aangegeven en we zullen wel zien of die trends zich ook zullen doorzetten. Dat moet zich dan ook bewijzen in de tijd. Ik maak u erop attent dat wij in het voorjaar weer de diversiteitsmonitor krijgen. U hebt zelf ook aangegeven dat u graag een gesprek wilt voeren met raad en college over de objectieve en subjectieve cijfers op dit gebied, waar het gaat om discriminatie. Ik denk dat dat in ieder geval heel verstandig is en dat we dan ook het brede gesprek met elkaar moeten aangaan. Dat past overigens ook in de behandeling van het plan van aanpak voor discriminatie in de raad, waarin dat ook ter sprake is gekomen. Dat is een. Het tweede is het volgende. We gaan natuurlijk niet herhalen wat we allemaal hebben afgesproken in het kader van het plan van aanpak voor discriminatie en Gay Capital. Ik wil u er alleen maar attent op maken dat de hele raad, met hier en daar natuurlijk een accentverschil, heeft gezegd: ga door op die weg, dit zijn de maatregelen, positief en ook repressief en in de sfeer van voorlichting. We moeten wat dat betreft alles doen om ervoor te zorgen dat we dit gaan bestrijden en dat we dit ook gaan bereiken. Het is dan denk ik niet een kwestie van genoeg, of meer, of minder. Het is meer: doe 110% je best om ervoor te zorgen dat die maatregelen goed en goed genoeg worden uitgevoerd en laten we kijken of dat dan ook effect heeft. Ik zie dit dus als een aansporing van het doorzetten van dat beleid. Wat we niet moeten, volgens mij, is extra maatregelen nemen die leiden tot stapeling van zaken, terwijl je nog maar nauwelijks bent begonnen. In september hebben we hier Gay Capital afgesproken en ik dacht dat in november hier het plan van aanpak voor discriminatie is afgesproken. Natuurlijk, in de trend van beleid dat loopt, maar dat is wat we doen. Dus: aansporing om het door te zetten, wel degelijk; geen nieuwe dingen, maar wel hard doorzetten wat we aan het doen zijn, zowel repressief als in de sfeer van preventie en voorlichting.
Flos R.E.
Dank u wel voor de uitgebreide beantwoording door de burgemeester en wethouder Ossel. Nog een paar aanvullende vragen. U stelt dat minder dan de helft slechts aangifte doen en dat er ook nog altijd mensen zijn die niet willen. Dat baart mij toch zorgen. Hebt u desondanks de indruk dat de aangiftebereidheid verhoogd is? Want men doet blijkbaar wel een melding, maar die resulteert niet in een aangifte. Dus men heeft al de stap genomen om naar de politie te gaan. Ik vind het raar dat men dat niet omzet in een aangifte. Dan verbaast mij enigszins het volgende. Het huiselijk geweld telt hier neem ik aan alleen mee als er ook een discriminatiecomponent aan zit? Ik zie de burgemeester dit bevestigen. Ik vind het jammer om te horen, betreffende die vraag over het topje van de ijsberg, dat men geen inschatting kan maken van hoe groot die berg is. Ik ben bijvoorbeeld geïnteresseerd in de vraag of u een opvatting heeft over de meldingsbereidheid die bij dit soort homogerelateerde incidenten of andersoortige hate crimes relatief lager is dan bij een openbare geweldpleging op straat die bijvoorbeeld uitgaansgerelateerd is. Ik weet niet of u dat weet? Tot slot nog een vraag over Roze in Blauw. U geeft het belang daarvan aan. Is inmiddels binnen de politie geregeld dat politieagenten ook in werktijd werkzaamheden voor dit netwerk mogen verrichten, of is daar nog steeds weerstand tegen binnen de politieorganisatie?
Cohen M.J.
Wat dat laatste punt betreft, dat weet ik niet, maar eerlijk gezegd kan ik me dat nauwelijks voorstellen. Er zal binnen de politie wel weerstand zijn, maar bij de korpsleiding in ieder geval niet. Daar ben ik absoluut zeker van. Maar ik zal dat navragen. Naar mijn gevoel doen ze dat gewoon binnen werktijd. Maar ik vraag het na. Dan uw vraag over het topje van de ijsberg. Het lastige daarvan is natuurlijk: ik heb het antwoord niet. Het lastige daarvan is dat je niet weet wat je niet weet. Van diegene die zich op geen enkele manier melden, kun je er niet achter komen. Dat is de reden dat ik niet kan weten of er sprake is van het topje van de ijsberg, of het meer is, de helft is, of wat dan ook. Het enige positieve dat ik hier wel in zie, is dat er in ieder geval meer meldingen zijn en dat er zowel vanuit de politie als ook vanuit de homo-organisaties wel het gevoel bestaat dat die drempel lager wordt. Als dat zo is, zou je in ieder geval kunnen zeggen dat er meer is dan het topje van de ijsberg. Maar dat zijn kwalitatieve opmerkingen, geen kwantitatieve. Ook op uw eerste vraag heb ik tot mijn spijt het antwoord niet.
Hoogerwerf P.
Dank aan de VVD voor het stellen van deze vragen. Ook D66 maakt zich zorgen over het toenemende aantal incidenten waarbij homogeweld plaatsvindt. Wij hebben nog een specifieke vraag over het percentage vrouwen. We begrepen dat het aantal vrouwen dat zich meldt erg laag is en dat het dus voornamelijk om mannen gaat. Heeft u informatie over de vraag hoe dat komt? Heeft het er mee te maken dat er minder geweld is, of met die meldingsbereidheid? Of heeft dit te maken met het idee dat het een ander soort geweld is, waar we het wel eens in de commissie over hebben gehad en naar aanleiding waarvan we gevraagd hebben of daar onderzoek naar kan worden gedaan? Bijvoorbeeld omdat er meer verbaal geweld dan fysiek geweld gebruikt wordt?
Cohen M.J.
Ik zou daar geen antwoord op weten. Ik kijk even naar wethouder Ossel en die meldde iets vergelijkbaars. Ik zou het niet weten.
Straub J.
Toch nog even over de vraag van de heer Flos. Die mensen melden zich bij de politie, maar doen geen aangifte. Ik kan me voorstellen dat de gegevens die we nu hebben daarvoor te mager zijn, maar ik wil het college graag uitnodigen om, als uw gegevens genoeg volume hebben, de raad te rapporteren over wat dan de beweegredenen zijn geweest om wel naar de politie te gaan, maar geen aangifte te doen.
Cohen M.J.
Ik zal die vraag aan de politie voorleggen en kijken of zij in staat zijn daar antwoord op te geven.
Schorsing
8. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 8 december 2009 tot beschikbaar stellen van het eerste uitvoeringskrediet voor AMSYS (Amsterdam Metro System) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 4)
Bakker J.L.
Voorzitter, word wakker. Word wakker bij contra-intuïtieve informatie. We hebben allemaal de neiging om informatie te negeren die niet klopt met wat we in ons hoofd hebben. Dit kan leiden tot het zogenaamde group think. De groep is het met elkaar heel erg eens over hoe de buitenwereld in elkaar zit en laat zich niet wakker schudden door informatie die daarmee niet klopt. Aldus een van de wetjes van Duco Stadig. Maar bij alles wat met de Noord/Zuidlijn samenhangt is het lastig om mensen wakker te schudden. Soms is daar een enorm dik rapport voor nodig. Over de keuze tussen breed en smal materieel is in ieder geval wel diverse malen gesproken, maar overtuigend is het pleit wat de SP betreft nog niet beslecht. Wat ons betreft is het beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. De keuze heeft immers grote financiële gevolgen en grote gevolgen voor de regionale ontsluiting. Of heeft het college van die opvatting over de Noord/Zuidlijn, een bijdrage aan regionale ontsluiting, afscheid genomen? Op mij komt de keuze voor breed materieel over als met een Hummer door Madurodam rijden. Je kunt er slecht mee uit de voeten, zegt mijn gezonde verstand. Mevrouw Sorgdrager heeft nog geadviseerd dat bestuur en raad zich wat informatievoorziening betreft niet zo vaak afhankelijk moeten laten maken van één bron. Dus wat de SP betreft laten we het pleit beslechten door nogmaals een onafhankelijke deskundige naar het voorstel te laten kijken. Heel goede lezers en mensen met een enorm goed geheugen zullen hier wellicht iets uit herkennen; dat betreft namelijk een motie van de heer Bijlsma, die deze in 2002 heeft ingediend. En die dien ik hier dus ook in, in licht gewijzigde vorm. Het gaat dus om een heroverweging, ook in lijn met wat de Amsterdamse Raad voor Stadsontwikkeling heeft gezegd. Bezint eer ge begint. Is die keuze voor breed nu wel zo verstandig als wij denken?
74° Motie van 20 januari 2010 van het raadslid Bakker inzake het beschikbaar stellen van het eerste uitvoeringskrediet voor AMSYS (Gemeenteblad afd.1, nr. 45)
Cohen M.J.
De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
74° Motie van 20 januari 2010 van het raadslid Bakker inzake het beschikbaar stellen van het eerste uitvoeringskrediet voor AMSYS (Gemeenteblad afd.1, nr. 45)
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Bergervoet.
Bergervoet M.
Dit is een onderwerp met een behoorlijke voorgeschiedenis. Toen ik in 2002 gemeenteraadslid werd, was dit ongeveer het eerste waar ik mijn tanden in mocht zetten. Of 2006, sorry. En ik heb alle stukken nog eens van zolder gehaald, dus ik heb het weer helemaal helder. Het verbaast mij niet dat de motie die de heer Bakker nu indient, een beetje lijkt op een motie van Auke Bijlsma, want er is in 2002 en in 2006 heel nauwkeurig gekeken naar dat metromaterieel, zeker ook door de PvdA. In 2006 is er een expertmeeting geweest, er zijn veel vragen gesteld in de commissie, we hebben een quickscan gedaan, daar is een advies uitgekomen en daar hebben wij toen mee ingestemd. Wij zien geen enkele reden om daar nu op terug te komen. We stemmen dus in met de raadsvoordracht. Wij willen ontzettend graag snel nieuw metromaterieel. Dat hebben we hartstikke hard nodig op de Oostlijn en op de Ringlijn. Die metrolijnen zijn een succes. De mensen hangen er aan de benen uit, passagiers moeten achterblijven op het perron. Dat kan natuurlijk niet zo zijn, dus daar hebben we die nieuwe grote treinen heel hard voor nodig. We vinden het ook een prima keuze voor de Noord/Zuidlijn. Als je kijkt naar de Oostlijn, daar rijdt ontzettend oud materieel. Dat is afgedankt, ’s winters doet de verwarming het niet, ’s zomers is de airco kapot. Dat kan je een beetje opleuken met kunst, maar het blijft natuurlijk oude meuk. En dat is een topstad niet waardig. Wij hechten ontzettend aan goed openbaar vervoer. Niet in het laatst daarom hebben wij bij de begrotingsbehandeling van 2009, dus dat was eind 2008, ook een motie ingediend, en die is aangenomen, om ook die stations versneld op te knappen. Dat is hartstikke hard nodig en daar hebben we ook die nieuwe treinen voor nodig. Dus alsjeblieft, niet opnieuw die discussie.
Ik ben ermee begonnen in de raad, ik wil er deze raadsperiode eigenlijk niet mee afsluiten. Wij willen graag snel die nieuwe metrotreinen. Dat betekent dat wij de motie van de SP niet zullen steunen.
Bakker J.L.
Wat betreft de Oostlijn volg ik u helemaal, mevrouw Bergevoet. Maar hoe ziet u dan die regionale ontsluiting? Want u zegt dat u voor goed openbaar vervoer bent, maar ik zie dat zware materieel niet zo snel naar Westwijk rijden. Hoe ziet u dat dan? Dat is toch juist een beperking van de regionale functie van het openbaar vervoer? Licht materieel kan veel verder en veel fijnmaziger de regio in rijden.
Bergervoet M.
Volgens mij is wat dat betreft de regionalisering van de Noord/Zuidlijn niet aan de orde. De enige kandidaat die graag wil is Amstelveen. Die willen ook graag een echte, dikke metro en onder de grond.
Molenaar F.
In aanvulling op de vorige spreekster: GroenLinks zal de voordracht ook steunen. Het gaat hier om een grote investering, waar sinds gisteren het Van Pinxteren-criterium op van toepassing is. 575 miljoen euro in totaal, als je het over AMSYS hebt 1,3 miljard euro. Dat is geen kattenpis, voorzitter. Voor GroenLinks was dat in de commissievergadering al reden om te vragen naar de risico’s die er nog voor de gemeente zijn als het gaat om de uitvoering, zoals die in het afsprakendocument genoteerd staan. Ik heb hierop nadere antwoorden gekregen van de wethouder. Ik wil daaruit citeren: “In het eerste investeringspakket AMSYS voor 575 miljoen euro zit een reservering van 61 miljoen euro voor de uitvoeringsrisico’s. Op basis van de huidige inzichten is deze reservering ruim voldoende om de uitvoeringsrisico’s op te vangen.” De brief vervolgt met een onderbouwing van waar de risico’s dan in zitten. Dat alles tot mij genomen hebbend, kan ik met de kennis van nu instemmen met de raadsvoordracht.
Flos R.E.
Voorzitter, ik heb een dubbel déjà vu. Toen ik in 2002 gemeenteraadslid werd, hadden wij in oktober 2002 een enorme discussie, waar de heer Olij met name ook heel veel meningen over had, over het metromaterieel. We hebben toen een expertmeeting gehouden en we hebben toen vol overtuiging gekozen voor dikke metro’s. Toen werd ik herkozen in 2006 en toen werd opnieuw, nu met steun van de PvdA, de discussie gestart en werd er weer gesproken over de link tussen regionalisering en dikke metro’s. Wat heel duidelijk was, was dat de keuze voor de dikte van het materieel losstaat van wel of geen regionalisering. Als je een metro hebt rijden, wil je sowieso een metro die in elk geval grote capaciteit heeft en die ook vrij kan rijden, op een autonome baan. En daar zijn met name al die extra kosten mee gemoeid. Niet met een dikke of dunne metro, maar met het feit of deze op een vrije, autonome baan kan rijden, of niet. Wat we ook zien, en die discussie hebben we gisteren gevoerd over de vervoerscijfers, is dat juist de metro in Amsterdam zijn grote aantallen haalt. De Ringlijn is daar het meest duidelijke voorbeeld van. Ik zou dus juist denken dat ook een partij als de SP graag zou willen dat mensen de auto om een positieve reden laten staan, als ze naar Amstelveen moeten, dat immers geen treinstation heeft, omdat ze daar zo’n mooie dikke metro hebben rijden. Daarnaast zou het voorstel van de SP om nu weer opnieuw hierover te gaan praten, terwijl we allang het strategisch programma van eisen van AMSYS hebben vastgesteld, er ook toe leiden dat we een scopewijziging krijgen, zowel in het project Noord/Zuidlijn, namelijk ten aanzien van de stations, als in het project AMSYS. Ik denk, met de discussie die we gisteren hebben gevoerd over het rapport, dat het enige goede aan de Noord/Zuidlijn is, dat we niet allerlei scopewijzigingen gedurende de rit, of in elk geval na 2002, hebben gemaakt. Laten we niet alsjeblieft die hele discussie opnieuw voeren, met meer mogelijke scopewijzigingen. Wij zijn hartstikke blij dat het voorstel er ligt en we zien graag straks een metronet met allemaal mooie, dikke metro’s daarop rijden.
Bakker J.L.
Heeft u uit de discussie van gisteren niet geleerd dat het af en toe ook heel gezond is om uit je schuttersputje te kruipen en nog eens om je heen te kijken?
Flos R.E.
Voorzitter, wij kijken voortdurend om ons heen. Maar als er weer een hernieuwde, herkauwde discussie komt die met exact dezelfde argumenten en vaak ook exact dezelfde personen en organisaties, noem de ARS, wordt gevoerd, dan hebben wij geen behoefte om dat drie keer opnieuw te doen.
Gerson H.
Word wakker, zei de heer Bakker. Die kreet sprak mij enorm aan, al was het maar om het feit dat ik vanochtend heel goed wakker ben geworden. Maar daarna stelt u mij toch ernstig teleur, want het vervolg van uw betoog komt toch neer op het volgende. We denken in tunnelvisie, we komen niet uit ons schuttersputje. Vervolgens toont u het tegenovergestelde aan, want u verwijst naar uitvoerige discussies die er heel recent geweest zijn. Dus als er nu één element is waar dit niet voor geldt… Hier is uitvoerig over gesproken, er zijn slechts verschillende meningen over. Maar het is niet zo dat het college of andere sprekers het hoofd in het zand steken en niets willen weten, integendeel. Dus wat dat betreft ben ik het echt niet met u eens. Laat onverlet dat u een aantal punten noemt. Ik ben het met de andere spreker eens dat dit echt een uitgesproken kans is om het zo te doen en dat uw voorstel ons ver terugwerpt. Toch nog even over dat regionale. Dat is juist het nieuwe nadenken. Als we dat nu doen, dan zien wij in mijn beleving dat de argumenten voor het brede materiaal juist de laatste jaren sterker zijn geworden. Als je wakker wordt, kijk je om je heen en dan zie je dat voor het eerst sinds ik me kan heugen, Amstelveen er zeer krachtig op aandringt om dat brede metromateriaal Amstelveen door te leiden. U weet dit, dus studie is gestart met dit uitgangspunt. U hebt het steeds over Westwijk; daar zijn oplossingen voor. Waarschijnlijk gaat die lijn in het kader van echte regionalisering nog verder. Wil regionalisering succesvol zijn, dan dien je over één materieel te beschikken. We zien nu het probleem bij lijn 51; die kan zo meteen niet meer over de Noord/Zuidlijn en daarmee verliest deze een groot deel van zijn waarde. Dus het argument dat die brede wagens duur zouden zijn en tegen regionalisering zouden pleiten: het tegendeel is waar. Bovendien, zoals een andere oudgediende meende op te merken, namelijk dat ze duurder zijn, is -word wakker- geheel achterhaald. Want uit de inschrijvingen die geweest zijn is gebleken dat er zeer concurrerende inschrijvingen liggen en ik heb in de commissie al meegedeeld dat het deel van het goede gevoel bij mij over dit project verklaard wordt doordat we een zeer grote mate van zekerheid hebben dat dat wij dadelijk gaan kopen zeer dicht bij de directieraming komt, en dan aan de goede dichtbij-kant. Dus ik ben blij met de steun van de andere fractie. Ik heb nog een lichte hoop dat mijn oproep aan de heer Bakker om echt wakker te worden effect heeft en dat ook hij deze voordracht van ganser harte zal ondersteunen.
Tweede termijn
Bakker J.L.
De heer Bakker is enorm wakker. Maar dat betekent niet dat de wethouder hem nu heeft overtuigd. Gezien het gebrek aan interesse bij andere partijen voor het instellen van een commissie zal ik de motie in elk geval wel intrekken. Dat betekent niet dat wij nu overtuigd zijn van die keuze voor het brede materieel. Immers, de SP vindt ook nog steeds zijn eigen alternatief voor de Noord/Zuidlijn een buitengewoon aantrekkelijk alternatief, juist in verband met de risico’s van het boren. Maar daarover komen wij binnenkort nog te spreken. Dus in die zin zijn we niet overtuigd door de wethouder, maar ik trek wel de motie in.
Cohen M.J.
De motie-Bakker (Gemeenteblad afd. 1, nr. 45), ingetrokken zijnde, maakt geen onderwerp van behandeling meer uit.
De discussie wordt gesloten.
Aan de orde is de stemming over de voordracht.
De voordracht wordt met zitten en opstaan aangenomen; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nummer * van afd. 1 van het Gemeenteblad.
10. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2009 tot vaststellen van het uitvoeringsbesluit voor reconstructie van de Wibautstraat en tot beschikbaarstelling van een uitvoeringskrediet ter zake (Gemeenteblad afd. 1, nr.
Molenaar F.
Dit agendapunt was bijna gehamerd gisteren, maar toch enkele woorden. Het Masterplan werd in 2001 vastgesteld na een uitgebreid open planproces. Vervolgens is het zes jaar blijven liggen en door de huidige coalitie weer op de agenda gezet. Soms het is lastig uit te leggen aan de buurt dat er dan voldoende inspraak is geweest, al is dat al zoveel jaar geleden. Kritiek daarop van bewoners bleek ook in de commissie van vorige week. Toch lijkt het ons nu nodig dit mooie plan uit te voeren. Nog twee wensen wil ik aan de raad voorleggen middels moties. Een daarvan is al uitgebreid besproken in de commissievergadering en gaat over het knelpunt voor fietsers op het Rhijnspoorplein, waarover de wethouder ook een brief heeft gestuurd naar de raad, waarin hij zegt: "Mocht u als raad een motie aannemen, dan stel ik voor dat ik het op die manier uitvoer." Dat heb ik dus in een motie vervat. Een tweede is het voorstel dat gaat over de bomen die geplant gaan worden. We gaan een krediet vaststellen. Mocht nu een aanbestedingsvoordeel zich voordoen, wat zeer aannemelijk is, dan is ons voorstel, gelet op de omvang van de bomen die geplant zullen worden – slechts 30 centimeter in omtrek en maximaal 5 meter hoog om te kijken of het mogelijk is om binnen het krediet nog grotere bomen te planten. Als je een straat gaat herprofileren dan koop je de bomen meestal pas op het einde van het proces. Dat kun je dan ook goed afwegen. De motie gaat exact daarover en die wil ik hierbij graag indienen.
75° Motie van 20 januari 2010 van het raadslid Molenaar inzake de vaststelling van het uitvoeringsbesluit inzake de reconstructie van de Wibautstraat – apart groenlicht voor doorgaand fietsverkeer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 46)
Cohen M.J.
De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
75° Motie van 20 januari 2010 van het raadslid Molenaar inzake de vaststelling van het uitvoeringsbesluit inzake de reconstructie van de Wibautstraat - apart groenlicht voor doorgaand fietsverkeer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 46).
76° Motie van 20 januari 2010 van het raadslid Molenaar inzake de vaststelling van het uitvoeringsbesluit inzake de reconstructie van de Wibautstraat – grotere bomen uit mogelijk aanbestedingsvoordeel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 47)
Cohen M.J.
76° Motie van 20 januari 2010 van het raadslid Molenaar inzake de vaststelling van het uitvoeringsbesluit inzake de reconstructie van de Wibautstraat - grotere bomen uit mogelijk aanbestedingsvoordeel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 47).
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flos.
Flos R.E.
Wij hebben in de commissievergadering voorgesteld om dit punt terug te nemen. Maar met uitzondering van D66 heeft geen enkele ander partij dat voorstel gesteund. Waarom wilden wij als VVD dit voorstel terugnemen, wat ons betreft naar de tekentafel? Het Masterplan is zelfs nog voordat ik raadslid werd, dus dan praten we over voor maart 2002, vastgesteld. Dat is dus ruim acht jaar geleden. Ondertussen zitten we met een totaal veranderde bevolkingssamenstelling aldaar, met totaal andere wensen van de mensen die daar wonen, en ook met andere problematieken. Zo is er bijvoorbeeld een enorme verkeerproblematiek ontstaan. Ook is het hele luchtkwaliteitsbeleid van na 2002. Vervolgens ligt er nu een voorstel voor dat voorstelt om een 8 meter brede middenberm aan te leggen op de Wibautstraat, met heel veel bomen. Dat aspect, die vele bomen, vinden wij zeker wel aantrekkelijk. Maar het voorstel stuit op grote weerstand van de mensen die daar nu wonen.
Molenaar F.
U zegt, meneer Flos, dat het allemaal zo lang geduurd heeft. Was het niet uw eigen VVD-wethouder die besloot om er niet verder mee te gaan, toen u in 2002 in het college kwam? En is het niet de huidige coalitie die in 2006 besloten heeft het weer op te pakken en het op de agenda te zetten, zodat het alsnog kan worden uitgevoerd? Met andere woorden: is het niet een beetje raar om, als u zelf als VVD ervoor was en geprobeerd heeft altijd maar uit te stellen, nu op het laatste moment nog eens hetzelfde te willen, maar nu met een ander argument?
Flos R.E.
De vorige raad was niet bereid om het daarvoor beschikbare geld vrij te maken, meneer Molenaar. En inderdaad, dat was de wethouder Verkeer. Maar ik constateer dat dat verder niets afdoet aan het feit dat het ruim acht jaar geleden is en dat het ondertussen een heel andere buurt is. Dat verandert niets aan dat feit. Wij zouden er dus voor zijn om dat voorstel terug te nemen en om nadrukkelijk naar een ander profiel te gaan zoeken. De zoekrichting die we daarbij zouden willen geven is: een veel minder brede middenberm en een veel bredere stoep, bijvoorbeeld, met ook veel meer bomen. Daarnaast zou wat ons betreft ook de parkeerproblematiek veel nadrukkelijker aandacht moeten krijgen. Maar we zouden dus een plan willen met evenveel groen, maar met een ander profiel. Daarom zullen wij het voorstel dat er nu ligt niet steunen. Daarnaast heb ik zo’n donkerbruin vermoeden dat de meerderheid van de raad het helaas wel gaat steunen. Overigens is een ander punt dat ik nog niet genoemd had zojuist, dat in het kader van de heroverwegingen je moet gaan prioriteren in de projecten die je uit wilt voeren. En dit zou nu een project zijn dat wat ons betreft naar achteren geschoven kan worden, waardoor we vele miljoenen vrijmaken, terwijl we vele miljoen de komende jaren nodig hebben ten behoeve van de ombuigingsoperatie. Dus dat is wat ons betreft mooi meegenomen. Wat betreft de moties die er voorliggen, daar moeten we even naar kijken. Ik schat in dat we één motie sowieso niet gaan steunen. Wat betreft het fietsverkeer, is de Wibautas wat ons betreft Hoofdnet Auto, wat zeg ik, is Superhoofdnet Auto, het is namelijk een corridor. Daarvan hebben we er maar een beperkt aantal in Amsterdam. De toevoer daar naartoe moet goed geregeld zijn. Dus om de Nassaukade nu niet meer aan te takken op die corridor lijkt ons een slecht idee. Dus ook die tweede optie, bijvoorbeeld, die de wethouder noemt, spreekt ons niet aan. Ik zou nog een keer aan de rest van de raad willen vragen: niet doen.
Bakker J.L.
Ik begrijp de heer Flos aan de ene kant niet en aan de andere kant wel, want de VVD heeft dit plan nooit zien zitten. Maar aan de andere kant heeft de heer Flos zich al acht jaar ingezet voor verbetering van de openbare ruimte. Nu ligt hier een plan waarmee de openbare ruimte een enorme verbetering door kan maken en nu bepleit u afstel, waardoor het nog jaren en jaren zal duren voordat die verbetering van de openbare ruimte eindelijk uitgevoerd kan worden. Dus in die zin begrijp ik uw betoog dan weer niet. Maar het strookt dan wel weer heel goed met uw wens dat die autootjes daar gewoon flink moeten kunnen door blijven tuffen. Dus misschien is het niet zo vreemd als ik denk dat het is.
Flos R.E.
Mag ik de heer Bakker vragen of hij ook niet bij de commissievergadering was, waarin allerlei insprekers ook aangeven dat die verbetering van de openbare ruimte wat hen betreft veel beter dicht tegen de huizen aan kan worden geplaatst en niet door een 8 meter brede middenberm? Ik pleit per saldo dus ook niet voor minder openbare ruimte, maar op een andere plek, namelijk dichter bij de huizen, wat ook nog eens goed is voor de luchtkwaliteit.
Bakker J.L.
Maar u weet dat het daardoor nog jaren en jaren gaat duren voordat het tot uitvoering komt. Ik vind het plan dat er nu ligt zeker niet slecht, het is eigenlijk best wel een mooi plan. Dus daar verschillen wij dan van mening over.)
In dezen volgen wij de wethouder dus wel. Het probleem was inderdaad dat er een open planproces is geweest en het heel lang heeft geduurd, schandalig lang, voordat het tot uitvoering is gekomen. De nieuwe bewoners willen nu ook inspraak, maar ik denk dat het verstandig is om ook nu recht te doen aan degenen die toen actief hebben deelgenomen aan dat proces en om er ook voor te kiezen om dat plan eindelijk tot uitvoer te laten komen. Dus dat is het argument dat bij ons het zwaarst heeft gewogen. Wat de moties betreft: wij zullen de stoplichtmotie in elk geval steunen en de andere moet ik nog even lezen. Maar ik ben blij dat daar eindelijk eens iets gaat gebeuren.
Bergervoet M.
Het is al gezegd, dit is een lang open planproces. Een open planproces wekt altijd verwachtingen bij de mensen die daaraan mee hebben gedaan. Het is een aantal jaren blijven liggen. De PvdA vindt dat er nu een mooi plan voorligt en dat willen we ook graag vaststellen. Het enige punt wat nog speelde, wat ons betreft, in de commissiebehandeling was inderdaad het knelpunt voor fietsers. Daarvoor ligt nu een voorstel met een tweede variant om te onderzoeken. Dat zou wat ons betreft een prachtige oplossing zijn, maar wij willen nog wel graag weten hoe de collega’s in het stadsdeel en bijvoorbeeld de Verkeersadviescommissie hier over denkt, dat vinden we wel belangrijk. Maar we hopen dat dat uitgewerkt kan worden. We kunnen wat dat betreft ook instemmen met de motie die de collega van GroenLinks heeft geformuleerd. We hebben wat meer moeite met de bomenmotie. Een heel sympathieke motie, maar in tijden van economische crisis kunnen de bomen helaas niet meer tot de hemel groeien en lijkt het ons niet op voorhand verstandig om als er nog geld overblijft, dit te besteden aan grotere bomen. Hoe mooi dat misschien ook is, dan hebben wij wellicht toch andere prioriteiten, vanwege het zware economische weer.
Wat de VVD betreft: u hebt dit altijd een draak van een plan gevonden, volgens mij. U ziet het helemaal niet zitten. Een middenberm van 8 km zou wel een heel hoog Ceausescu-gehalte krijgen, u vindt blijkbaar 8 m al te veel. Wij denken dat het mooi wordt en voelen dus ook niets voor een ander profiel. We hebben er ook geen behoefte aan om de inspraak nu opnieuw te doen. Er is een heel lang open planproces aan voorafgegaan en wij denken dat recht moet worden gedaan aan de uitkomt daarvan.
Molenaar F.
Mevrouw Bergevoet geeft aan dat de bomen niet tot de hemel groeien, maar ik wil haar er graag op wijzen dat de raad met de kredietaanvraag die nu voorligt een bepaald bedrag vrijspeelt. Als er een aanbestedingsvoordeel mocht ontstaan, betekent dat niet dat het krediet verhoogd wordt, maar dat je binnen het krediet meer kan doen. Ik snap dus eigenlijk niet waarom u nu wel het krediet goedkeurt, maar wanneer er straks binnen hetzelfde krediet iets mooiers voor terug kan komen, u zegt: dan zouden we dat eigenlijk niet willen. Kunt u dat toch nog even toelichten?
Bergervoet M.
Zoals ik al zei: we leven in economisch zwaar weer. Als er geld overblijft, waar dan ook, dan voelen wij er niet a priori voor om dat uit te geven aan grotere bomen. En misschien moeten we dat maar besparen en kijken of we dat ergens anders voor kunnen gebruiken.
Manuel I.R.
Het plan voor de Wibautstraat is inderdaad tot stand gekomen via een open planproces, waar volgens mij GroenLinks nog een compliment voor verdient, in de persoon van wethouder Köhler, als ik me niet vergis, die is daar actief mee geweest. Maar de essentie van een open planproces is natuurlijk dat je de bewoners betrekt bij de ontwikkeling van het plan. Dit is een open planproces dat al acht jaar in de la ligt. Inmiddels is er in die buurt veel veranderd, er zijn ook veel andere mensen komen wonen. Er is een hele ontwikkeling op gang gekomen in de buurten langs de Wibautstraat. Dat zou het rechtvaardigen, in ieder geval naar de mening van D66, om die nieuwe omstandigheden, die nieuwe bewoners nog een keer de kans te geven om hun oordeel uit te spreken over dat plan voor de Wibautstraat. Als je luistert naar de bewoners die momenteel in die buurt wonen, dan komen er eigenlijk twee punten prominent naar voren. Enerzijds is dat het punt dat de heer Flos al naar voren heeft gebracht, namelijk dat de stoepen misschien wat smal zijn. Het kan toch niet anders dan dat ook de PvdA en GroenLinks de breedte van die stoepen belangrijk vinden, omdat je die stoepen kunt gebruiken als je langs de Wibautstraat loopt. Dus ik begrijp eerlijk niet waarom daar niet even, in samenspraak met de bewoners, naar gekeken kan worden. Een ander duidelijk punt is de ingang van de parkeergarages. Binnen het plan worden de ingangen van de parkeergarages in de buurt gesitueerd, waardoor er veel verkeer de buurt ingetrokken wordt. De vraag vanuit de bewoners is om die ingangen toch te situeren aan de Wibautstraat zelf. Ook daarvan begrijp ik niet waarom GroenLinks er niet even naar zou willen kijken. Dat lijkt met toch qua leefklimaat in de buurt een duidelijk voordeel te kunnen bieden. Dus op dit moment vinden wij het plan te verouderd. Een actualisatie, een update, zou goed zijn, naar de mening van D66. Ik begrijp van het college dat u dat in ieder geval niet wilt doen. Dus wij zijn niet voor dit plan op deze manier. Daar komt bij, en dit is een vraag voor de wethouder, het volgende punt. Ik was onlangs op een lijsttrekkersdebat, in Groot-Oost. Daar zat namens de PvdA mevrouw Elatik en haar werd gevraagd hoe zij financiële tegenvallers in de komende vier jaren zou kunnen opvangen of zou willen gaan opvangen. Zij noemde meteen, als eerste, de aanpak van de Wibautstraat. Zij zou de uitvoering daarvan op de lange baan willen schuiven, om daarmee een bezuiniging te kunnen realiseren voor het stadsdeel. Daar werd apart op gereageerd, de vraag werd nog eens herhaald en zij heeft dat nog eens bevestigd. Dus in feite is mijn vraag aan de wethouder: waar praten we hier over, als het stadsdeel Groot-Oost dit straks als eerste bezuiniging gaat opvoeren?
Gerson H.
Voorzitter, ik zal proberen kort te zijn. In de commissie is hier ook al veel over gewisseld. De argumenten die hier genoemd zijn komen me bekend voor. Een paar dingen. Er is terecht op gewezen dat dit een heel belangrijk plan is, dat in wat dan heet een open planproces tot stand is gekomen, met grote inzet van buurtbewoners, waar -ik was er zelf niet bij, maar ik neem aan- een overgrote meerderheid voor dit plan was. Maar ook toen, laten we elkaar niet voor de gek houden, zullen er denk ik best 10 of 20% van de bewoners geweest zijn die tegen het plan waren. Zo gaat dat meestal. Door samenloop van omstandigheden, die door iedereen betreurd worden - behalve geloof ik door de heer Flos, maar geef me even de ruimte om toch iedereen te noemen - is dat blijven liggen. Het is door dit college weer opgepikt, in nauwe samenhang, en dit in de richting van de heer Manuel, met het stadsdeel. De feitelijke vertegenwoordiger van het stadsdeel was ook in onze commissievergadering aanwezig en heeft naar mijn gevoel met kracht van argumenten gezegd: dames, heren, neem nu dat besluit. Dus dat ligt nu voor. Van het feit dat nu bij een bijeenkomst van de raadscommissie een aantal mensen uit de buurt komen en zeggen: wij hebben toch bezwaren, denk ik dat die andere 80% nog steeds tevreden is en niet is komen opdagen. Dus het feit dat er een aantal mensen zeggen: kan dit of dat niet anders, doet niets af aan de kracht van het plan. Wat betreft mevrouw Elatik: ik moet u geloven, ik was er niet bij. Maar volgens mij is het standaardantwoord dat wij een partij hebben waar discussie op prijs gesteld wordt en daar is op zich niets mis mee. Maar dat is niet waar we nu mee bezig zijn.
Gerson H.
Ten slotte dan de moties. Er is in de commissie gesproken over dat ‘rechtsaf’. Laten we het helder stellen: ook met mijn brief, waarin ik een toelichting geef over de mogelijkheden, blijft het college nog even recht in de leer, dus wij houden vast aan onze voordracht. Het enige punt is dat u nu een serieus alternatief heeft. Dus als die motie wordt aangenomen, dan ga ik variant 2 onderzoeken. Ik maakte een heel licht voorbehoud, dat is ook door mevrouw Bergevoet genoemd. Deze variant is vrij vers, dus nog niet in alle organen voor 100% doorgesproken. Maar neemt u van mij aan: als die motie wordt aangenomen, ga ik die met kracht uitvoeren. En alleen als er dan nieuws komt dat helemaal afwijkt, kom ik bij u terug. Dus ik wacht daar het oordeel van de raad af. Wat betreft de motie van de bomen heb ik twee opmerkingen. Ik mag het geloof ik niet meer zeggen, maar dan zal ik dat zachtjes doen. Het is een ambtelijke opmerking, namelijk dat die bomen al besteld zijn en dus ondanks uw wens niet hoger dan vijf meter worden. Maar daar zou nog overheen te komen zijn, dan moeten we ze misschien ergens anders bestellen, maar laten we dat praktische punt niet onderschatten. Maar vanwege waar wij nu staan, moet ik deze motie toch echt ontraden of misschien kan ik u nog overhalen de motie nog in te trekken. Wij weten met zijn allen hier in de raad welke opgave er is. Ik denk dat het niet meer kan, bij dit project of bij een ander project, dat je, als je een meevaller hebt, zegt: nou, ik weet nog wel iets leuks wat erbij hoort, laat mij dat geld maar besteden zoals ik wil. Ik denk dat de discipline die het college zichzelf heeft opgelegd, ook voor de raad zou moeten gelden. De procedure moet zijn: probeer het zo goedkoop mogelijk te doen, blijf in elk geval binnen je krediet, maar als je iets overhoudt, prima, meld het aan. Het staat u natuurlijk altijd vrij, in een volgende fase, mocht dat mogelijk zijn, met een voorstel te komen om wat meer aan dat plan te besteden. Maar ik zou toch dringend willen aanraden om de motie in te trekken. Ik weet niet of dat mag, voorzitter, maar het is denk ik toch een beetje een verkeerd signaal in deze tijden.
Tweede termijn
Molenaar F.
Dank u wethouder, voor een herhaling van wat er in uw brief staat over de stoplichtvariant. Nee, het is goed dat dat ook nog eens wordt uitgesproken in de raad, daar lach ik verder niet over, dat vind ik serieus. Aan uw verzoek om de motie dan maar in te trekken, komt GroenLinks niet tegemoet. Wij denken dat als het krediet is vastgesteld, het goed is om, als een aanbestedingsvoordeel zich voordoet, daar gewoon een mooier plan mee te realiseren. Bomen zijn denk ik een issue waar geen partij in deze raad niet van denkt dat hoe groter je ze kunt aanplanten, hoe beter het is. Wij denken dat het beter is voor het plan als daar wat forsere bomen komen, dus wij zullen dat graag aan het oordeel van de raad overlaten en in stemming brengen.
Manuel I.R.
Voorzitter, ik moet helaas concluderen dat de wethouder, ondanks dat dit een open planproces is, waarbij je de bewoners te allen tijde zou moeten en willen betrekken, niet bereid is om nog iets te wijzigen in het plan, qua stoepen of qua ingangen van parkeergarages, bijvoorbeeld. Dat vinden wij jammer en dat is voor ons een reden om zo meteen tegen dit plan te stemmen, hoewel grote delen van het plan wel erg goed zijn. Maar deze inflexibiliteit van de wethouder krijgt geen steun van D66. Die steun krijgt GroenLinks wel, voor de beide moties.
Gerson H.
Ik ben nog een belangrijk punt vergeten, dat ik zou opperen. Ik denk dat het heel mooi zou zijn als deze raad in zo groot mogelijke meerderheid dit plan zou steunen, gezien alles dat gebeurd is. U zei terloops: “Laten we daar nog even naar kijken.” Maar laten we nu eerlijk met elkaar zijn; de punten die u noemt betekenen een aanzienlijk uitstel. Dan praten we niet over drie maanden, maar over een heel grote kans op drie jaar. Dus zou u dat nog even willen meenemen bij de afweging. “Even iets bekijken…” Veronderstel nou dat deze wethouder daarin gelijk heeft, dat het proces dat u beschrijft, van mensen erbij halen en eventjes dit soort punten laten bekijken, tot een uitstel zou leiden van drie jaar. Stemt u dan nog tegen het plan?
Manuel I.R.
Voorzitter, democratie kost tijd. Open planprocessen kosten nog veel meer tijd. Maar ik vind wel dat, omdat dit plan zo lang in de la heeft gelegen, de huidige bewoners nog inspraak moeten kunnen hebben. En de punten die zij naar voren brengen vind ik heel reëel.
Drooge A.H. van
Vraag aan de wethouder: als de motie van GroenLinks wordt aangenomen, van de grotere bomen, betekent dat ook uitstel?
Gerson H.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Gerson.
Nee, dat betekent geen uitstel. Ik heb u niet helemaal juist geïnformeerd, ik krijg zojuist een briefje waarop staat dat de bomen nog besteld moeten worden. Dat moet nog voor de aanbesteding. Daar is dus nog ruimte in, maar dat heeft dus verder geen invloed op het verloop van het proces.
Cohen M.J.
Aan de orde is de stemming over de voordracht.
De VOORZITTER geeft mevrouw Bergervoet het woord voor een stemverklaring.
Bergervoet M.
(stemverklaring) Ik wil graag een stemverklaring afleggen. Mevrouw Gazic en mevrouw Willemse zijn tegen deze voordracht, omdat zij zich niet kunnen vinden in de uitwerking van de motie-Gazic.
Cohen M.J.
De voordracht wordt met zitten en opstaan aangenomen; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nummer * van afd. 1 van het Gemeenteblad.
De VOORZITTER constateert dat de VVD, CDA, D66 en mevrouw Gazic zich tegen de voordracht hebben verklaard.
Aan de orde is de stemming van de motie-Molenaar (Gemeenteblad afd. 1, nr. 46).
Flos R.E.
(stemverklaring) Wij zullen deze motie niet steunen want wij denken dat het tot weliswaar beperkt, maar extra autoverkeer gaat leiden door de woonwijken en dat dat niet nodig is en dat het probleem voor de fietsers niet dusdanig groot is, dat dat nodig is.
Cohen M.J.
De VOORZITTER verzoekt de voorstanders van de motie te gaan staan.
De motie-Molenaar (Gemeenteblad afd. 1, nr. 46) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Molenaar (Gemeenteblad afd. 1, nr. 46) is aangenomen met de stemmen van de VVD daar tegen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Molenaar (Gemeenteblad afd. 1, nr. 47).
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flos voor een stemverklaring.
Flos R.E.
(stemverklaring) Wij waren tegen het besluit om de Wibautas te doen, maar als je het doet, dan moet je het goed doen. Grotere bomen zijn beter voor de luchtkwaliteit en beter voor de beleving van de openbare ruimte dan kleine bomen. Zoals u weet zijn wij een zeer groenvriendelijke partij en wij zullen deze motie dus steunen.
11. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2009 tot vaststellen van het advies aan de stadsregio Amsterdam inzake het beëindigen van de acceptatie van het Nationaal Vervoerbewijs (strippenkaart) in bus en tram
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 7)
Bakker J.L.
Voorzitter, mijn bijdrage is eigenlijk al weer een beetje ingehaald door de actualiteit, of beter gezegd: hij wordt ondersteund door de actualiteit, want vandaag heeft er in de Tweede Kamer een debat plaatsgevonden over de ov-chipkaart, waarbij er vrij veel rumoer is ontstaan bij vrijwel alle partijen over deze kaart. En dan gaat het niet alleen over de prijsverhoging die de chipkaart tot gevolg heeft, maar ook om allerlei andere problemen die de kaart nog heeft. Ik begrijp dat consumenten- en belangenorganisaties, zoals die er zijn voor de blinden en slechtzienden, de chronisch zieken, de gehandicapten en de ANWB hun verzet tegen deze kaart opvoeren. Sterker nog, geen enkele partij in de Tweede Kamer vindt dat de ov-chipkaart op 11 februari aanstaande in Rotterdam ingevoerd mag worden. Het CDA heeft zelfs openlijk gezegd dat als de staatssecretaris niet binnen twee weken in een brief de zorgen wegneemt, het CDA tegen invoering in Rotterdam zal zijn. De staatssecretaris heeft volgens mij twee dagen geleden al gezegd dat ze met een onderzoek naar de kostenverhoging van de chipkaart komt. De wethouder dacht net op de wandelgangen dat dat het gevolg was van het onderzoek dat de SP heeft gedaan, dat inderdaad aantoont dat er een prijsverhoging is. Maar de onrust is veel breder dan dat. Maar alleen dat onderzoek zou dat al rechtvaardigen. In verband daarmee lijkt het ons naar aanleiding van de in principe vrij verstandige brief van de wethouder, al kon het wat ons betreft nog iets verstandiger, inderdaad verstandig geen positief advies te geven over beëindiging van de strippenkaart in bus en tram, maar eerst maar eens af te wachten wat er in Den Haag allemaal uitgebroed wordt. Ik begrijp dat dat, omdat er om een brief van de staatssecretaris is gevraagd, binnen twee weken helder wordt. Dus ik dien een motie in om af te wachten wat er uit dat onderzoek komt, voor wij een positief advies afgeven. Bovendien vraag ik de wethouder om nog even te reageren op het viertal bezwaren die de Reizigersadviesraad heeft.
77° Motie van 21 januari 2010 van het raadslid Bakker inzake het advies aan de stadsregio Amsterdam inzake de beëindiging van de acceptatie van het Nationaal Vervoerbewijs (strippenkaart) in bus en tram (Gemeenteblad afd. 1, nr. 48)
Cohen M.J.
De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
77° Motie van 21 januari 2010 van het raadslid Bakker inzake het advies aan de stadsregio Amsterdam inzake de beëindiging van de acceptatie van het Nationaal Vervoerbewijs (strippenkaart) in bus en tram (Gemeenteblad afd. 1, nr. 48)
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Bergervoet.
Bergervoet M.
Strippen of chippen, wat gaan we doen? Ik blijf het heel lastig vinden dat wij als gemeenteraad gereduceerd zijn tot een adviescommissie, het blijft toch schuren, op dit toch wel heel belangrijke onderwerp voor de Amsterdammers. De heer Bakker zei het al, de Tweede Kamer debatteert er vandaag ook over. En wij spreken hier vandaag over een advies om de strippenkaart af te schaffen in bus en tram. Er ligt wat de PvdA betreft een goede conceptbrief voor. Er ligt ook een positief advies van de Reizigersadviesraad. We vinden het sowieso goed dat de wethouder en het college niet mee zijn gegaan met de datum van 11 februari, dat is echt veel te snel. We gaan nu voor april. Dat geeft ons voldoende tijd om hier goed over te communiceren met de reizigers en de Amsterdammers. We vinden het ook goed dat nog eens wordt benadrukt dat restitutie, dus teruggave van geld, mogelijk moet blijven aan het loket. Ik heb er ook in de commissievergadering op aangedrongen dat restitutie laagdrempelig moet zijn en dat daar ook ruimhartig mee moet worden omgegaan. De wethouder noemt dat het coulancebeleid; het moet de mensen niet extra lastig worden gemaakt om dat geld terug te vragen. Goed vinden we ook dat nog eens in de brief wordt gezegd dat Arriva nu onderhand echt eens met een voorstel moet komen voor hoe dit bedrijf haar abonnementen over gaat zetten op de ov-chipkaart. Het leek dat zij daar vorig jaar voor de zomer al een idee voor hadden, maar dat schiet maar niet op en het voordeel van de chipkaart zou natuurlijk zijn dat we straks één vervoersbewijs hebben en dat iedereen alle modaliteiten kan gebruiken.
Wat de SP-motie betreft: die zullen wij niet steunen, maar we vragen de wethouder natuurlijk wel goed in de gaten te houden wat daar in Den Haag gebeurt en om daar zo nodig op te acteren.
Flos R.E.
De VVD zal met veel enthousiasme dit voorstel steunen. We zijn blij dat de chipkaart nu in metro, tram, bus en straks ook bij de NS, kan worden gebruikt. We denken dat dat een enorme bijdrage gaat leveren aan het reizigersgemak en met name ook aan de sociale veiligheid van het openbaar vervoer, omdat het zwartrijden flink zal afnemen en daarmee ook het aantal daaraan gerelateerde incidenten. Wij zijn dus voor deze voordracht.
Molenaar F.
De wethouder geeft ook in zijn reactie samen met de stadsregio en de minister aan dat de ministeriële criteria moeten worden gevolgd. Uiteraard zijn wij daar ook voor. Mijn vraag aan de wethouder is: wat is op dit moment de stand van zaken met het voldoen aan de door de minister gestelde criteria? Vandaag heeft GroenLinks ook een tienpuntenplan gepresenteerd, want er is nogal wat commotie in Den Haag op dit moment, waarin onder andere het punt over het tarief ter discussie staat. Wij denken dat we in Amsterdam heel weinig kunnen doen aan de discussie over het tarief, maar dat dat vooral een discussie is die met de minister moet worden beslecht. Uiteraard wil ik wel graag de toezegging van de wethouder dat als de minister toestemming geeft en er aan de criteria wordt voldaan, er nog ruim voldoende tijd is voor de communicatie naar de Amsterdammer. Daar wil ik graag een toezegging op van de wethouder.
Gerson H.
Mevrouw Bergevoet wees er al op, zij heeft er iets andere gevoelens over dan ik, maar op zich is het een feit dat dit een vrij ingewikkelde procedure is, waar wij adviesgroep zijn van de stadsregio. De stadsregio moet dan weer een verzoek bij de minister indienen en de minister moet dan een besluit nemen en dan moet er nog voldoende tijd zijn zodat het bedrijf het ook kan invoeren. Ik ben met een aantal sprekers blij dat wij niet zijn ingegaan op het oorspronkelijke verzoek om in supersneltreinvaart in een verblinde tunnelvisie, om met de heer Bakker te spreken, u te verplichten om uw advies binnen twee weken te doen. We hebben er nu meer tijd voor en we hebben het goed kunnen bestuderen. Ik ga even in op een aantal specifieke punten. De RAR zegt in zijn brief dat zij kan instemmen met het indienen van het verzoek bij de staatssecretaris en in dat traject zitten wij dus ook. Maar de RAR wil wel dat voor de datum van invoering antwoord is gekomen op de hierbij gestelde opmerking. Dus een aantal van die opmerkingen moeten nog beantwoord worden in het proces dat we ingaan. Het komt nog terug natuurlijk, zowel in het DB van de stadsregio, waar wij ruim vertegenwoordigd zijn, als nog een keer in de Regioraad. Dus mijn voorstel zou zijn dat ik uw zorgen meeneem en in die gremia goed oplet dat inderdaad uiteindelijk aan alle voorwaarden voldaan is.
Ik moet dan ook de motie van de heer Bakker ten sterkste ontraden. Als wij in het voortraject met vertraging beginnen, dan zeg je eigenlijk nu al dat invoering per 2 april niet gewenst is. Ik denk niet dat we op dit moment die uitspraak moeten doen. Tenslotte, meneer Molenaar, denk ik dat we van de vorige keer met elkaar geleerd hebben dat communicatie uiterst belangrijk is. Het voordeel is dat nu een groot deel van de Amsterdammers en mensen in de regio langzamerhand weten wat een chipkaart is. Maar er is nog een aanzienlijk deel dat deze kaart niet gebruikt en dat straks die overstap nog moet maken. Dus we hebben daar in het DB al over uitgesproken dat we dat niet moeten onderschatten en daar zal inderdaad nog uitvoerige communicatie over plaatsvinden. Dus met die toezegging kan ik mijn betoog beëindigen, voorzitter.
Bakker J.L.
De bril van de heer Flos is wel erg roze, want juist het praktische gemak dat de chipkaart zou kunnen bieden, blijkt nu juist in de dagelijkse praktijk behoorlijk tegen te vallen. Vandaar ook die commotie in het debat in de Tweede Kamer. Dat komt niet zomaar uit de blauwe hemel naar beneden dalen, meneer Flos, al zijn er inderdaad in de Tweede Kamer wel eens debatten die wel zomaar uit de blauwe hemel neerdalen, zonder dat je begrijpt wat er nu echt aan de hand is. Maar hier is wel degelijk iets aan de hand, volgens ons. Dat is één. Ik begrijp de voorwaarden van de Reizigersadviesraad. Maar ik blijft toch bij mijn motie, want ik vind het toch heel raar dat als er enorm veel discussie is, wij eigenlijk toch zeggen: in principe mag je dat ding gewoon 1 april invoeren. Dus wat mij betreft handhaven we gewoon die motie. Mocht dat tot vertraging leiden, dan vinden wij dat geen probleem. Vooralsnog kun je prima met de strippenkaart uit de voeten. Dus wat ons betreft is het ook nog strippen, mevrouw Bergevoet.
Drooge A.H. van
Voorzitter, de wethouder zegt dat er besluitvorming zal plaatsvinden in de Regioraad. Wanneer is dat dan? Want op de agenda van de Regioraad staat dat niet. Volgens mij is dat de bevoegdheid van het DB.
Gerson H.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Gerson.
Ik denk dat de heer Van Drooge mij hier correct corrigeert. Het idee was om dat wel ter kennisgeving aan de raad te brengen en net als de vorige keer kan dat tot discussie leiden. Neemt u mij niet kwalijk.
Cohen M.J.
De discussie wordt gesloten.
Dan gaan we stemmen over de motie.
Aan de orde is stemming over motie-Bakker (Gemeenteblad af. 1, nr. 48).
De motie-Bakker (Gemeenteblad afd. 1, nr. 48) wordt bij zitten en opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Bakker (Gemeenteblad afd. 1, nr. 48) is verworpen met de stemmen van SP voor.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nummer 7 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
21. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 24 november 2009 tot bestemmen en inzetten van middelen voor het opvangen van effecten van de AWBZ-pakketmaatregel (Gemeenteblad afd. 1, nr. 17)
Burke P.
Dank u, voorzitter. Het enige zorgpuntje op de agenda vandaag is voor de PvdA een echt punt van zorg. De AWBZ moest teruggebracht worden naar waar het oorspronkelijk voor bedoeld was; namelijk langdurige, onverzekerbare zorg. Daar kunnen wij ons in vinden. Het Rijk heeft een bezuiniging op de AWBZ toegepast en dat gaat landelijk om een ombuiging van 800 miljoen euro. Tot 1 januari 2009 viel de begeleiding van mensen die zichzelf niet alleen konden redden en/of niet participeerden in de samenleving onder de AWBZ. Nu valt begeleiding alleen nog maar onder de AWBZ als het zelfredzaamheid tot doel heeft. Begeleiding met als doel participatie valt onder de Wmo en dat moet bij voorkeur collectief en buurtgericht geregeld worden. In verband met de invoering van deze maatregel worden personen die daarvan gebruikmaakten geherindiceerd door het CIZ. Personen die hun indicatie in 2009 kwijtraakten hadden een gewenningsperiode van drie tot zes maanden. Voor de mensen die nu geherindiceerd worden stopt de hulp abrupt. In Amsterdam zijn er 11.000 personen met een indicatie voor begeleiding. Voor 4000 daarvan verloopt hun indicatie automatisch of verandert deze in intramuraal en tot en met november 2009 zijn 4000 cliënten geherindiceerd, waarvan 1100 hun indicatie kwijtraakten en 800 minder begeleiding kregen. Er moeten nog 3000 herindicaties plaatsvinden en de verwachting is dat nog eens 700 mensen hun indicatie kwijtraken. Het ergst getroffen zijn de meest kwetsbaren. Ouderen met regieproblemen, zeer oude mensen, allochtonen en cliënten met niet-aangeboren hersenletsel. Sommigen zullen via hun sociale netwerk in hun behoefte kunnen worden voorzien, anderen zullen een beroep doen op het gemeentelijk aanbod binnen de Wmo. Daarnaast zijn er ook mensen die er in het aantal uren begeleiding, met als doel zelfredzaamheid, op achteruit gaan. Mantelzorgers kampen met het gevaar voor overbelasting, dagverzorgingscentra moeten sluiten, want de AWBZ zegt steeds vaker nee. Van het CIZ hebben we pas in december 2009 gegevens ontvangen van cliënten die in 2009 geherindiceerd zijn. De impact van de maatregel wordt daardoor voor Amsterdam pas medio 2010 duidelijk. Dan pas weten we hoeveel stadsdelen en de stad zelf uit moeten geven om hiervoor te compenseren. En daarom stelt de wethouder voor om de middelen voor de stadsdelen voorlopig centraal te houden, totdat we weten wat de stadsdelen daadwerkelijk hebben uitgegeven c.q. nodig hebben. Voorgesteld wordt om samen met de stadsdelen een bestedingsplan te maken. Daar kunnen we ons ook in vinden. Voor 2009 hadden wij 1,27 aan stedelijke middelen om deze bezuiniging op te vangen. Die middelen zijn niet gebruikt en zullen bij de jaarrekening vrijvallen. Dat is voor ons dus onacceptabel en vandaar dat ik een amendement heb voorbereid, samen met mevrouw Ulichki van GroenLinks, om het college op te roepen zo snel mogelijk met een plan van aanpak te komen om de effecten van de AWBZ-maatregel voor Amsterdammers op te vangen en het stedelijke deel, die 1,27 miljoen euro, niet te laten vrijvallen bij de rekening, maar te reserveren voor het opsporen van cliënten en het aanbieden van alternatief gelijkwaardige zorgarrangementen.
78° Amendement van de raadsleden Burke en Ulichki inzake voordracht 17 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 49).
79° Motie van de raadsleden Burke en Ulichki inzake voordracht 17 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 50).
Cohen M.J.
De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
78° Amendement van de raadsleden Burke en Ulichki inzake voordracht 17 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 49).
79° Motie van de raadsleden Burke en Ulichki inzake voordracht 17 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 50).
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer De Wit.
Wit J. de
Snel een plan van aanpak opstellen, dat zal niet meevallen, want volgens de raadsvoordracht is zo’n beetje in 2010, halverwege, het herindicatietraject achter de rug en kun je dan pas een plannetje opstellen. Dit allemaal als gevolg van een stelselwijziging; de AWBZ gaat eruit en dat moet voor een deel worden overgenomen door de Wmo, waar veel Amsterdammers toch behoorlijk hinder van gaan ondervinden. De VVD steunt dan ook het voorstel van de wethouder om deze middelen te reserveren, om het vast te houden. En het steuntje in de rug, zoals mevrouw Burke dat heeft gegeven, wordt ook door ons gesteund.
Ulichki F.
Dank u. Voorzitter, mijn collega mevrouw Burke is al uitgebreid ingegaan op de aanleiding en de problemen die voortkomen uit de bezuinigingsmaatregel vanuit het Rijk. Het is een bezuinigingsmaatregel; participatie is als doelstelling uit de AWBZ gehaald. De AWBZ zegt inderdaad vaker nee en dat betekent dat wij nu in Amsterdam 11.000 mensen hebben met een indicatie voor participatie en dat we verwachten dat 30% van die groep zijn indicatie gaat kwijtraken. Voorzitter, in 2009 was er een overgangsjaar gepland, waarin het CIZ de herindicaties moest doen. Dat was haar verantwoordelijkheid, maar dat is niet tijdig afgerond en de wethouder is nog steeds bezig met het verzamelen van gegevens om in kaart te krijgen om wie het gaat. Ik wil de wethouder daarom ook een compliment geven, want zij probeert zo veel mogelijk te doen om dit snel in kaart te krijgen en ook om extra opvang te regelen. Want, ja, het Rijk heeft gezegd: regel het in de Wmo, regel het via die collectieve zorgarrangementen. Daar is de wethouder mee bezig, maar de wethouder is ook bezig om middels vijf gesprekken mensen te ondersteunen in het zoeken naar alternatieven. Het buddysysteem, de hulp- en steunfuncties die zij in de stad heeft opgezet; dat zijn allemaal onorthodoxe manieren om naast die collectieve arrangementen alsnog die individuele begeleiding te blijven geven. De wethouder stelt aan ons voor om die 1,27 miljoen euro die voor 2009 beschikbaar was, te laten vrijvallen. Aangezien we pas eigenlijk dit jaar weten om wie het gaat, want de herindicaties zijn nog in volle gang bezig, heeft mevrouw Burke aangekondigd dat wij gezamenlijk een amendement gaan indienen en zeggen: omdat we nog bezig zijn met het verzamelen van gegevens en de situatie van mensen, is het verstandig om die 1,27 miljoen euro toe te voegen aan het bestaande budget van dit jaar.
Er zal veel via de Wmo kunnen worden opgevangen, maar het zou zomaar kunnen gebeuren dat er mensen zijn die ondanks die voorziening vanuit de Wmo, toch onvoldoende steun krijgen en meer nodig hebben dan die zorgarrangementen vanuit de Wmo. Dus voor mijn fractie is het belangrijk om zo snel mogelijk te komen met een inventarisatie van de effecten daarvan, zodat we alsnog richting het Rijk het signaal kunnen afgeven dat we veel hebben kunnen doen als Amsterdam binnen de Wmo, maar dat voor een groep mensen die arrangementen onvoldoende zijn. Wellicht kan de wethouder dat ook in G4-verband doen. Ik neem nu even een voorschot op dit punt, maar dat is wat mijn fractie betreft in de inzet van het verzoek om een plan van aanpak.
Boelhouwer C.
Ja, voorzitter, wij kunnen niet achterblijven. En omdat de vorige sprekers flink veel woorden hebben gebruikt, wat ook logisch is omdat dit een belangrijk onderwerp is, kan ik wel zeggen dat ik daarbij aansluit. Wij zullen de motie van mevrouw Burke en mevrouw Ulichki ook steunen. Wij hadden overigens eerder aangegeven dat we deze motie zouden meetekenen, maar dat zal niet doorgekomen zijn. Maar dat zal ik onderling nog wel regelen. Wij steunen dus de motie, omdat wij het onverstandig vinden als het geld vrijvalt terwijl we nog niet weten wat de consequenties zijn van de AWBZ-pakketmaatregel.
Vos M.
Dank voor de duidelijke inbreng en grote betrokkenheid vanuit de gemeenteraad. De zorgen die u heeft, heb ik zeker. U weet van mij dat ik al vanaf 2008 zeer actief aan het lobbyen ben, ook bij het Rijk, bij mevrouw Bussemaker, bij de Tweede Kamer, om inderdaad te zorgen dat de effecten van deze pakketmaatregel niet zullen zijn dat allerlei Amsterdammers tussen wal en schip vallen, sociaal geïsoleerd raken, dat kinderen niet meer de goede begeleiding krijgen, dat ouders overwerkt raken. Dat moeten wij allemaal niet willen en dat moeten we zien te voorkomen. Ik heb indertijd ook uitdrukkelijk gezegd: neem de tijd om dit in te voeren, want wij willen als gemeente er klaar voor zijn. Wij willen de gegevens kunnen hebben, zodat we zo snel mogelijk ook iedereen kunnen helpen. Overigens natuurlijk wel binnen de beperkte financiële middelen die we hebben, want dit is een heel grote bezuinigingsmaatregel, dat weet u ook. Dat is allemaal wat anders gelopen, vandaar dat we pas laat in 2009 inzicht hebben gekregen in de eerste gegevens rond de herindicatie en die loopt ook nu nog door. Wij zijn nu zo goed mogelijk inderdaad aan het opsporen, omdat we mensen willen helpen, en zeker kwetsbare Amsterdammers. Ik denk bijvoorbeeld aan oude mensen, die mogelijk dagbesteding in de buurt kwijtraken en in een sociaal isolement vervallen. Dat mag gewoon niet gebeuren, dus zeker voor die kwetsbare mensen willen we een alternatief aanbod doen. Dat moet wel binnen de beperkte financiële middelen, dat weet u ook. Daar gaan we nu mee beginnen. En daarom gaan we ook zo snel mogelijk dat plan van aanpak opstellen, dat eigenlijk twee doelen heeft: snelle actie, voor Amsterdammers die nu in de knel raken, en daarnaast een goed plan dat over de lange duur die hulp collectief kan bieden, die nodig is voor veel mensen. Dat doen we natuurlijk samen met de stadsdelen.
U hebt een amendement ingediend en daar zitten twee onderdelen in. Zo snel mogelijk een plan van aanpak maken; dat doe ik en dat zie ik dus als ondersteuning van het beleid. Het tweede deel is dat u zegt: u moet de middelen die in 2009 zullen vrijvallen, als het aan het college ligt, niet laten vrijvallen, maar reserveren voor die alternatieve zorgarrangementen en het opsporen van cliënten. Het college heeft eerder geoordeeld deze middelen - aangezien wij deze middelen in 2009 niet nodig hadden, en dat had er onder meer mee te maken dat we pas zo laat in 2009 überhaupt inzicht hebben gekregen in de effecten die dit voor groepen Amsterdammers heeft - vrij te laten vallen. Dat leek ons zeer logisch. Wij hebben uiteraard de middelen van 2010 zeer hard nodig, vandaar dat plan van aanpak, dat bedoeld is om die middelen echt goed te gebruiken voor de mensen die dat het hardst nodig hebben. Als de raad daar anders over oordeelt, en zegt: ook de middelen van 2009 moeten hieraan besteed worden en dus gereserveerd worden, dan laat ik het graag aan de raad om daarover te oordelen.
Cohen M.J.
Wenst niemand een tweede termijn? Dan gaan we stemmen. Onderdeel 1 is een motie, onderdeel 2 is een amendement. Dit met dank aan de griffie. Dus ik haal dat uit elkaar. We gaan eerst stemmen over het amendement, dan over de voordracht en daarna over de motie.
Aan de orde is stemming over het amendement-Burke c.s. (Gemeenteblad af. 1, nr. 49).
Het amendement-Burke c.s. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 49) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aanvaard.
Aan de orde is stemming over de voordracht.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nummer * van afd. 1 van het Gemeenteblad, met inachtneming van de daarin als gevolg van aanneming van het amendement-Burke c.s. (Gemeenteblad afd. 1 nr. 49) aangebrachte wijziging.
Aan de orde is stemming over de motie-Burke c.s. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 50).
De motie-Burke c.s. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 50) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Burke c.s. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 50) met algemene stemmen is aangenomen.
25. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 1 december 2009 tot vaststellen van het voorbereidingsbesluit Marine Etablissement (Gemeenteblad afd. 1, nr. 22)
Drooge A.H. van
Voorzitter, dank u. Het Marine-etablissement heeft de belangstelling van de wethouder Ruimtelijke Ordening, maar de soap over wat er nu moet gebeuren duurt inmiddels vijf jaar. In 2005 is er een bestemmingsplan vastgesteld en dat is niet goedgekeurd. In februari 2008 hebben we een verlenging gedaan voor twee jaar. Die zijn inmiddels ook om en de termijn van eerst drie, toen twee, is nu één jaar geworden en over een jaar loop het af. Ik weet het niet precies, maar het lijkt mij dat de zaken zo langzamerhand verscherpt worden. Van de wethouder zou ik graag het volgende weten. We zijn nu al zo lang bezig. Wordt er gewerkt aan een oplossing? Zijn er ideeën die formeel besproken worden? En zo niet, vindt u ook niet dat u zo langzamerhand in een tijdklem komt te zitten? Want uiteraard is het prima dat het voortgezet wordt, maar wat gebeurt er nu eigenlijk?
Poelgeest M. van
De gemeente en het ministerie van Defensie houden elkaar een beetje gegijzeld op dit terrein. U kent de historie daarvan. Wij willen graag met het ministerie van Defensie praten over een nieuwe toekomst voor het terrein, maar dat wil men bij het ministerie minder graag. Dat mag volgens mij geen reden zijn voor de gemeente Amsterdam om af te zien van de ambities die zij heeft vastgelegd in haar structuurplan. En dat heeft zij gedaan in het jaar 2002, dus daar wil ik aan vasthouden. Dat leidt ertoe dat we nu nog eens een voorbereidingsbesluit voorleggen. Als het niet lukt om met het ministerie in gesprek te raken, dan zullen wij over een jaar een conserverend bestemmingsplan aan u moeten voorleggen. Als dat er namelijk niet gaat komen, kan men gewoon zijn gang gaan op dat terrein en dat is niet in lijn met wat de gemeenteraad eerder rond de structuurvisie in 2002 heeft besloten. Er zijn altijd allerlei ideeën over wat daar moet komen van deze of gene. Dat biedt soms aanknopingspunten om het gebied in de gewenste richting te krijgen. Maar vooralsnog kan ik u niet meedelen dat het ministerie van Defensie naar ons toe is gekomen omdat ze nu echt eens willen praten over de toekomst van het terrein. Dus in die zin verandert er weinig.
Cohen M.J.
De VOORZITTER: Hebt u behoefte aan een tweede termijn?
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Van Drooge.
Drooge A.H. van
Ja. In zulk soort situaties is het geen kwestie van dat de een niet naar de ander wil komen of de ander niet naar de een wil komen. Dan moet je misschien eens mediation of iets dergelijks toepassen. Want bij het ministerie van Financiën zegt men: de gemeente Amsterdam komt niet naar ons toe. Dus het lijkt mij verstandig, wethouder, als u dan toch iets wil bereiken, want ander gaan we vanzelf naar dat conserveren toe en dan gebeurt er dus niets zoals u zegt, om nog eens te proberen om ook eens een stapje die kant op te doen. Maar daarbij zou ik het willen laten, voorzitter.
26. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 17 november 2009 tot instemmen met het uitvoeringsbesluit, financiële paragraaf en grondexploitatiebegroting van de Kop Zuidas 2009 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 19)
27. Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 10 november 2009 tot vaststellen van het bestemmingsplan Kop Zuidas (Gemeenteblad afd. 1, nr. 23)
Mulder M.
Wij hechten eraan om dit punt toch even aan de orde te stellen, omdat er in de commissievergadering wat vragen zijn gesteld die in de commissie zijn beantwoord, maar we hebben nog niet aangegeven waarom we gaan doen wat we gaan doen. We hebben in de commissie ook onze waardering uitgesproken voor het feit dat u die drie stukken tegelijk aanbiedt, dus het uitvoeringsplan, de financiële paragraaf en het bestemmingplan. Dat is ons erg goed bevallen en voor zover mogelijk voor herhaling vatbaar. Het mooiste compliment kwam denk ik wel van de voorzitter van de bewonersvereniging, mevrouw Griffioen, die verheugd was dat zo degelijk en goed was ingegaan op de inspraakreacties. Die noodzaak brengt dit plan ook wel met zich mee, omdat het natuurlijk een deel van de Zuidas is dat relatief dicht tegen de bestaande bebouwing aanzit. Daar is in de commissievergadering dan ook veel over gesproken. Onze afweging is de volgende. Het plan zit inventief in elkaar, er is echt geprobeerd om weliswaar een nieuw stukje stad toe te voegen, maar ook waar mogelijk aansluiting te zoeken bij de bestaande stad. Ik denk dan ook aan de bruggen naar de begraafplaats, waar door een stukje groen bij dit deel van de stad wordt getrokken. Maar als altijd zitten er natuurlijk positieve en negatieve punten aan. Een negatief punt voor de zittende bewoners is natuurlijk de bouwhoogte. Wij vinden dit echter, alles overziend, acceptabel. We hebben inmiddels begrepen dat het ook normale verdiepingshoogten zijn, behalve de plint. En wij zijn ook voorstander van die hoge plinten, dat hebben we ook vastgelegd in de visie Zuidas. Dus we zouden het wat bevreemdend vinden om daar wat vanaf te halen in dit plan, om die discussie in de commissievergadering daar maar mee af te sluiten, onafhankelijk van wat de andere partijen daarvan vinden. Maar voor ons is dat de finale overweging. Het college is al tegemoetgekomen door van 18 naar 15 meter een schuin dakje te maken, zodat het fysiek wat prettiger oogt. Voor de bezonning maakt het niet zo gek veel uit, maar dan moeten we ook substantieel vierkante meters inleveren, hebben we begrepen. En ook dat hotel, het gaat niet alleen om de woningen, is belangrijk als het gaat om die bezonning. En ja, we weten allemaal dat hotelcapaciteit ook belangrijk is in de stad. En zo zit je dus met een heel aantal grootstedelijke afwegingen die juist in dit gebied ook tot dit soort keuzes leiden, die wij dus omarmen. Overigens is ook die bouwhoogte, hebben wij begrepen, sinds de eerste plannen in 2004, al in de plannen opgenomen. Dus wat dat betreft geen nieuwe situatie. Dat hotel is wel nieuw, maar daar stond eerst die KPN-centrale. Er zitten natuurlijk ook positieve dingen voor de bewoners in, bijvoorbeeld dat je vlakbij een leuk theater gaat wonen, vlakbij leuke horecavoorzieningen die aan het ROC gelieerd zijn, met andere woorden: een stukje levendigheid. Ook de geluidsoverlast neemt af, uiteindelijk, doordat daar zo’n wand van kantoren komt. Wij omarmen dan ook de keuze om nu niet als gemeente een scherm aan te leggen. Die bal ligt bij het Rijk, als die wegverbreding aan de orde is. Wij zijn verheugd met de toezegging in de commissie van de wethouder voor de extra speelplek en voor het feit dat er bij kavels C, F en G gewoon balkons kunnen komen. Wat ons betreft mogen die balkons tamelijk ruim van opzet zijn, maar dat zal niet tot verbazing leiden. Wij zijn inmiddels overtuigd van het feit dat, daar hebben we ook vragen over gesteld in de commissievergadering, het parkeren goed en slim is opgelost, ook bij de RAI. Dan kom ik op een laatste, wat pijnlijk punt, rondom het water bij de synagoge. Het water bij de synagoge is nodig voor de veiligheid van de synagoge en wij begrijpen dat. Wij staan dan ook achter de brede afweging die daar is gemaakt. Let wel, dat is altijd een afweging van belangen. In dit geval zijn het met name het wilgenlaantje, in zijn huidige vorm, en de tafeltennisvereniging die daarvan de effecten ondervinden. Wij willen de wethouder graag het volgende meegeven aangaande het wilgenlaantje. Er komt dus een nieuw paadje, aan de andere kant van de synagoge en we zouden u graag in overweging willen meegeven, of eigenlijk is het een verzoek, om die bestaande wilgen dan ook weer te herplanten, zodat het net zo’n mooi wilgenlaantje wordt als we nu hebben. Hij loopt dan net iets anders, maar wat ons betreft moet dat zo veel mogelijk het oude Wilgenlaantje zijn. Daar wordt door de bewoners erg aan gehecht, hebben wij vernomen.
Ten slotte de tafeltennisvereniging. Wij hechter er erg aan dat de bestaande sportvoorzieningen in de Zuidas niet de dupe worden van de ontwikkelingen, omdat juist ook voor die nieuwe Zuidas die voorzieningen van belang zijn. Anders bouwen we een stuk stad zonder de voorzieningen die daarbij horen, of althans, dat moeten we dan weer helemaal opnieuw gaan laten ontstaan. Laten we nou zo’n waardevol iets behouden. Er zijn ook vrij veel mensen die daar gebruik van maken, bij elkaar een stuk of vierhonderd. We hebben begrepen dat de timing zodanig is, dat er nog twee a drie jaar de tijd is om er definitief uit te komen. Hier is al veel over gezegd in de commissievergadering, maar ik wil toch ook hier de wethouder nog nadrukkelijk meegeven dat wij er vanuit gaan dat hij eruit komt met de tafeltennisvereniging en dat er een oplossing wordt gevonden, waar we erg aan hechten, die voor alle partijen bevredigend is, zodat ook die nieuwe Zuidas kan profiteren van de oude, reeds bestaande voorzieningen en levendigheid.
Beishuizen F.
In de commissie is hier al veel over gezegd. De heer Mulder heeft die discussie hier aardig samengevat, zij het gelardeerd met een aantal PvdA-standpunten. Wij zijn vrij tevreden over het plan dat door de wethouder is voorgelegd. Dat hebben we daar ook al benadrukt. Ik beperk me even tot een aantal kanttekeningen en zal aan het eind ook een motie indienen. In de eerste plaats stel ik aan de orde de verkeersdrukte in die Veluwebuurt die daar ligt. De heer Mulder zegt, op zich terecht, dat daar ten opzichte van de RAI, en zo drukte de wethouder zich heel precies uit, geen wijziging in de drukte vanwege het parkeren van bezoekers zal optreden. Maar de wethouder heeft ook in de commissievergadering gezegd dat hij bij die constatering het theater buiten beschouwing liet. U noemt dat een leuke, levendige stadswijk. Wij hebben geluisterd naar wat de bewoners daarover zeiden en we zien daar zelf geen oplossing voor, maar het baart ons wel zorgen dat er dus meer verkeer gaat rijden. Maar goed, dat constateren we nu met zijn allen, maar het zou jammer zijn als we hier blijven hangen met de constatering: er verandert niets ten opzichte van de RAI, terwijl we ook zien dat er ten opzichte van het theater dus wel degelijk iets gaat veranderen. Ik sluit me aan bij uw opmerking over het geluidsscherm, maar bij Tempo Team menen wij toch dat, hoewel wethouder Van Poelgeest in woord wel uitdrukte dat hij het belang van het vinden van een nieuwe locatie voor de tafeltennisvereniging inzag, er te weinig gebeurt wat dat betreft. Wij hebben ook de discussies met de tafeltennisvereniging nog iets geïntensiveerd, we hebben ze ook aangeraden om met het projectbureau regelmatig contact te zoeken en te kijken of er al wat meer duidelijkheid te creëren was. Wij hechten sterk aan het behoud van dat soort sportvoorzieningen op de Zuidas. En we menen toch dat het nodig is om daar een motie over in te dienen, om de wethouder op te roepen om zich heel hard in te spannen voor het vinden van een locatie. En om daarbij ook voortvarend en proactief met de tafeltennisvereniging daarover in overleg te gaan. Wij hebben geprobeerd om die motie zo te verwoorden dat de wethouder niet in zijn totale bewegingsvrijheid wordt beperkt, maar we zouden toch graag op deze manier zeker stellen dat de wethouder zich daar ook voor gaat inspannen. Verder vinden we het een mooi plan.
80° Motie van de raadsleden Beishuizen en Van Drooge inzake locatie tafeltennisvereniging Tempo Team (Gemeenteblad afd. 1, nr. 51)
Cohen M.J.
De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
80° Motie van de raadsleden Beishuizen en Van Drooge inzake locatie tafeltennisvereniging Tempo Team (Gemeenteblad afd. 1, nr. 51).
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Van Drooge.
Drooge A.H. van
Voorzitter, een mooi plan. We hebben er in de commissie uitvoerig over gesproken. Ik heb in de commissievergadering gevraagd om toch nog eens te kijken naar de bouwhoogte. Daar heb ik van de wethouder prima antwoorden op gekregen. Per papier, per e-mail, nog niet per sms, maar op alle manieren heeft het mij bereikt en tijdig, waarvoor dank. Het is nu eenmaal nodig hoogbouw te doen, anders gaan we het groen rond Amsterdam verrommelen. Dat is zo. Ik zie dat het noodzakelijk is om daarvan af te zien. Ik ben blij dat de wethouder Sport ook binnenkomt, want wij hebben op dat moment ook gezegd dat het probleem met Tempo Team aan de ene kant ligt op het gebied van Ruimtelijke Ordening, maar aan de andere kant kan de wethouder Sport misschien ook nog een klein handje uitsteken. Dus wat dat betreft is het goed wanneer de wethouder Sport daar ook nog eens meekijkt.
Wat betreft de geluidsschermen heeft de wethouder voldoende geantwoord. Wanneer er aan de Zuidas veranderingen gaan optreden, dan zal er toch iets moeten gebeuren; of dat nu tussendoor een tijdelijke oplossing is voor veel geld of een goede oplossing voor nog veel meer geld. Dus ook daarbij zegt de realiteit dat we genoegen moeten nemen met wat er is. Dus al met al, afgezien van een aanmoedigingsmotie, stemmen wij in.
Bakker J.L.
Kort nog even, voorzitter, wat betreft Tempo Team. Het belang van een dergelijke functie in de Zuidas is volgens mij door alle partijen wel onderkend. Ik ga er vanuit dat er binnen de grenzen van het redelijke een oplossing gekozen kan worden. Maar ik zou misschien toch in bredere zin van de wethouder willen horen hoe dat nu gaat. Er moet dus een vrij simpele functie van een vrij simpele club in zo’n gebied als de Zuidas, wat eigenlijk door de kwaliteitseisen die wij stellen, geborgd worden. Dat wringt toch. Het is een club die niet veel geld heeft, terwijl de Zuidas toch een heel duur gebied is en wij ook allemaal aan de verschijningsvormen van de gebouwen vrij hoge eisen stellen. We willen een bepaald soort cachet en allure aan dat gebied geven. Het blijkt dat dat in de werkelijkheid toch heel moeilijk is. Heeft de wethouder daar een soort oplossing voor? Hoe kunnen we omgaan met het feit dat de functies die we daar willen, simpele functies dus, dingen voor gewone mensen, zal ik maar zeggen, toch in zo’n allurerijk en duur gebied gevestigd moeten worden? We willen daar toch graag een gemengde stad, een echt stukje stad, en niet een kantorenwijk. Dat baart ons, behalve het punt van het Tempo Team, wel degelijk zorgen.
De redenatie van de MER, de Milieueffectrapportage, in de nota van beantwoording van het college kan ik nog steeds niet volgen. Ik ben bang dat het me deze collegeperiode ook niet meer gaat lukken die te volgen. Maar we zullen wel zien bij de grote klap straks aan het einde, wat daar voor MER uitkomt. Over de verkeersdrukte heeft de heer Beishuizen al iets gezegd. Dan nog een ander algemeen punt.
De heer Adema heeft, heb ik begrepen, op zijn nieuwjaarsspeech, een pleidooi gehouden voor meer woningen op de Zuidas. Ik kan me daar van alles bij voorstellen, want we kunnen natuurlijk wel heel goed bedenken dat daar meer kantoorvolume moet komen, maar er moet ook nog wel verhuurd kunnen worden en er moet ook nog iets gerealiseerd kunnen worden. Ziet de wethouder iets in die plannen van de heer Adema, of denkt hij dat de flexibiliteit in de plannen voldoende is om zo gemakkelijk op een andere functie, namelijk wonen, die ook in de visie is uitgesproken, over te kunnen gaan? We zeggen van die kantoormarkt dat het wel weer zal aantrekken, maar we weten natuurlijk helemaal niet in welke mate en in welke vorm.
Poelgeest M. van
Ik vind het mooi dat we erin geslaagd zijn om op een aantal punten, waarover in de commissie nog discussie was, de verschillende fracties te overtuigen van het feit dat het plan op die punten goed in elkaar zat. Dat ging vooral ook over de bouwhoogte van de velden E, G en H. Ik begrijp heel goed hoor, dat de mensen die daar wonen denken: het is zo compact, het komt zo dichtbij. Men is ook anders gewend. Maar weet wel dat vijf jaar geleden hier ook dergelijke hoge gebouwen stonden. En bovendien, het karakter van de buurt, het stuk dat nu ontwikkeld wordt, verandert wel, dat klopt, op het moment dat wij kiezen voor een compacte stad. Ik ben blij dat u op dit punt toch allen meegaat in het voorstel zoals het college dat heeft gedaan. Naar de extra speelplek, meneer Mulder, wordt gekeken. De balkons heb ik in de commissievergadering inderdaad toegezegd. Naar uw vraag of de wilgen herplant worden, zal gekeken worden. Daar kan ik niets over beloven, maar we gaan wel kijken of dat lukt. Ten aanzien van het parkeren, meneer Beishuizen, het volgende. Ik heb inderdaad gezegd dat het theater natuurlijk voor extra drukte zorgt, maar daar is wel in voorzien. Het is niet zo dat we daar een theater neerzetten en ervan uitgaan dat iedereen met het openbaar vervoer of de fiets gaat komen. Wij denken dat wat er aan parkeercapaciteit bij wordt gemaakt, allemaal uitstekend is en niet tot heel grote problemen gaat leiden. Als u denkt dat dat wel zo is, dan moet u natuurlijk nu een amendement indienen om meer parkeerplaatsten te maken. Maar dat hebt u niet gedaan, dus u bent het blijkbaar op dat punt eens.
Dan de discussie over de tafeltennisvereniging. Ik denk dat wij allen vinden dat de tafeltennisvereniging in dit gebied, of elders op de Zuidas of misschien in het aanpalende stadsdeelgebied een plek moet krijgen. Dat heb ik in de commissievergadering ook gezegd. Wij zetten ons daar ook voor in. Ik heb u ook nog in het besloten deel van de vergadering toegelicht hoe de onderhandeling met de tafeltennisclub verloopt. Dus daarvan bent u op de hoogte. Ik heb op zichzelf tegen de motie zoals die voorligt geen bezwaar, maar ik denk wel dat we elkaar op een punt goed moeten verstaan. Dat gaat om de formulering ‘zich tot het uiterste in te spannen’. Dat betekent niet dat de bomen tot in de hemel groeien. Het financiële budget dat wij hebben vrijgemaakt in de grondexploitatie is een alleszins redelijk bedrag. Binnen die beperkingen zal het college zich inderdaad tot het uiterste inspannen. Als u daarmee bedoelt dat wij veel meer geld moeten vrijmaken, dan moet u eigenlijk een amendement of motie indienen die dat expliciet uitspreekt.
Beishuizen F.
Ik hoor wat u zegt. Wij zijn er niet voor om daar nu een smak geld tegenaan te gooien, dan had ik de motie anders geformuleerd. Maar de heer Bakker schetst zojuist wel een bepaald dilemma. De opbrengst die met de onteigening naar voren zal komen en inkomstenstroom die de vereniging heeft staan wellicht, zeker vanwege de ruimtelijk eisen die worden gesteld aan alternatieve ontwikkeling op de Zuidas, wel met elkaar op gespannen voet. En dan kunt u nu wel zeggen: wij doen ons best daarvoor, maar dan zullen we misschien toch een tandje verder met elkaar moeten gaan. Deze motie is juist bedoeld om te zorgen dat dat debat niet langzaam naar de achtergrond schuift, met het vaststellen van dit bestemmingsplan. Dus wij vragen u nu niet concreet om iets onmogelijks te doen en enorme fondsen vrij te maken. Niet voor niets vragen we om een oplossing binnen redelijke grenzen. Maar ik zou graag uw antwoord op de vraag van de heer Bakker in dat kader willen betrekken.
Poelgeest M. van
Men zit nu in een oud gebouw, waar men ook het rijk alleen heeft, zullen we maar zeggen. Dat heeft voor- en nadelen. Als men naar een nieuwbouwplek zou gaan, ook buiten de Zuidas, dan nemen de exploitatielasten voor de vereniging waarschijnlijk toe, als men op hetzelfde aantal meters, in dezelfde formule op die plek wil landen. Dat lijkt mij evident. Als u vindt dat dat zo zou moeten, dan moet u er geld bijleggen, want daarin hebben wij niet voorzien. Wij hebben voorzien in wat het college een redelijk bedrag vindt. Nu is het natuurlijk ook mogelijk om op een plek te landen waarin combinaties worden gemaakt, en waarin in die zin in de exploitatiesfeer, ook met het bedrag dat nu gereserveerd is, mogelijk zou kunnen worden. Dat betekent dus wel dat de vereniging niet meer helemaal het rijk alleen heeft. Daarover zijn we met de vereniging in gesprek. Ik denk dat het nog steeds zo moet zijn om, ook in een gebied als de Zuidas, daar een oplossing voor te vinden, zonder dat het bedrag dat gereserveerd is omhoog moet. Ik heb zelf nog jarenlang hier ergens op de Herengracht getafeltennist, dat is ook niet de meest goedkope plek in de stad. Dus daar moet op de een of andere manier wel een oplossing voor zijn. Maar als u echt op voorhand vindt dat dit bedrag niet voldoende is om aan de eisen van de tafeltennisvereniging tegemoet te komen, dan moet u nu een voorstel indienen om dat bedrag te verhogen. Anders houden wij in de gesprekken, met de overtuiging dat de vereniging een plek moet krijgen, vast aan wat we vandaag gaan beslissen.
Drooge A.H. van
Het standpunt van de wethouder van Ruimtelijke Ordening is duidelijk. Wij vragen hem niet om anders te redeneren dan hij als wethouder Ruimtelijke Ordening doet. Er zit alleen aan de verplaatsing van deze tafeltennisvereniging ook een ander aspect. Dat is een sportvereniging, het is een vereniging met een buurtkarakter. En dat is wat ik ook in de commissievergadering aan u gevraagd heb. Kijkt u nu niet alleen met de bril van Ruimtelijke Ordening, er zijn ook wethouders in dit college die met een ander bril kijken naar een sportvereniging. En wij vragen u dus niet per definitie om met de bril van Ruimtelijke Ordening te kijken. Span u tot het uiterste in en met deze motie willen we dat ook terugkrijgen, want als dat op een gegeven moment toch niet gebeurt, moeten wij niet ten slotte zeggen: wat vervelend dat dat niet gebeurd is. Dus meer vragen we u niet. We vragen u niet expliciet om meer geld, want dan heeft u geen onderhandelingsruimte. Dat doen we niet; we gaan niet op uw stoel zitten, we vragen alleen: vertel het ons en probeer een oplossing te vinden, met de rest van het college.
Poelgeest M. van
U formuleert uw vraag natuurlijk heel algemeen. Dat begrijp ik wel, vanuit uw positie. Ik kijk er niet zozeer naar met de bril van Ruimtelijke Ordening, maar misschien eerder nog met die van Grondzaken. Met het besluit vandaag wordt mij een onderhandelingsmarge meegegeven door de raad. Als de raad vindt dat die onderhandelingsmarge te klein is, dan moet zij die groter maken. Als u vervolgens zegt: binnen die grondexploitatie hoeft de marge niet groter gemaakt, maar wellicht dat de wethouder Sport nog geld overheeft, dan denk ik dat de wethouder Sport daar anders over denkt. En dat zij ook tegen de raad zal zeggen: als u dat wil, dan kan dat natuurlijk, maar dan moet u ergens anders minder geld aan besteden. Ook de wethouder Sport heeft te maken met een budget dat eindig is. Dus ik probeer toch even, voordat we elkaar nu voor de gek houden, scherp te krijgen wat u met die motie wilt.
Beishuizen F.
Wethouder Van Poelgeest, U hebt tijdens de commissievergadering expliciet een beroep op ons gedaan om u niet te beperken in uw onderhandelingsruimte. Wij hebben op dit moment vooralsnog aan die oproep gehoor gegeven, door deze motie op deze manier te formuleren. Wij willen daarmee absoluut benadrukken dat u, zoals de heer van Drooge al zegt, niet alleen kijkt met uw Grondzakenbril, want dat is waarschijnlijk een bril die wat aarde voor de glazen heeft zitten en wat dat betreft slechts één kleurenpalet laat zien. Maar mevrouw Gehrels beschikt misschien over een meer kunstzinnige bril, waar heel mooie lichtval in mogelijk is. Wat dat betreft kan het college misschien meer besluiten dan wanneer u zich opsluit in uw redenering vanuit Ruimtelijke Ordeningen en Grondzaken. Dus daarom geven we u nu nog die ruimte en wat dat betreft is dat dus ook de vraag die we u stellen. Maar wat voor ons niet acceptabel is, is dat we wanneer we deze motie indienen, u vervolgens aan de slag gaat, maar we over een paar maanden, een jaar of twee jaar moeten constateren dat deze vereniging geen alternatief heeft. Bovendien betreur ik het, vanuit uw positie snap ik het wel, dat u zich zo formeel en bureaucratisch uitdrukt, terwijl het hier gaat om iets met een buurtfunctie. Ik meende ook bij meneer Mulder van de PvdA net te beluisteren, dat juist het behouden van dit soort sportverenigingen met een buurtkarakter, belangrijk is. We willen niet een of andere diamant in de stad planten en daarmee al het bestaande laten verdwijnen. Dat vragen we aan u met deze motie.
Poelgeest M. van
Dan wordt het ook helderder. Ik heb in de commissievergadering iets anders gezegd dan u in uw eerste zin suggereert. Ik heb namelijk tegen u gezegd: "Als de raad zegt: ‘Wat er ook gebeurt, maar deze vereniging moet per se landen in de Zuidas’, dan plaatst u ze op de troon." Dat heb ik letterlijk gezegd. En ik heb u gevraagd dat niet te doen. Ik heb u tegelijkertijd gezegd, ook in de commissievergadering, dat het college het van groot belang acht dat deze functie in de Zuidas, of misschien in het aanpalende stadsdeelgebied, behouden blijft. En dat we daarover met de vereniging in gesprek zijn. Wij denken dat we daar een aanvaardbaar budget voor hebben vrijgemaakt en daar wilden we het voorlopig bij laten. Dat is wat u hier wordt voorgesteld. Maar als u nu al tegen mij zegt, of vindt, of denkt te weten, dat dat budget niet voldoende is, is het enige dat ik terugzeg dat de raad dat bedrag moet verhogen. Maar u kunt natuurlijk ook zeggen, en misschien bedoelde u dat met uw motie: u moet zich inspannen, we onderstrepen het nog eens dat we het belangrijk vinden dat die vereniging in dat gebied landt, en verder: zet hem op. Daar kunt u zich ook toe beperken. Ik probeer even scherp te krijgen of u nu dat eerste of dat tweede vindt.
Beishuizen F.
Wij willen niet op uw stoel gaan zitten, dus u krijgt de ruimte om een oplossing te vinden. Maar ik wil u daar dan, gezien uw betoog, een vraag bij stellen: denkt u dan, dat u met de ruimte die u zelf gereserveerd heeft, voldoende armslag heeft om een oplossing te vinden? Als uw antwoord daarop nee is, dan hebben we wel een probleem.
Poelgeest M. van
Dit heb ik u in de commissie al gezegd: wij denken dat we een alleszins redelijk bedrag in de grondexploitatie hebben gereserveerd om eruit te komen. Ik dacht: straks gaat die motie alleen maar het bedrag verhogen. Dat lijkt me niet de bedoeling en als de motie dat ook niet bedoeld heeft, heeft het college geen bezwaar tegen de motie.
Dan heeft de heer Bakker mij nog een aantal vragen gesteld die breder gaan over de Zuidasontwikkeling dan alleen over dit voorstel. Maar gezien het tijdstip, hoewel ik daar heel graag dingen over wil zeggen, is dat misschien nu toch niet aan de orde. Ik kan u wel meedelen dat het volgens het college van essentieel belang is dat die weg onder de grond gaat, omdat dat mogelijk maakt om meer woningen in het gebied te gaan realiseren. Dat heeft het gebied nodig wat betreft kwaliteit en ook wat betreft flexibiliteit. Want hoe het zich precies gaat ontwikkelen met de kantorenmarkt de komende twintig jaar, dat weten u en ik ook niet. Dan is het mooi dat je verschillende registers kunt bespelen bij het ontwikkelen van dat gebied. Of dat allemaal gaat lukken, daarover hoopt het college over, ik denk, enkele weken meer te kunnen vertellen.
Bakker J.L.
Laat ik het even anders vertalen. De wens van de heer Adema voor meer woningen zou feitelijk altijd gerealiseerd kunnen worden, afgezien van hoe de markt ontwikkelt, omdat wij nu juist die flexibiliteit in die plannen willen, zodat we geen gebouwen gaan neerzetten waar we niets mee kunnen. Of is dat te optimistisch van mijn kant?
Poelgeest M. van
Als je de film nog eens vanaf het begin terugspoelt, dan zie je dat in het masterplan voor de Zuidas in 1996 1500 woningen waren geprognosticeerd. In de visie van ik denk 2005, was dat aantal opgelopen naar 6000 tot 7000. We praten vandaag over een mogelijk programma van 9000 a 10.000. Dus u weet ongeveer hoe zich dat ontwikkelt. Misschien is dat ook een antwoord op uw vraag.
Cohen M.J.
Ik denk dat er geen behoefte meer is aan een tweede termijn. Dan stemmen we over de motie.
Aan de orde is stemming over de voordrachten.
De voordrachten worden met algemene stemmen aangenomen; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nummer 19 en 23 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
Aan de orde is stemming over de motie-Beishijzen c.s. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 51).
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Mulder voor een stemverklaring.
Mulder M.
(stemverklaring) Wij waren nog niet in de gelegenheid geweest te reageren en ik wilde graag in een stemverklaring weergeven dat wij voor de motie zijn, ook gezien het preadvies van de wethouder en het debat dat zich ontspon. En omdat wij enorm hechten aan deze voorzieningen in de nieuwe, grote Zuidas.
Welkom bij Politiek Archief
In Politiek Archief vindt u de digitale bestanden van vergaderingen van allerlei overheidsinstellingen. U kunt bijvoorbeeld zoeken op 'Provincie Noord-Holland', 'Amersfoort' en 'stadsdeel West'.
Typ hier de naam van de overheidsinstelling(en) waar u iets over wilt weten en klik vervolgens op 'Selecteer entiteit'. Daarna kunt u met de buttons op deze pagina de informatie opvragen die u zoekt.
Klik hier voor een uitgebreide uitleg van de zoekopties.
Zoek per gemeente, provincie of waterschap
Sluit Maps
Selecteer van de kaart
Meest getoonde pagina's
Partij pagina: VVD
Persoonlijke pagina: Ulichki F.
Partij pagina: PvdA
Partij pagina: VVD
Persoonlijke pagina: Wolf F. de
Persoonlijke pagina: Hollander-van der Ent C. den
Partij pagina: SGP
Partij pagina: CDA
Persoonlijke pagina: Dames-Bokma G.J.
Persoonlijke pagina: Pinxteren J. van
Persoonlijke pagina: Gehrels C.
Persoonlijke pagina: Burg E. van der
Westland: gemeenteraad
07-07-2009
Persoonlijke pagina: Berg T. van den
Amsterdam: commissie Verkeer en Volkshuisvesting
04-02-2009




